Geen geldgebrek.

Men liet het rollen.

 

 ’t Verschil in waarde tussen straatstenen en rijksdaalders zit ‘m slechts in’t aantal. Straatstenen zijn overal te vinden: daardoor zijn ze goedkoop,rijksdaalders zijn moeilijk te verwerven: daardoor zijn ze duur.

   Niet alzo in den Atjeh tijd.

Toen rolde het geld naar alle kanten heen. Uit de handen van de koloniaal kwam het in de vingers van den herbergiers,die op hun beurt van het leven namen,wat ze er van konden krijgen én aan andere neringdoende én aan handwerkslieden een goed stuk brood lieten verdienen. Tal van lieden hebben in die woelige dagen een aardig duitje opgestapeld en, voorzover ze er prijs op stelden,plukken ze thans nog de zoete vruchten van hun zorg voor den ouden dag.

   Stel u voor: Mensen,die nog nimmer de vrije beschikking hadden over ene grote geldsom. Ze krijgen op eenmaal f300,- in de palm van hun hand en denken,dat er aan die rijkdom nimmer een einde zal komen.Als wijlen den blikken dominé grabbelen ze in den zilveren voorraad,maar ze komen alras tot de teleurstellende ontdekking,dat ene hoeveelheid,waar afgaat en niet bijkomt,als rook verdwijnt. Volgen we nu eens een candidaat-koloniaal bij aankomst te Harderwijk.

   Door den werver is hem bereids een adreskaart verstrekt van den logementshouder,bij wien hij zij intrek zal nemen. Een gedienstige geest staat gereed,om den man te brengen,waar hij wezen moet.Daar begint de kennismaking met de aangeworvenen,die den nieuweling onthalen op al,wat lekker is,in’t vooruitzicht wat later ook van den nieuwen kameraad  een rijk onthaal te zullen genieten.’s Morgens daarop wordt de man in de Infirmerie voor den dienst goedgekeurd en nu kan hij voorschot krijgen.Vrij kan hij zich aan voedsel en drank tegoed doen: op den dag van zijn verbintenis kan hij van zijn handgeld de schuld betalen.’t Gevolg is, dat de f 300,- verteerd zijn,vóór hij zijn intrek in de kazerne heeft genomen.

   Of wel,de man is bij zijn aankomst voorzien van zijn papieren,die in orde worden bevonden en denzelfde dag heeft hij zijn f 300,-. Een paar dagen later moet hij met het transport naar Indië vertrekken: het geld brandt hem in de zak;’t moet weg. En zo is het te verklaren,dat ik eens heb bijgewoond,hoe enige soldaten,die bij het muziekcorps behoorden ’s morgens vroeg bij den voormaligen hierdense tolboom bezig waren met” aangooien”en wel met…..rijksdaalders.

   Voor hen,die niet weten,wat “aangooien”is, volgt hier ene omschrijving. Een rechte of gebogen lijn wordt in’t zand getrokken. Daarop trekt men in’t midden een vierkant, het zogenaamde”hoedje”. Op enige afstand van de lijn, aangegeven door een merkteken in’t zand,plaatsen zich achtereenvolgens de deelnemers aan’t dobbelspel, om te beproeven, één of meer geldstukken zo dicht mogelijk bij de lijn te werpen ofwel in’t hoedje, in welk geval deze gelukkige worp den winnaar aanwijst, die alle geldstukken, waarmede geworpen is, in zijn bezit neemt. Overigens mag hij, die’t dichts bij de lijn heeft geworpen,”opgooien”en die geldstukken behouden, waarvan de “kruiszijde boven licht. De man,die hem volgt,werpt de andere geldstukken,waarvan de “muntzijde”boven ligt,weder omhoog,steekt de “kruisen”in zijn zak,waarna met het “opgooien”wordt voortgegaan,tot de laatste man de overgebleven “munters”in zijn bezit neemt. In een ogenblik is zo’n spelletje afgelopen.Op dien bewuste morgen dan zag ik een man”opgooien’met zestien of zeventien rijksdaalders. Geruimen tijd bleef men bezig.

   Historisch is ook het geval,dat een soldaat in brooddronkenheid een biljet van veertig gulden tussen een opengevouwen kadetje lei en daarna die rijk aangeklede boterham blijmoedig met wat bier naar binnen werkte.

   Waar de zaken zo stonden,behoeft het geen nader betoog,dat het geld werkelijk”rolde”.

Zo was het Werfdepôt in waarheid de kurk,waarop de bevolking dreef, maar bij dat drijven ging veel van de activiteit verloren,voorheen door de zo nijvere burgerij aan de dag gelegd. In de eerste dagen van de werving,die samen vielen met de opheffing der fabrieken alhier,werd gewaarschuwd tegen een indommelen en aangedrongen op een krachtig initiatief tot het scheppen van nieuwe bronnen van bestaan,doch die roepstem ging verloren in den toon van het afscheidslied:

           “Dat gaat naar Atjeh toe,

           “Wij zijn ons leven moe!”

   Geen wonder, dat men niet dacht aan nieuwe bronnen van bestaan.Ieder vond werk in overvloed en in dat werk zijn brood. Schoenmakers werkten dag en nacht,evenals kleermakers. De laatsten hadden volop extra werk in’t vervaardigen van buitenmodel kledingstukken,waarvoor ook extra werd betaald.

   Op Vrijdagavond voorafgaande aan’t vertrek van een transport,zag men de kolonialen met hun lelijke hoge petten,waaraan een grote Oranje strik bengelde.Tal van naaisters deden niets anders,dan week aan week strikken maken.’t Vervaardigen van ondergoederen verschafte mede aan vele huisgezinnen brood.

   Een tijdlang begeerden de soldaten naar de mode van dien tijd,nauwe broeken,die ze zelf moesten betalen als zijnde een buitengewoon kledingstuk.Om bestellingen te verkrijgen,was des morgens de toegang tot de kazerne voor belanghebbenden opengesteld.Doch op eenmaal kwam er verandering. Gebleken was,dat in de kazerne vele “platluisjes” werden binnengesmokkeld. Dat waren plat-ovale flesjes met korte hals,niet ongelijk aan de nog thans bestaande veldflesjes.

   Schier iedereen deed dat en om nu een einde te maken aan dat onzalige binnenbrengen van sterke drank verbood de toenmaligen commandant aan ieder den toegang. Zij die toch noodzakelijk in de kazerne moesten zijn ,werden vooraf “gevisiteerd”.

   Ik herinner me nog,dat toch aan enkelen verlof werd verleend,om op de gewone uren de manschappen in de kazerne te bezoeken,nadat gebleken was,dat die jongenman zich aan die smokkelarij had schuldig gemaakt. Dat was de kleermaker. Elken morgen zag ik hem door de Kerkstraat gaan,op beiden armen een vracht broeken dragende. Eens gebeurde het,dat hem de zware vracht ontviel. De kledingstukken op te rapen,was het werk van een ogenblik,maar ik had toch tijd,om te merken,dat verscheidene geldstukken over de straat rolden.

   Later vernam ik,dat de soldaten die broeken mee gaven,om ze te vernauwen en dat ze een fooi in den zak achterlieten. Werken heeft de kleermaker gekend,waarin hij aan vervalletjes een kleine twintig gulden had.

XXXXXXX

 

Dit bericht was geplaatst in Verhalen bundel.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *