Gedicht Staring

Lig hier mijn radde Pen! Wat hoeft er meer gefcchreven?

’t Gefcheiden is hervoegd, mijn taak is afgeweven;

Wie maalde ,s Vaders vreugd! Wie maalde ’t blijde feest!

Die bier het diepfte zwijgt, die zeit het allermeest.

Doch Gij nog, zoete Jeugd, in de Vest geboren,

Waarin dit loflijk paer het leven was befchoren,

Wees trotsch op de ed’le Twee, en roem voor Harderwijk:

Waar hadt een Zusterftad Gelieven die gelijk?

En ziet gij Veluws Baak omtrent het Kerkhof rijzen,

Daar kan een grijze Steen u nog hun Grafplaats wijzen;

Mij duidt op beider Trouw, een Spiegel eventhan’s,

Een Spiegel in de min voor vrouwen ende mans.

Staring.

hendrik van grietjen

 

Dit bericht was geplaatst in Diverse gedichten.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *