Generaals voor Artillerie en Genie

 

 

(helaas waren enkele woorden of zinnen niet meer leesbaar, waarvoor mijn excuus)

 Java bode 1897 Generaals

Generaals voor Artillerie en Genie.

 

Eenige jaren geleden maakten wij kennis met een kundig hoofdofficier van de artillerie die drie zoons bezat, welke in Nederland voor den officierstand werden opgeleid. Wij brachten de kwestie van het wapen der keuze van de a.s. landsverdedigers maarniet ter sprake, daar wij het als eene stilzwijgende conditie beschouwden dat iemand bij die eenig wapen steeds met eere heeft gediend, gedreven door zekere voorliefde, zeker gaarne zoude zien dat zijn naam nog lang bij zijn korps zoude blijven voortleven. Uit een paar gedane vragen raadde onze hoofdofficier echter de gedachte die ons bezielde en hij haastte zich te zeggen: “je denkt zeker dat mijne zoons voor de artillerie worden opgeleid, neen, daar denk ik niet aan.” “Kom”, antwoordden wij, “dan toch zeker wel een of twee; maar mogelijk hebt u eene voorliefde voor de genie; daarin geven wij u groot gelijk, want bij geen wapen in Indië staan de promotiekansen – wij telden 1881 – zoo mooi.”

“Toch niet geraden”, was het bescheid, “mijne drie zoons wenschen allen officier van de infanterie te worden.”

Eerst waren wij verbaasd, vooral omdat papa dit met zulk overtuiging in het midden bracht, waardoor wij den gelukkig nog niet uitgesproken volzin: “uwe zoons hebben dan mogelijk geen aanleg om wiskunde te leren”hals over kop veranderden in: “uwe zoons hebben dan mogelijk eene bijzondere voorliefde voor het wapen waarbij men in het algemeen het meest soldaat is.”

“Wel neen”, antwoordde papa, “wat weten de jongens daarvan af; je begrijpt, als die een keuze moesten doen, kwamen ze allen bij het paardenvolk terecht; neen vriend, met het oog op hunne toekomstige positie in de hoogere rangen heb ik hen aangeraden bij de infanterie te gaan.”

“Maar, majoor”, zeiden wij, “ dit laatste kunnen wij als jong officier niet beoordeelen, en och! Die hooge positie ligt nog zoo ver in het verschiet; wie denkt daar nu al aan, nu de jongens nog met knikkers spelen; komt tijd komt raad. Wij zouden zoo denken,”vervolgden wij, “dat de artillerie en de genie voor in de lagere rangen aanbeveling boven de andere wapens verdienen omdat bij die wapens de traktementen – met inbegrip der fourages – zoo beduidend hooger zijn dan bij de infanterie; ziet u eens aan, voor een 2de luitenent scheelt dat ƒ40, voor den 1sten luitenant ƒ55, en voor een kapitein ƒ80, ’s maands. Dit zijn juist de rangen die men in de kracht van zijn leven doorloopt, ja waarin we zelfs nog een gedeelte onzer jeugd doorbrengen, zoodat het aanbeveling verdient om daarin vooral goed bezoldigd te zijn. En dan de bevordering: tot 1sten luitenant, daar doet men bij ons slechts twee jaar over, terwijl men bij de infanterie daarvoor vier á vijf jaaren nodig heeft.”

“Alles wel,vriend,”was het antwoord, “maar als je wat ouder waart en daarbij wat meer wist van de bureauwereld en de toekomstige richting van ons legerbestuur, dan zou je wel anders redeneeren.”

Op het onnoozele gezicht dat wij toen trokken ging de majoor voort: “Het is waar, wij hebben nu Boumeester als legercommandant en Pfeiffer, Haga, van Zijll de Jong en Gey van Pittius worden allen als legercommandanten genoemd, zoodat het nu wel een heele tijd kan duren eer de infanterie? Aan het woord is, doch is het eenmaal zoover gekomen, dan150px-Zijll_de_Jong,_TJA_van__Luitenant_generaal__MWO_vierde_klasse_voor_Atjeh_1874 hebben wij voorloopig onze laatste troef uitgespeeld. Dan zijn van Teijn, Deijckerhoff, Nieuwenhuijzen en Swart aan de beurt, mogelijk gevolgd door legio ex – leerlingen van de hoogere krijgsschool. En wat schiet er dan voor ons over? Ja, men zal mogelijk wel Kilian commandant der 2e militaire afdeeling maken, maar let eensop mijn woorden of dat niet de laatste generaal van de artillerie is wien deze onderscheiding te beurt zal vallen. Neen, voor ons is het in de toekomst eene witte raaf indien men het tot kolonel brengt en dat kunnen wij toch niet allen worden, tenzij de bekende dankbare leeuw uit de Fliegende Blütter zich aan een dozijn hoofdofficieren te goed te doen.”

Onze hoofdofficier – de man woont nu rustig in den Haag, en bracht het bij gebrek aan vacature niet tot kolonel – had gelijk.

Wij waren toen nog jong officier en dachten slechts aan het bereiken van de eerstvolgende rangen, die men toen bij de artillerie en genie spoediger verwierf dan bij de infanterie.

Eenige jaren later begonnen wij echter de waarheid van de woorden van onzen zegsman in te zien, ofschoon de horizont een oogenblik werd verhelderd toen de tijding uit Nederland werd aangebracht dat de chefs van het wapen der artllerie en der genie ook bij hun korps den rang van generaal konden bereiken.

De echte promotie – somnambulisten voorspelden echter tragere bevorderingskansen door dien maatregel,vooral omdat men voor de bedoelde chefs tweeërlei rang had uitgetrokken, waarbij de hoogste rang dan alleen zou worden bereikt indien het in het belang van den dienst zoude zijn den betrokken hoofdofficier nog lang voor zijn wapen te behouden. Daar was veel waarheid in en het is dan ook niemand kwalijk te nemen dat hij met dit beginsel voor oogen niet alles zoude doen om het hoogst mogelijke traktement en pensioen te bereiken. Men maakte den kolonel Deibel – die erg in de gratie stond bij het legerbestuur – terstond generaal. De opvolgers Biljardt en Staverman, die bij hun wapen 266px-Boumeester_LT_Generaalvolstrekt geen minder goeden naam hadden dan wijlen generaal Deibel, bleven van deze onderscheiding verstoken. Toch hield men den kolonel Biljardt aan en laat men den kolonel Staverman doordienen – wel een bewijs dat men over deze beide hoofdofficieren tevreden was en is.

Mogelijk dat nu de kolonel Staverman er de bijl bij nederlegt, ten gevolge van allerlei omstandigheden, die niets gemeen hebben met zijne bruikbaarheid als wapenchef en met zijne passeering voor den generaalsrang evenmin. Bij de artillerie heeft dus de instelling van den generaalsrang tot nu toe tot nepotisme geleid:men maakte het den een en den ander sloeg men ver. Dit berokkent nadeel aan den dienst. Is er geen hoogeren rang in het vooruitzicht gesteld, dan verlaat een kolonel van de artillerie of van de genie den dienst met het besef den hoogsten rang te hebben bereikt, die voor hem bij zijn wapen was weggelegd. Tevreden gestemd treedt hij in de burgermaatschappij terug en de zoo zoet verdiende rust wordt niet vergald door een gevoel van teleurstelling.

Ook op de wijze van dienen als chef heeft de laatste bevorderingskans zeer veel invloed. Hoe zelfstandig een chef toch ook moge zijn, steeds zal het denkbeeld dat hij moet zorgen bij het legerbestuur een wit voetje te verkrijgen om generaal te kunnen worden, van invloed zijn op zijne handelingen en hem den heiligste plicht – het in de bres springen voor de ( deze zin is helaas niet te lezen)

Geheel anders wordt dit echter indien de bevorderingskansen als wapenchef zijn uitgesloten. Men moge de chef dan wel eens om zijn stoutmoedig optreden met eene zwarte kool aanteekenen, hem daarom uit den dienst verwijderen kan dat zoo licht niet. De wapenchef zal zich dus in dit geval veel vaster in zijne positie gevoelen.

Dit schijnt men nu in Holland ook te hebben ingezien en vandaar het bericht dat in principe is aangenomen de chefs van het wapen der artillerie en der genie niet meer te bevorderen tot generaal – majoor.

Onze hoofdofficier had dus gelijk gehad, dat men voortaan als artillerist en genist, niettegenstaande de zwaardere exames die men moet afleggen, slechts bij uitzondering kolonel zal worden doch het als infanterist nog een paar rangen verder kan brengen. De uitzondering dat een kolonel van de artillerie of genie afdelingcommandant te Semarang kan worden, zal ook wel nimmer voorkoen, en dat is maar goed ook. Evenals de cavalerie – officieren in der tijd steen en been klaagden dat zij een infanterie – officier als regimentscommandant kregen, met evenveel recht kunnen de infanterie – officieren zich bezwaard gevoelen, wanneer zij onder de rechtstreeksche bevelen van een artillerie – of genieofficier worden gesteld.

Dat men in Nederland de wapens der Indische artillerie en genie zoo nietig vindt dat een koloniaal daarvoor als chef al mooi genoeg is, dat is een van die vele miskenningen waaraan ons leger blootstaat en die indertijd in de Locomotief zoo helder werden uiteengezet, dat ik daar aan niets heb toe te voegen.

Dat een kolonel, chef van het wapen der artillerie, in Indië een minstens driemaal ruimeren werkkring en eene grootere verantwoordelijkheid heeft dan zijn collega in Nederland, die slechts een regiment commandeert, is bekend. Evenzoo weet men dat er bij de genie in Nederland 1 generaal, 2 kolonels en 6 luitenant – kolonels zijn op een getal majoors en subalterne officieren van 85, terwijl men in Indië op een gelijk getal majoors en subalterne officieren slechts één kolonel en één luitenant – kolonel telt.

Toen men dus in Nederland eene vergelijking wilde maken, had men dit in aanmerking moeten nemen en niet den generaalsrang bij de genie en de artillerie moeten afschaffen, omdat beide wapens niet belangrijker zijn dan de geneeskundige dienst en de militaire administratie.

Dat is wel eene leuke vergelijking; men onthoudt den beide laatsten diensten hetgeen hun, in verband alweer met de Nederlandsche formatie, toekomt en laat nu maar de artillerie en de genie hetzelfde lot ondergaan; uit vrees voor naijver zeker. Hij die meent dat de chef van de militaire administratie en die van de geneeskundigen dienst in Indië minder verantwoordelijkheid dragen dan de Nederlandsche collega’s, bedriegt zich toch sterk.

Evenzoo vergist men zich indien men denkt dat het commando over het wapen der infanterie moeilijker is dan dat over andere wapens en dat daarom aan het hoofd van dat wapen een generaal moet staan. Men vergelijke daartoe maar eens even de formatie van beider bureaupersoneel en men zal zien dat die bij de artillerie ruim de helft uitgebreider is dan de infanterie. Voorts heeft men bij het wapen der artillerie op de bureaux steeds buitengewone werkkrachten noodig om alle zaken naar behooren te regelen. Voor den chef van het wapen der infanterie daarentegen schiet er nog wel eens tijd over m op inspectie te gaan, hetgeen voor den chef van het wapen der artillerie in de laatste jaren niet het geval was. Niet dat ik daarmede wil zeggen dat de infanterie ook geen recht op een generaal – majoor heeft, neen, volstrekt niet. Evengoed als in Nederland een luitenant – generaal chef van het wapen der infanterie is, moest dat in Indië ook het geval zijn.

350px-Andries_Beeckman_-_The_Castle_of_Batavia

Maar indien men van het denkbeeld uitgaat dat de infanterie een generaal – majoor aan het hoofd moet hebben omdat het personeel van dat wapen zooveel mennekes meer telt dan dat van de artillerie, dan kom ik daartegen op.

Nu kan het ook zijn dat men den generaalsrang bij de artillerie en de genie afschaft uit moederlijke bezorgheid voor de promotie, hetgeen trouwens in de dagbladen werd vermeld. In deze overweging ligt wel eenigen grond, doch dan doet men weder evenals met zoovele zaken: men rekent naar zich toe. Evenals men de 2e luitenants gedeeltelijk wil vervangen door onderluitenants, in stede van de promotie te bevorderen door meer betrekkingen in de hooge rangen te scheppen, zoo doet men nu ook weer hier met het afschaffen van den generaalsrang.

Zoo doende kan men de wapenchefs wel majoor laten blijven, dan dient zeker niemand te lang door, daar de toekomst toch geene verbetering kan brengen. Wil men echter waken tegen het te lang aanblijven van een wapenchef, dan stelle men geen tweeërlei rang daarvoor open, doch bepale dat de chefs van de artillerie en de genie organiek de generaal – majoorrang hebben. De sous – chefs van beide wapens make men kolonel, terwijl er dan voor de artillerie waarlijk nog wel een kolonel op over mag schieten voor het commando der bereden artillerlie.

Door op deze wijze te handelen, behartigt men de promotiebelangen en geeft men beide wapens wat hun toekomst in verband met de formatie der zusterwapens in Nederland, hetgeen ook alweer zeer ten goede van den dienst moet komen.

Het commando over eene militaire afdeeling en over het leger blijven dan uitsluitend gereserveerd voor officieren van de generalen staf.

Q

       ( bron: Koninklijke Bibliotheek Historische Kranten )

 

 

Dit bericht was geplaatst in De kranten over het koloniale leger.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *