Ermelo`s eerste Predikant

Ermelo`s eerste Predikant!

 

Terwijl in de steden de Reformatie meer en meer veld won,verkeerde het platteland van de Veluwe nog meerendeels in nacht van on-en bijgeloof.

Het Christendom was er ingevoerd door geweld van wapenen.Karel de Grote had in 807 reeds last gegeven het Irmin-lo uit te roeien,doch ruw en woest bleef de aard des Veluwnaars en de oude gewoonten en gebruiken bleven in eere.

Een Germaansch heidendom,roomsch getint werd aangetroffen,waarvan men nu nog,meer dan men oppervlakkig zou vermoeden,sporen worden aangetroffen.

Zoo herïnneren we slechts aan het hechten van een rouwstrikje aan de bijenkorven bij den dood des imkers,aan de Paaschvuren,enz.

Het moest ons evenwel verwonderen,dat Ermelo in dit opzicht niet gunstiger onderscheidde.Immers,het lag onder de rook van Harderwijk,waar reeds in 1523 Maurits Mauritsen Pannekoek bekend stond als iemand,die kettersche boeken las,waar later de nobele Brant van Deelen,de eenvoudige vrome,`s  avonds bij het vuur psalmzingende oud Burgermeester Wulf van Ommeren,de fiere Casijn en Coop van Speulde,de ridderlijke Alphert Brinck,de moedige Ernst Witte,in`t kort,waar schier allen,zoowel mannen van geboorte en aanzien,als eenvoudige burgers de-nye leere-waren toe gedaan.

Van eenigen invloed ten goede merken we echter niets.

In 1568 bleek Ermelo nog goed katholiek.In dat jaar toch,in september bezocht Mr.Dionys van Wesenhage ons dorp.Hij was commissaris voor de Veluwe om namens Alpha te informeren bij de pastoors en bij –ongesuspecteerde-(onverdachte) personen,goede katholieken burgers,of zich daar ook bevonden-fugitieve-(voortvluchtigen)personen of verloopen personen.

Slechts een zekere Jan de Bruin,dien Tiemen Smeeck uit Telgt ons doet kennen als-des kosters zoon van Armel-had Brederode gediend,maar hij was voortvluchtig.

Goederen bezat hij niet,zijne ouders leefden nog en hij was jonggezel.20 April 1569 werd ons Ermelo`s geusken ingedaagd bij vonnis van den Bloedraad,maar hij is stellig niet verschenen.

Of hij gelijk had!

Vijf en twintig jaar later vinden we Jorrien van Caeth als Gregorius de Cota vermeld als Ermelo`s eersten Predikant.

Door tijdsomstandigheden gedrongen had hij den huik naar de wind gehangen om de rijke inkomsten der pastorie niet te verliezen.

Wat we van hem opgetekend vinden is echter niet veel goeds.

In de acte der provinciale synode van Gelderland gehouden te Arnhem 25 september 1893 lezen we:

Belangende Gregorium de Cota(onvermits hij te tweede maal eenen nederslach(doodslag)gedaan heeft ende noch thans dat ministerium tot Ermelo voert sall den vorstelichen Hoeven bevolen zijn.

Het vorstelijke schijnt zich evenwel weinig met die zaak te hebben bemoeid,ja,het is niet onwaarschijnlijk dat het hem heimelijk in bescherming nam.

Immers op de synode van 1595 te Harderwijk gehouden werd besloten,dat Gregorius van Coot pastor tot Ermel niet kan voor een wettelicken dienaar aangenomen worden-ende zoo boeven hoopnung durch auctoriteit des hoves niet konde removirt worden-soll die classis Harderwijk geholden zijn op het stichtelijks met hem te handelen en anhandt toe holden-.

Vruchteloos pogen.

Eerst in 1599 toen de overheid hulp bood en de kerken door de keurmeester Ghijsbert vanLeesten met twee metselaars en bijgestaan door Scholten en Kerkmeesteren in de Ampte vanVeluwe deed zuiveren,schijnt het besluit van de Harderwijker Synode(10_13juli 1599)uitgevoerd,waar besloten was dat-In der zake Georgio de Costa,pastoor te Ermelo,overmits hij Homicida(doodslager)cauponaris(schacheraar)ende Inordinatae vitea(van ongeregelden levenswandel)is,zal bij het Hof aangehouden worden,dat hij de facto van zijn ministeris afgeset werde ende die rente der pastorie hem niet meer gevolgd.

Wat het eerste betreft,de Cota schijnt er zich in geschikt te hebben,de rente der pastorie en de-Weem- waren hem echter te aanlokkelijk.

Op de Synode van 1600 te Arnhem verzocht Wimmarius Stipelius dienaar tot Ermel-dat men helpen mocht tot het geene hem uit der pastorie van Ermel van recht wege is toekomende en dat hij eene woonplaats mochte krijgen bij zijne kerke.

Ook nu werd des Hoves hulpe ingeroepen.Wij mogen vermoeden dat die hulp niet te vergeefs werd gevraagd.

Stipelius diende de kerk tot zijn dood 7september 1609.

Hij werd in de kerk begraven,waar nog in het koor zijn grafzerk wordt aangetroffen.Zijn opvolger was Jacobes Medembachius,die echter niet in Ermel te wonen verkoos,aangezien,naar hij voorwende,de Weem of pastorie niet geheel getimmert was.

Deze aangelegenheid ter particuliere synode te Harderwijk besproken,had tengevolge-dat de inspectores classis hiervoor oculare inspectie sullen nemen ende bevindende dat die woning redelicher wijze habitabel is,dat hij aldaar terstont te gaan wonen schuldich en verplicht sal wesen-.

Wij konden niet ontdekken,hoe die inspectie is uitgevallen.Wel vonden we een acte van 1679,Medembach`s zoon of kleinzoon Benjamin vermeld als pastor in Ermel.

De vraag ligt voor de hand hoe het mogelijk was,dat deze van Coeth zich zoo lang kon handhaven en feitelijk door het hof werd ontzien.

Het is waar,een doodslager kon in die dagen gemakkelijk zijn schuld boeten en het-van onordelijk leven-was destijds niets buitengewoons bij de pastoors ten plattelande.

Algemeen werd er over geklaagd.Had van Coeth een machtig en invloedrijk beschermer zooals bijv.de pastoor van Putten,Willem van Wees,die geruggesteund door den kelner,door wien hij onderhouden werd,-zich stoutelijk inliet met Heymelick kinderen te dopen op Paepsche wijze-.

Of was hij soms zelf een persoon van aanzien?

Dit laatste komt ons het meest geloofwaardig voor.

Jongere zonen uit adelijke geslachten werden vaak,zonder dat ze behoefden te studeren,begiftigd met de rijke inkomsten der pastoralia.

Is ons vermoeden juist dan komen de van Coot`s van het kas de Coot onder Barneveld gelegen en waren ze verwant aan het oudste Geldersche geslachten.

In de kerk te Barneveld was eene vicary te begeven door van Coeth te Ermelo.

In het laatst der 16de eeuw was Cornelis van Coeth schout in het ampt Ermel.

Hij stierf 7 september 1604,ook zijn grafzerk wordt nog in het koor bewaard.

Zijn vader,Gerrit van Cocht,de jonge Scholtus van Ermel gaf in 1550 aanleiding tot een hevigen twist tusschen die van Ermelo en Hierden over het recht van schapen hoeden,heide maaien en op de heidevelden genaamd de Haspel.

Hij verbood dit den Hierder boertjes en opmerkelijk is het dan ook nu weer de Gildenmeesters Herman van Oldenbarneveld,Marten Coolwagen,Brandt van Deelen het met Ermelo`s schout houden.

De procedure over dit recht duurde tot in de 17de eeuw.

Onder die conventualen van St.Jansdaal komen voorzeker heer Anthony van Coeth,die bij acte voor Schepenen van Harderwijk verleden,met den Kommandeur van Hoeckelum door het gericht aangewezen patroon van het weduwehuis gelegen tegenover St.Catharijnen-convent belangrijke giften ter hand stelde.

De Ryte en de lage Ryte behoorden aan dit Schouten geslacht.Uit dit goed moest echter een uitgang van 5 mud rogge en 3 goudguldens aan St.Jansdaal betaald worden.Voorwaar geen onbelangrijke som!Uit dit alles blijkt dat de van Coeth`s mannen van aanzien en vermogen waren.Het voormalige zendingshuis staat op de plaats waar eens het Coethengoed lag.

St_Jansdalklooster

*************

Dit bericht was geplaatst in Verhalen bundel.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *