Er dreigt gevaar hoofdstuk 6

 

 

Hoofdstuk 6

Er dreigt gevaar

Vier jaar later.

De Donkerstraat lag in het licht van de zomerzon, toen Diedel Aeltsdochter de deur van het weeshuis achter zich dichttrok en het blijde licht binnenstapte. Ze haalde opgelucht adem nu ze buiten het sombere huis stond. Snel deed ze een paar stappen op de stoffige straat om weg te komen. Ze had opeens erge haast.

Nee, achter de donkere ramen van het weeshuis was het niet prettig. Ze moest daar werken van donker tot donker. Dát was niet erg. Diedel hield van werken. Zewist dat werken goed was voor een mens. Maar verder was het er niet plezierig. Als de jongens en meisjes soms eens probeerden om wat plezier te maken – en welke jongen en welk meisje deed dat niet graag? – dan kregen ze een uitbrander. En dat begreep Diedel niet. Waarom mochten weeskinderen niet net zo goed plezier hebben als andere jongens en meisjes?

Weeskinderen moesten blijkbaar anders zijn dan anders. Dat zei niemand, maar zo deden de mensen wel, dacht Diedel. Zelfs in de kleding moest dat uitkomen. De linkerhelft van haar bloes met wijde mouwen was rood, de rechter blauw. En zo was het ook met de rok, die tot over de voeten reikte. Jongens liepen ook in half rood, half blauw. Iedereen moest kunnen zien dat zij in het grote huis thuishoorden en dat zij niets te vertellen hadden.

Waarom toch? Dacht Diedel. Zij konden er toch niets aan doen dat zij weeskinderen waren? Zij waren toch ook niet minder dan andere jongens en meisjes?

Met arme mensen was het bijna net zo gesteld. Nou ja, die mochten vrij door de stad lopen. Maar zij droegen een rode roset op de kleren, zodat ieder kon weten dat zij van de bedeling leefden. In de verordening van Harderwijk stond, dat zij niet mochten trouwen of hertrouwen en ook geen honden houden.

Diedel moest er eigenlijk om lachen. Grote heren konden grote woorden spreken en wonderlijke dingen doen. Maar zij liep nu ook door de straten van Harderwijk. Achttien jaar was ze en ze voelde zich nu al een mooi beetje vrij zo.

Zoals Gosen Zeegers.

Zij zag hem opeens ginds over de Broeren stappen. Hij wierp een blik in de Donkerstraat en toen hij haar ontdekte, stak hij een hand naar haar op.

Diedel wierp schichtig een blik om zich heen. Maar niemand had het gezien.

“Leuke jongen,”dacht Diedel. “Gosen was altijd even vriendelijk en dat was hij voor iedereen.”

De mensen noemden hem vroeger de vechter van de keien. Maar mensen zeiden zoveel. Diedel geloofde het niet.

Gosen wilde de Broeren oversteken naar de Wolleweverstraat, maar opeens wendde hij zich om en liep langs de hoge stoep van het stadhuis aan de Hondegatstraat.

Diedel haastte zich langs de waag, voorbij de Bruggestraat en dook dan ook de Hondegatstraat in. Ze wilde voortmaken. Als ze haar straks bij de zoutketen snel hielpen dan kon ze misschien nog wel even een straatje om. Het weeshuis had zout nodig en dat ging Diedel halen.

“Ha, die Diedel.”

Gosen deed net alsof hij haar nu pas zag. Diedel zei niets terug, maar in haar ogen dansten lichtjes.

Ze mocht niet met jongens praten. Als iemand dat zou zien zou die het vast en zeker aan de weesvader overbrieven. Diedel wist het wel, dan zou zij geroepen worden om voor de vierschaar te verschijnen, de weesmeester, Herbert Peters, Wolf Zegers, Rutgers Henrichs en Wolff Brinck. Ze zouden haar heel streng aankijken en straffen.

Nu, ze zou wel goed uitkijken. Al mocht zij dan ook niets, niemand kon haar beletten om haar oren te gebruiken. Ze luisterde altijd scherp naar wat de mensen zeiden. Zodoende wist Diedel best wat er in harderwijk en in de wereld te koop was. En niemand kon haar beletten Gosen Zeegers een knipoogje te geven.

Gosen liep een eindje met haar op en nu had Diedel opeens niet meer zo’n haast. Niet vlak naast haar liep hij. Dat zou ook teveel opvallen. Aan de andere kant van de straat liep hij. Zo leek het alsof ieder zijn eigen weg ging.

De straat was smal. Als Gosen wat zei verstond Diedel het wel. Zo namen zij Harderwijk in de maling. Het was niet de eerste keer dat ze elkaar ontmoetten. Nu, dan moesten de heren Gezworenen maar niet zulke gekke verorderingen maken. Het hart bonsde in Diedels borst en er golfde opeens een felle schrik door haar heen. De schout, Andrys Roest en de weesvader hadden misschien wel gedacht dat een weesmeisje geen oren had. Ze hadden hun stemmen helemaal niet gedempt toen zij de kannen bier bij hen bracht. En Diedel had veel nagedacht over de woorden die zij toen hoorde, maar daar was het ook bij gebleven. Nu zij echter de bruine ogen van Gosen Zeegers zag, met die felle blik, alsof hij de werelduitdaagde, met de konink van Hispaniën en al, nu kwam het opeens in haar op, dat Gosen er misschien weleens bij betrokken kon zijn. Het was al lang geleden, dat de Jezuïetenpater verdween, minstens vier jaar. Zij had zich er ook wel wat over verwonderd, toen zij erover hoorde, dat ze er nu eerst achter waren gekomen,of dat zij nu eerst een vermoeden hadden gekregen wie de daders waren geweest. Vast, het zou net iets voor Gosen Zeegers zijn geweest.

Hoe meer zij er over nadacht, hoe zekerder zij zich voelde. Maar toen drong het opeens tot haar door, dat Gosen dan in gevaar verkeerde. Gosen wist het natuurlijk niet. Gosen lachte maar. Ze zou het hem zeggen.

Op haar gezicht lag plotseling een blos van spanning en angst.

“Luister, Gosen. Ik moet vlug zijn. Een gerucht doet de ronde, dat vier jaar geleden in de stad van Harderwijk een Jezuïetenpater verdwenen is. Hij moet ontvoerd zijn en nu zoeken ze naar de daders. Ik maak me zo ongerust, Gosen.”

Hij keek heel even wat verwonderd, doch probeerde dan met een lachje haar gerust te stellen.

“Is helemaal niet nodig, Diedel. Ze zullen deksels goed moeten zoeken. Als het werkelijk ontvoerders zijn geweest, dan kunnen het maar een paar man zijn geweest en die weten heus hun mond wel te houden.”

“Maar het is veel erger, Gosen. Ze hebben de naam van Wege Elbertse genoemd. Ik begrijp niet dat iemand als Wege met zoiets van doen gehad kan hebben, maar ik hoorde het Andrys Roest tegen de weesvader zeggen. Ze zaten dicht met de hoofden bijelkaar. Het leek net alsof ze snode plannen aan ’t beramen waren.”

“Zuipende pijdragers op een marskramerskermis,”viel Gosen opeens uit, toen de woorden van Diedel goed tot hem doordrongen. “Daar hoor ik van op. Maar nu gaat er mij toch iets duidelijk worden. Vier jaar geleden, nadat die Jezuïet verdwenen was, stonden op een morgen voetstappen op het erf van Wege afgedrukt, voor de ramen en bij de deuren. Iemand moest daar gespioneerd hebben. Later hield dat op en daarom werd er niets achter gezocht. Alle mensen, het moeten wel geslepen kerels zijn, die zelfs het geringste spoor niet over het hoofd zien. En ze moeten wel het geduld hebben van rattenvangende honden. Blij, dat je het mij gezegd hebt. Hou je oren open en waarschuw me als je weer iets weet. Probeer een manier te vinden om het mij te laten weten. Ik geloof niet dat we ons ongerust behoeven te maken. De Harderwijker Raad is bijna geheel de Nye Lere toegedaan. Er zijn maar twee Roomse schepenen meer, Sweer thoe Boecop en Engbert Rengers. Om het geloof wordt niemand meer gevangen gezet. Andrys Roest zal niets kunnen beginnen zonder goedkeuring van heren schepenen.

Diedel zou hem wel doorelkaar kunnen rammelen omdat hij zo goed van vertrouwen was en het gevaar nauwelijks telde. Zij wist dat het gevaar dreigend was.

“Je begrijpt het niet, Gosen. Er dreigt gevaar. Wanneer Wege Elbertse iets met de verdwijning te maken heeft gehad, en zij weten dat, dan weten zij ook de namen van de anderen. En wanneer hier een Jezuïet verdonkermaand kan worden, dan kan dat ook met een burger van de vermaarde stad Harderwijk gebeuren. Jij bent je leven niet meer zeker, Gosen. En meerderen niet. O kijk toch uit.”

Gosen liet weer dat geruststellend lachje horen.

“Gerust, Diedel, dat loopt wel los. Die roedendrager Andrys Roest, die het tot schout heeft gebracht, houden we wel in de gaten. Zijn zoon Noey sluipt bij donker door de straten en probeert mensen bij hun gesprekken af te luistern. Maar in Harderwijk kunnen ze weinig kwaad stichten. En al zouden ze een gevangene hebben, dan nog kunnen ze die de stad niet uitkrijgen.”

“Die Jezuïet is er zeker ook niet uitgekomen?”

“Jawel. Ik…”

Er trokken rimpels over zijn voorhoofd. De woorden van Diedel hadden een storm van gedachten in hem wakker geroepen. Van alles tolde hemdoor het hoofd. Het leek alles zo eenvoudig, die  Jezuïet te doen verdwijnen. Het was ook eenvoudig geweest. Zonder dat iemand er iets van had gemerkt, hadden ze hem de stad uitgesmokkeld. Nimmer was de gedachte bij hem opgekomen, dat de vijand een spoor in handen zou krijgen.

“Stom van ons,”ging het door hem heen. “Die Andrys Roest en Rutger van Baer wisten natuurlijk waarom die Jezuïet hier was gekomen. Het sprak vanzelf, dat hij een afspraak met hen had gemaakt om contact met hem op te nemen, vóór hij, boordevol inlichtingen, de stad weer zou verlaten. Dat was niet gebeurd. De Jezuïet was zo maar opeens verdwenen en dat had natuurlijk hun argwaan gaande gemaakt.”

Maar het belangrijkste was, dat die Jezuïet een spion was van de konink van Hispaniën. Zo waren er tientallen in het land, in de belangrijkste plaatsen en vooral daar waar de hervormden steeds meer invloed kregen.

Gosen kreeg plotseling het gevoel, dat het gevaar overal om hem heen was. Het loerde naar hem vanuit de kleinste raampjes van de huizen in de Hoogstraat, naar hem en Diedel. Hij voelde het, al dat geloer en gespioneer van Noey Roest stond daarmee in verband. Die voetstappen destijds op het erf van Wege Elbertse moesten door hem gemaakt zijn. Nu werd hem opeens heel veel duidelijk. Maar hoe in vredesnaam kon Noey er achter zijn gekomen, dat Wege de Jezuïet naar de Harskamp had gebracht? Wist Noey dat?

Onzin. Dat was onmogelijk. Alles was bij donker gedaan. Zwart had de nacht om hen heen gelegen. Niemand was getuige geweest van de overval in de Kleine Oosterwijk. Wullem Reyers en Gysbert Stintelbier, die waren komen kijken omdat ze meenden iets te horen, waren bijna direkt weer naar binnen gegaan. Nee, niemand had hen kunnen volgen.

Maar hoe dan ook, zoveel begreep hij wel, ze moesten heel erg op hun hoede zijn. Het was nodig om zelf te gaan spioneren, om te trachten uit te vinden, hoeveel hun vijanden wisten. Het was noodzakelijk, dat hij zo snel mogelijk Wolter Hubrechtse opzocht.

“Diedel, je hebt gelijk,”zei hij toen. “Ik heb daar niet zo gauw bij stilgestaan. Het is vier jaar stil gebleven. Ik had nooit kunnen denken, dat iemand er achter zou komen. Maar ik beloof je, dat wij uit onze doppen zullen kijken. Dag, eerwaarde pater Altetus.”

De oude monnik uit het fraterhuis groette vriendelijk terug en slofte verder naar het Heer Aeltzstraatje. Het kwam niet in hem op, dat hier in de Hoogstraat een gesprek gevoerd werd.

“Diedel, nu wat anders. De edelen hebben met hun verbond de Landvoogdes de stuipen op het lijf gejaagd. Het zal nu met de ketterjagerij wel helemaal gedaan zijn. Weet je, in de Zuidelijke Nederlanden gaan de mensen preekhoren buiten de steden. Hagepreken noemen ze die. Er zijn soms een paar honderd toehoordes, soms een paar duizend. Sommige balluws en drosten hebben geprobeerd er een eind aan te maken, maar dat is hun niet gelukt. Er zijn nu heel wat gewapenden onder de toehoorders. Diedel, daar heb je Thijs Hermans, de gildemeester van het vissersgilde. Laat die mij niet zien. Hij zou mij om een boodschap kunnen sturen en ik moet naar Arend de Wilde in de Schoenmakerstraat. Die woont daar boven zijn paardenstallen. Dat weet je. Fijne kerel, die Arend. Hij hoort heel wat van mannen, die bij hem een paard komen stallen of eentje huren. Ik verdwijn. Onthoud wat ik je heb gezegd. En, Diedel, over een paar jaar trouw ik met je.”

Hij dookweg in de Vleeshouwersteeg en liet een verbijsterde Diedel achter. Het zong in hem. Hij had met Diedel gesproken. Hij wist, dat Diedel precies zo over het geloof dacht als hij, dat zij de Heere ook lief had en niet meer aan de santekraam van Heiligen geloofden. En later….

Toen hij de Wolleweverstraat bereikte, tegenover het huis van Hansken van Gorcum, botste hij bijna op tegen Henrick Janz, de rijke lakenwever. Hij hield de pas in en liet hem voorgaan.

Deze verdween tenslotte in zijn huis op de hoek van de Haverstraat en Gosen zwenkte de Schoenmakerstraat in.

“Die Henrick Jansz kom je ook niets verder mee,”ging het door hem heen. “Ieder, die het met Rutger van Baer houdt, vertrouw ik niet. Maar misschien zijn er ook anderen, die preekhoren en geen missen, die je ook niet vertrouwen kunt.”

Hij schudde het hoofd van ergernis.

Zulke zotte gedachten, het leek wel of hij spoken zag. Neen, hij wilde ieder vertrouwen, die de hervorming was toegedaan. Met een bijna nors gebaar keerde hij de Wolleweverstraat de rug toe. “Weer zo’n sinjeur, die bang is, dat het zijn zaak schade zal toe doen, wanneer hij zich bij de nieuwe beweging zou voegen,”dacht Gosen. Hij begreep het niet. Voor je geloof moet je toch alles overhebben?

Maar misschien had Henrick Jansz zijn geloof alleen in geld en aanzien. Nee, dan Wolf van Ommeren. Hoe oud zou die zijn? Midden dertig. Dat was een der aanzienlijkste burgers van Harderwijk. Het grote herenhuis in de Fraterstraat mocht er zijn. Maar Wolf wist zich niet te voornaam om met de mindere man te spreken.

Dat had hij afgelopen winter wel bewezen. Er was honger in het land, erge honger. Het graan was schaars en duur. Brood was voor de arme mensen niet te betalen. Handelaars hielden het graan in de pakhuizen om de prijzen nog meer op te laten lopen. In Zuid – Nederland hadden verscheidene vrouwen zich van het leven beroofd, omdat zij de nood van hun kinderen niet konden aanzien. In Gouda hadden de mensen een graanschip geplunderd. Tevoren had de pest er geheerst. Die kwam nu weer opzetten, had hij gehoord. Wolf van Ommeren was soms zomaar ergens binnen komen vallen en als hij dan weer vertrok, lag er geld op tafel of brood. Met anderen van het gilde had hij brood laten bakken en dat in het openbaar doen uitdelen. Geus of Kardinaal, het deed er niet toe, elk kreeg zijn deel.

Maar het was niet zo, dat Wolf van Ommeren ergens alleen maar wat geld bracht. Hij sprak dan ook woorden uit de Heilige Schrift, die de mensen nooit hadden gehoord. Gosen had Gryetgjen Brinck er over horen spreken.

Gryetgjen had het goed onthouden, welke tekst de schepen aanhaalde: “Maer weest tot malkanderen goedetieren, barmhertich, vergevende malkenderen ghelyck ook Godt in Christo u vergheven heeft.”

Het was een tekst uit de Liesveltbijbel, die zes jaar geleden in Antwerpen was gedrukt. Hij was duur, te duur voor de gewone man. Maar Gosen had hemgezien bij mijnheer Hademan van Wijnbergen. Daar kwam hij nogal eens. Na dat gevalletje met Noey Roest hadden de Van Wijnbergens belangstelling gekregen voor de jongen met de moedige blik in de ogen. Zo was Gosen stadsloper geworden, toen hij achtien werd.

Jawel, zo sprak Wolf van Ommeren die woorden.

Gryetgjen zei later: “Het was alsof ik de Heere Christo Zelf hoorde spreken.”

Over die woorden had de schepen een hele speech afgestoken. Zo deden pastoors niet, wanneer die ergens kwamen. Dan werd er een kruisje gemaakt en voor een heiligenbeeld geknield, gepaternosterd en de zaak was weer oké. Nee, Wolf van Ommeren troostte met de woorden van de Heilige Schriftuur.

Van de geestelijkheid mocht je niet een bijbel in huis hebben. Waarom eigenlijk niet? Het was Gods Woord toch?

“Laat die Henrick Jansz op het dak gaan zitten,”ging het door hem heen. “Hij houdt enkel van gevulde geldkisten.”

Gosen wist het, ze hadden elkaar nodig, de burgers van het land. Het vorige jaar leek het alsof de edelen wakker werden. Die stuurden de graaf van Egmond met een brief naar de koning van Spanje om afschaffing van de inquisitie en vrijheid van godsdienst. Het had niets uitgehaald. Nu hadden ze het dan in het groot gedaan, met het verbond van Edelen. De Landvoogdes was geschrokken en had alvast wat toegegeven. Misschien, dat Fillips II nu wat in zou binden. Maar het was anders een lelijke brief, die hij terug schreef.

Jammer, dat de grote, de voornaamste edelen,die zoveel invloed hadden, de Prins van Oranje en de graven Van Egmond en Hoorne, niet mee hadden gedaan. En van hen had men juist zoveel verwachting gehad.

Gosen kon een onrustig gevoel niet van zich afzetten. Zou het helpen, dat smeekschrift der edelen?

O ja, ze hadden in daarmee een nieuwe naam gekregen, dat was in Harderwijk een weet.

Geuzen!

Bedelaars!

Wat deerde het hem? Voor je geloof mochten ze hem best voor bedelaar uitschelden. “Bedelaar voor de Heere,”had zijn vader gisteravond nog gezegd. Precies, zo was het. Alleen van genade moeten wij leven en niet van heiligen en goede werken.

Einde hoofdstuk 6

 

Dit bericht was geplaatst in 't Geuzenjonk van Harderwijck.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *