Geschiedenis van het klooster Hulsbergen.

 

 

Geschiedenis

Van het klooster Hulsbergen,

Gelegen aan de Grift, een uur boven Hattem.

 

We gaan een klein stukje terug naar het vorige onderwerp om daarna de draad weer op te pakken ( De Woldbergen en de beide Reuze Pinken.)

Zoo als te begrijpen is, brandden wij van nieuwsgierigheid om te weten wat het ons ter hand gestelde papier behelsde; wij plaatsen ons op een verheven plekje gronds, onder de schaduw van eenen boom, wikkelden het geschrift uit den driedubbelden omslag, die het voor rook, stof en insekten had bewaard, en lazen het navolgende.

Het klooster Hulsbergen, bij Halma, Holzbergen genoemd, werd in het eerst Hieronymusberg geheeten ( Van ouds Ellenheurne genaamd, op de Veluwe, onder de parochie van Heerde gelegen.) en was eigenlijk te Zwolle opgerigt, alwaar de broeders, op raad en onder bestuur van den vader Gerard Kalkaer, een huis, buiten de Kamperpoort, te zamen bewoonden, tot dat zij eene betere gelegenheid zouden kunnen vinden. – Nadat zij toestemming van Reinald, hertog van Gelder en Geraard de Mont pastoor van Heerde, gelijk ook de goedkeuring van Frederik, bisschop van Utrecht, verkregen hadden, ( terwijl zij van hertog Reinald, vrijdom van belastingen en diensten en ook een gedeelte van de heide ontvingen) werden, onder het bestuur van den genoemden vader Kalkaer, door Gobelijn van Kempen, Johan de Witte van Sonbeek en Johan de Rode van Goch, de broeders naar de plaats, waar vervolgens het klooster is opgerigt, overgebragt. Zij begonnen de bouw omtrent St. Gereons en St. Victors-dag 1407, en waren in zeer armoedige omstandigheden, zoodat wij lezen, dat zij eerst een gering huisje kochten, dat zij met klei en steenen bemuurden en met stroo dekten; zij hadden zelfs geen ketel en gebrek aan allerhande huisraad; hun schoot was hunne tafel en tafellaken en een kap op den grond en stroo hunne legerstede; wanneer de broeders van Zwol hen bezochten, bragten zij altijd iets mede en wanneer zij den zieken of den broederen, die hen kwamen zien, eenige verversching wilden aanbieden, moesten zij eene kit bier aan het huis van den genoemden Hendrik Bentinck halen.

Niemand der broederen mogt ledig zijn of over wereldsche zaken spreken, maar priester of leek moest altijd bidden of met de handen werken; gezamenlijk deden zij allerhande boerenwerk, ploegden, graafden, bakten of kookten, terwijl zij zelfs eenige uren van hunne nachtrust opofferen om boeken af te schrijven of boeken te binden; elkander steeds tot arbeid aanmoedigde.

Zij hadden grove kost en dunne drank, grove en slechte kleederen, want, zegt de schrijver, “hetgene hun voorgediend werd, diende niet om het vleesch te koesteren, maar alleen om den honger te verdrijven.” Daar zij niets beters konden krijgen, waren kool en brei hun zeer smakelijk; zelden kregen zij visch of eijeren en deze werden dan als eene buitengewone maaltijd aangezien en dikwerf voor de zieken en gasten bewaard.

Dan weldra kwamen zij deze armoede te boven, voornamelijk, toen, vier jaren na hunne stichting, de eerwaarde vader Rutgerus van Zon, die hun uit het St. Gregorius konvent te Zwol, waaronder zij tot dien tijd gestaan hadden, als eerste overste gezonden werd.

Hij aanvaarde deze waardigheid omtrent Pinksteren 1411 en heeft dezelve 42 jaren bekleed. Om aan het bouwen te kunnen beginnen, verkocht deze overste de steenen, die de broeders gebakken hadden, deels aan de religieusen van Betlehem, die daarmede het koor van hunne kerk bouwden; deels aan de zusters van het Begijnen – hof, die daarmede hunne huizen optrokken, terwijl hij de overige gebruikte, om geschikte woonhuizen, en eene kerk van zestig voet lang en twintig breed te bouwen.

Deze kerk werd den 9den Mei 1413 door Mathias, bisschop van Biduane, op den naam van den H. Hirronymus ingewijd. De derde overste Asso Dillink, die 50 jaren die waardigheid bekleedde, als heilige beschouwd werd en 6 November 1492 overleed, 120 broederen achterlatende, liet eene nieuwe en prachtige kerk bouwen; de eerste steen werd gelegd op St. Matheus 1482; in 1487 waren de muren opgetrokken en in het volgende jaar het dak en de beide torens voltooid, gelijk in het volgende jaar het verwufsel afgemaakt en de glazen daarin gesteld werden. Deze kerk had zeer schoone kerkgewaden, deels uit eigen verdiensten aangeschaft, deels door milde giften der geloovigen ontvangen. Onder dezelve was een damaste kazuivel met vele relequiën versierd, door de gravin van Kuinre geschonken; met een wword, de kerk werd, ten opzigte van hare rijkdommen, voor eene de voornaamste eigendommen der broederen gehouden, terwijl ook het klooster in rijkdom, haar voornamelijk door het geslacht Bentinck, dat hier omtrent woonde, geschonken en verder door de vlijt en de nalatenschappen der broeders verkregen, voor niet een klooster der broederen behoefde onder te doen.

Dan de broeders bleven niet altijd in vrede wonen: de monniken van het naburig klooster Klaarwater, stelden reeds van den eersten overste af, alle listen en anderen middelen in het werk, om dit klooster onder de orde van st. Benedictus te brengen. Zelfs kregen zij eenen aanhang in het klooster, waarvan Neudo van Harderwijk en Hendrik Alen de voornaamsten waren en hierdoor aangemoedigd, beproefden zij het weder onder den tweeden overste Martinus Schindel; doch zij werden afgewezen en die het met hen gehouden hadden, uit het klooster gejaagd; doch onder den vijfden overste, in 1525, zijn eindelijk de Benedictijner-monniken, door Karel, hertog van Gelre geholpen en met toestemming van Hendrik van Bijeren, bisschop van Utrecht, onder aanvoering van de abten van St. Paulus en St. Laurentius te Utrecht, den abt van IJbergen uit het bisdom Osnabrug, en de proost van het klooster Klaarwater, meester van het klooster geworden en hebben de broeders, op den tweeden zondag na Paschen, gewapender hand daaruit verdreven; waarop Diderik van Zutphen, overste van heer Florishuis, aan eenige oversten van de orde van den H. Benedictus eenen nog bestaanden, hoogst merkwaardigen brief heeft geschreven.

Klooster-Hulsbergen

Doch ook dit had geen gevolg, en de nieuwe inwoners verkozen tot hunne eersten abt Paulus Becanus of van der Beke en vereenigden zich in het volgende jaar met de vergadering van Bursfeld; dan toen Karel van Gelre, bij wien zij zich steeds te vergeefs vervoegd hadden, overleden was, bragten de broeders op nieuw hunne klagten tegen hunne overweldigers in; terwijl zij van de hoogescholen te Leuven en Keulen eene gunstige uitspraak verkregen en de broeders van Zwol en Emmerik hunne klagten ondersteunden, waartegen de benedictijners niets anders konden inbrengen dan den wil van den vorst en den afstand van eenige broeders, dien zij met geweld verkregen hadden, waarop dan de staten van Gelderland, op den eersten dag na Pinksteren 1539, eene uitspraak deden, waarbij de monniken gelast werden het klooster te verlaten, zoodat de broeders, na eene veertien-jarige ballingschap, door den toenmaligen landdrost van de Veluwe, weder in hun wettig erf gesteld werden.

Zij verkozen hierop tot hunnen zesden overste Hendrik van Delden en bleven toen in het ongestoord bezit van hun klooster, tot dat de hervorming aan velen dier gestichten een einde makende, zij ook van daar verdreven werden en waarschijnlijk het klooster vernield is.

Het klooster schijnt zeer aangenaam gelegen geweest te zijn. Men vindt in eene brief van Johan Bruhmans, minnebroeder aan de broeders: “och of gij drie of vier zulke toevlugtsteden hadt, of voor Ul. Maken kondet, als St. Hieronymusberg buiten Hattum is. Welke plaats ik somwijlen wel wenschen zou dat de naam van St. Hieronymus-woud of Hieronymusbosch had: en dat om ’t groot gemak, dat de klerken of broederen daar van God gegeven wordt om ye bidden, te mediteren en Gods volmaaktheden te beschouwen. Dit wenscht ik daarom, opdat naderhand uit dat zelfde woud verstorvene personen, die den geest des Heeren ingezogen hebben, en als ceder – en cipresboomen zijn, mogen verkoren worden, om zoowel maagden – als mannen – kloosters te besturen.” Ook vindt men dat er eene school van geleerdheid is geweest, welke vele voorname mannen heeft opgeleverd, die zelfs voor heiligen aangezien er het bestuur over maagden-klooster gekregen hebben. Vele leden van het geslacht Bentinck, die de voorname weldoeners van dit klooster waren, zijn in de kapel van het klooster begraven, terwijl Johan en Hendrik Bentinck tot hunnen dood dischgenooten der broederen zijn geweest. Ook vindt men nog als weldoeners genoemd Hijsbert van Meteren, rentenier; Zwiena van Bokhorst, weduwe van Jan van Bokhorst, voorheen overste te Zalk; Wijnand van Arnhem, een Jeruzalemsch ridder; Hendrik van Gemen, baanderheer en ridder, enz.  enz.  enz.

 

Aldus slaagden wij met het eerst gedeelte onze voetreis, het onderzoek, namelijk, naar het klooster Hulsbergen; boven onze verwachting en wel te vreden namen wij nu eene kleine versterking om onze togt verder voort te zetten.

Eene tweede reden onzer ondernomene reis was, dat wij eenige belangrijke steenen, alsmede de plaats, waar door den landbouwer Hendrik Reijerse Sneller in 1837 onder den grond een eind straatweg ( ter lengte van omtrent 20 ellen en ter breedte van ongeveer 2½ el) was opgedolven, in oogenschouw wilden nemen. Wij haasten ons dan ook om zoo ras mogelijk deze bebouwde boorden te verlaten en in de woeste heide rond te dwalen, om oudheden van voor – Romeinschen of Romeinschen oorsprong aldaar op te zoeken, met den wensch dat de waarheid van het gezegde: “dat daar, waar menschenhanden arbeiden, dezelve ook elk spoor van oudheid uitwisschen, ja elke herinnering van voorvaderlijken oorsprong vernietigen,” voor ditmaal niet vervuld mogt worden.

Eerlang bragt ons het voetpad, dat wij volgden, naar de Woldbergen, welke zich als eene schoone donker-blaauwe wolk aan ons oog vertoonden, op welke de beschouwer bij elk nieuw vergezigt verpakt wordt. Hier worden door enkele bebouwde plekken verschil van landsdouwen aangeboden, waar enkele ingekrompene bosschen, aan onze regterzijde gelegen, ons het van ouds bekende Molenkate vertoonden, waar kunst en smaak zich vereenigd hebben om van dit bekoorlijk plekje alles te vormen, wat er toe behoort om in de, tot vermoeijenis toe kale Veluwe, een bloembouquet te plaatsen, dáár, waar de wandelaar, na hier rondgezworven te hebben in die heideachtige streken, dubbel behoefte gevoelt aan eene verandering voor het oog en eenige rust voor zijne voeten. Bij het verder rondzwerven door deze onafzienbare heide, bereikten wij de hoogte, van waar wij, na verloop van een uur, aan onze regter zijde de buurtschap Millingen en het Millinger Soerel in het gezigt kregen, welke gelegn is in het eertijds genoemde Henchemuden veld, onder Hollanderbroek ( thans Oldebroek), alwaar door graaf Gerhard, met toestemming van de landsedelen, aan eenige Hollandsche kolonisten in de 12de eeuw vrijheid vergund werd, om zich in dien broekachtigen, onbebouwden streek te mogen vestigen en hun dezelfde voorregten geschonken, welke bisschop Otto I aan zijne onderhoorige lieden in de naastgelegen veenen ( thans Kamperveen) had toegestaan, aan welks ingezetenen vervolgens in 1320 door de bijzondere bescherming van Reinold, zoon des graven van Gelre en Eleonore vrijdom van alle hand en spandiensten werd verleend en tevens vergund om aldaar turf te steken en te graven.

Deze broekachtige streek deed mij denken of ook hier soms de grensscheiding tusschen de Kleine Brukteren en de Friesen, welke ten oosten der tegenwoordige Zuiderzee woonden, zou kunnen geweest zijn? ( volgens Eumenii Panegyr. Constantini, Cap.XII , “de landen der Brukteren lagen langs den Rijn of Drusiaansche Gracht en IJssel; zij waren in grooten en kleinen verdeeld”. ’t Is waarschijnlijk, dat zij Brukteren, Broekteren of Broekers genoemd zijn geworden van de broekachtige landen, welke zij bewoonden.) Dit vermoeden werd bij mij zoo veel te waarschijnlijker, door het vinden van eenen grooten steen, in de zoogenaamde Wolfskamer tusschen de Riege Dunen ( Duinenrij?) en het Achterste, aan den westelijken voet der Woldbergen achter de Lapstreek ( Lapidum – streek?)  “ Deze steen, eene gewone keisoort van grijsachtige kleur, staat omtrent 2½ Amst. Voet boven den grond, is 3 voet breed en omtrent 2½ voet dik, is met de langste zijden van het Zuiden naar het Noorden gekeerd.”

Op eene afstand van omtrent 300 passen ( nabij den veldweg naar de Delle leidende,) bevindt zich eene waterbron, in welker nabijheid wij van alle zijden kudden zagen weiden, onder bescherming van jonge knapen, die welgemoed aan de boorden van den waterkom hun koud middagmaal verteerden.

Gedachtig aan de opmerking van D. o.g. Heldring, waar Z.W. Eerw. Over Millingen, nabij Garderen en Voorthuizen, zegt: “dat dit stille en eenzame oord eens vol van het levendig gewoel eener legerschans geweest was, terwijl men hier op den afgelegden een Mijlpaal nedersloeg en aan dit vlek toen den naam van Mille, later in den Hollandschen uitgang van Millingen overgegaan, gegeven heeft” ( De Veluwe. Eene wandeling van o.g. Heldring en r.h. Graadt Jonckers. Te Arnhem bij g. van Eldik Thieme, 1841 pag. 135) kwam ook tevens het vermoeden bij mij op, of ook dezen naam draagt, van Romeinschen oorsprong zijn kon, en wel bij gelegenheid van den togt door Drusus tegn de Friesen ondernomen volgens welken Drusus eerst eenen inval gedaan heeft in het land der Usipeters, van daar op de sigambers en daarna, den Ryn, ( IJssel?) naar den Oceaan afzakkende, de Friesen tot den vreden dwong?

En dat op die wijze de Romeinsche Mijlpalen ook in de overige plaatsen nog weder te vinden zijn, als b.v. 1) in Millingen bij Nijmegen; 2) Millingen, tusschen Emmerik en Rees; 3) Millingen tusschen Alpen en Drijstem bij Wezel; 4) Millingen bij Dalfsen aan de Overijsselsche Vecht; 5) Millingen bij Voorthuizen; 6) Millingen ten westen van Ligtenvoorde tusschen Doesburg bij de Landweer te Zelhem; 7) Millingen aan de Hanoversche grenzen bij bij Nienhuis; Mill bij Grave; Milheze, Meijl, Millo, mierlo, Mullem en andere in de tegenwoordige provincie Noord-Braband bekend?

En even zoo ook de plaatsen der Romeinsche kasteelen, welke thans nog onder de benaming van Castel, Gastel, Kessel, Gestel, enz., voorkomen. Alsmede de Romeinsche legerplaatsen buiten het Vetera te Zanten, die welke thans met de namen van Casteren, Kesteren, Castricum, Campen, enz. bestempeld zijn?

Met deze overdenkingen zwanger waren wij op onze wandeling gevorderd, tot op eene zandvlakte aan den voet der Woldbergen, waaromtrent men ook nogmaals eene plaats, onder de benaming van de Wolfskamer, aantreft, van welk gedeelte, de overlevering thans nog van mond tot mond gaat, “ dat hier, in oude tijden, reuzen woonden die den Wolfsberg opgekruid hebben; toen zij daarmede bezig waren zwierf een reus door de zandvlakte, alwaar hij zijne schoenen uitschudde, waardoor, de aldaar gelegene beide bergketenen, de voorste en de achterste Hull genaamd, hun aanwezen zouden te danken hebben,” in welke zandvlakte hier en daar een heide heuvel verspreid ligt, onder de benaming van de Kraijenberg, Pluisberg en Broodberg en men bij iedere schrede bijna de helft in het mulle zand terug zakt. Zoo klommen wij van hoogte tot hoogte, tot wij, tusschen de beide Hullen, een effen heideveld betraden van omtrent honderd schreden breed, langs welks zomen de beide Hullen, als muren ter regter- en linkerzijde, liggen opgetrokken.

Hier vonden wij den hier zoo algemeen bekende Grooten Steen, de Reuze Pinke, in de wandeling ook Riese Pinke of Grieze Pinke genaamd. Deze steen heeft eene bijna vierkante gedaante, is 5 Amsterd. Voeten lang, 4½ voet breed en omtrent 2½ voet boven den grond uitstekende.

Is deze steen eene offertafel geweest? – Zijne ligging is geschikt daarvoor. Die geschiktheid wordt vermeerderd door een ruim watervlak, de Veenen genaamd, hetwelk wederom omtrent 300 passen van daar in het Noordwesten gelegen is.

Of heeft dezelve als Terminus, ( zoo als de voormelde onder Oldebroek gelegen,) gediend? Of zijn het cyppen of ruststeenen en mijlpalen, welke hier liggen?

Van hier onze schreden meer Noordwaards wendende kwamen wij na een vierde uur gaans op de bekende en merkwaardige vlakte het Harde genaamd, op welke heidevlakte in 1837, door den landbouwer H.R. Sneller, in de buurtschap Apoldoere-loe, ( thans Apeloo), bij het ontginnen der woeste heide op omtrent 3 voet onder de grond is ontdekt, een eind, behoorlijk met keisteenen geplaveide straatweg, van omtrent 20 ellen en 2½ el breedte, welke steenen door denzelven tot poeren en drempelstenen in zijne woning gebruikt zijn, en bij welke gelegenheid tevens door hem uit den grond opgedolven werd een merkwaardige Steen, waarin twee ronde gaten geboord zijn en in een derzelven zich een ijzeren staaf bevond, vermoedelijk een Voor – Romeinsche molensteen.

Deze vlakte, het Harde genaamd, wordt ten Noorden begrensd door den Haksberg, en is mede merkwaardig doordien de hertog van Gelre, Karel van Egmond, hier in 1521 de overwinning behaalde op de Over IJsselschen, welke zich bij eenen, door hen ondernomen strooptogt op de Veluwe tot hier toe gewaagd hadden en waarbij, met behulp der gewapende burgers van Elburg, de Over-IJsselschen op de vlugt werden gedreven en daarbij genoodzaakt werden den ganschen roof, twee stukken geschut en een aantal dooden en gevangenen achter te laten; onder de laatsten bevonden zich de beide aanvoerders, Willem van Deutichem, schout van Deventer, en Jan Croese, rentmeester van Salland, welke gevanglijk naar Hattem gevoerd en aldaar in de Wassenaarskooi zijn opgesloten geworden.

Van hier keerden wij wederom naar de Reuze Pinke terug on onzen weg vervolgende ( indien men de heidestrook tusschen de beide Hullen eenen weg mag noemen)  vonden wij omtrent 1000 passen verder,onder de buurtschap westengen, nogmaals eenen grooten steen, achter het zuidelijke gedeelte der dennenbosschen, van eene roode kleur, lang 3 voet, breed 4 voet en 2voet boven den grond uitstekende, in welker nabijheid, even als bij den vorige eene waterbron voorhanden is.

In diezelfde rigting naar den Nunspeter toren voortwandelende, vonden wij nogmaals op ¼uur afstands van dezen verwijderd, eenen steen van eene lange eironde gedaante, lang 5½ voet, breed 3½ voet en 2½ voet boven den grond.

Eindelijk nogmaals ¼ uur de heidestrook volgende, ontdekten wij de zoogenaamde tweede Reuze Pinke, lang 4½ voet, breed 3½ en 2½ voet boven den grond, waarbij vooral opmerkelijk is, dat deze genoemde zes steenen als Termini of als cyppen op omtrent ¼ uur afstands van elkander en in ééne lijn, ieder in de nabijheid eener waterbron gelegen zijn.

Ofschoon de mensch behagen schijnt te scheppen in het beschouwen der overblijfselen van vroegere eeuwen, die de vernielende kracht des tijds hebben getrotseerd, eene nog natuurlijker en meer treffender belangstelling schijnen de levende getuigen van vroegere eeuwen te vorderen; onder deze behoort de eeuwen heugende Linde, voor het eenzame Soerel staande.

Nog slechts één uur van het Soerel verwijderd, besloten wij tot den togt, om ook dezen boom te gaan bezigtigen, waartoe wij nogmaals eene Zandzee moesten doorkruipen, alvorens de hoogte des Woldbergs, en zoo den zoogenaamden Eper Tepel te bereiken, op welken togt mij de woorden van een onzer dichters voor den geest kwam, welke hier volkomen en toepasselijk waren.

Ik staar langs ’t meetloos ruim van Veluws vale heiden,

En zie geen westenwind, die daar de halmen kust;

Geen bloempje schiet er op in klaverrijke weiden,

Geen boom verheft zijn kruin, om schaduw uit te spreiden;

De schepping slaapt en rust.

 

’t Is doodsch; waar ’t oog zich wendt, ’t ziet nergens groei of leven,

    Slechts lucht en bruine hei, zoo ver mijn blikken gaan;

Een rilling grijpt mij aan, ik zie een spooksel zweven,

    Natuur dwaalt door dit veld, met rouwgewaad omgeven

En schouwt het schrijend aan.

 

    Heelaas! Mag dan geen hand, geen ploeg door ’t heiveld dringen,

Waar, aan zich zelf vertrouwd, zich ’t levensvonkje bluscht?

    Eens durfde ’t Hollandsch hart, de zee haar erf ontwringen,

Haar, brullende om dien roof, in naauwer boorden dwingen

    Op eigen kracht gerust.

 

    Maar neen, het mag niet zijn. – ziet ge op deez vale heiden

Dien ruwe steenberg niet, gehoopt met reuzenkracht?

Daar rust de woeste Hun, berucht door moed en strijden,

    En veld en rotskolom toont het beeld van vroeger tijden

Aan beter nageslacht.

 

    Des ruwen stervlings kracht, kan rots op rotsen slingren,

En dreef de reuzenspeer door ’t ijzren harnas heen,

Maar nooit kan hij natuur met bloemfestoen omslingren,

    Doodsch bleef ze, als deez hei, en ’t hart dier werelddwingren,

Ruw als deez hoopen steen.

 

Slaap dan den doodslaap voort, o veluws vale heiden

    En prijkt op ’t huivrig veld der Hunnen rotsig graf,

Omringd van golvend graan en zeestrands vette weiden,

Schets hier natuur aan ’t lroost het beeld van vroeger tijden

In reuzentrekken af.

 

Zelden konden wij een geschikter oogenblik gevonden hebben tot het ruime uitzigt, dat zich van den Eper Tepel naar alle kanten voordoet, zoo helder was de gezigteinder en zoo zeer had de hooger gerezene zon alles in het schilderachtigst licht gesteld. Wij waren opgetogen, daar wij, van zulk eene aanmerkelijke hoogte, de geheele natuur als aan onze voeten zagen liggen en wij onze blikken vrij en ongehinderd over vlakten, heuvelen, bergen, bosschen, hooilanden en de Zuiderzee konden laten weiden.

Nu werd onze aandacht bepaald op meer bijzondere punten, der oplettendheid waardig. De zandige veldwegen kronkelen over de bruine heide en het verblindende wit geeft aan dezelve het aanzien van beekjes die slingerend van de kruin des bergs naar beneden vlieten; over deze zandige landwegen ziet men hier en daar zwaar beladene vrachtkarren, welke over dezelve schenen heen te kruipen; het geklap der zweep, waarmede de voerman zijne trage paarden aan spoort, vermengt zich met het geluid der eentoonige bellen, waarmede het paardentuig gewoonlijk voorzien is. Hier en daar wisselen hoopen van gemaaide heideplaggen en bedrijvige heidemaaijers dit gezigt af, waarbij zich tevens een aardsvaderlijk tooneel voor ons opdeed, als ons oog op de talrijke kudden schapen en lammeren viel, welke van eenen enkelen herder vergezeld en door eenen daartoe

Schaapskudde

afgerigten hond bewaakt, zich wijd en zijd over de heuvelrijke heide bewegen. Het geblaat der lammeren en het rinkelen van de bellen der hamels, de zorg van den steeds op en neer loopenden herdershond, het onbeneveld uitzigt der, door zon hier en daar verlichte en door de wolken verduisterde plekken, op het naastbijgelegene of meer verwijderde tooneel onzer tegenwoordige beschouwing en het stille, zwijgende landschap doen hier in de borst van elken gevoeligen reiziger een zacht en weemoedig gevoel geboren worden.

Een drietal gebouwen, over welke de kruin der bedoelde Linde statig uitsteekt, toonde ons het doel onzer reis, aan den zuidenlijke voet van deze hoogte, welke wij weldra bereikten, bestaande uit eenen deftige boerenwoning en herberg, het Soerel genaamd, welke haren oorsprong aan het oud adellijke geslacht der van IJsselmudens te danken heeft, op denzelfde plaats, waar hertog Reinold in het laatste der 14de eeuw zich meermalen met de jagt vermaakte en eene keet had opgeslagen, zoo voor zijne honden en paarden als hij ter jagt ging, als ook voor de menschen, om voor regen en groote hitte daarin te schuilen. Deze hut is daarna het Suiren genaamd, en naderhand in Soerel veranderd, gelegen aan den driesprong der groote veldwegen van Elburg, Nunspeet en Epe op Gortel, Niersen en Apeldoorn, met ruime bijgebouwen en groote paardenstallen, waar jaarlijksch meer dan een duizendtal koppelpaarden van paardenkoopers gestald worden en overnachten. Almede is hier ook de plaats, waar men op gezette tijden jaarlijks van heinde en ver de Veluwsche lammeren en schapen aanbrengt, om dezelve den kooplustigen aan te bieden, welke schapenmarkt over de geheele Veluwe vermaard is.

Oud Soerel

Vóór deze woning bevindt zich eene bijna 100 voet diepe put met zeer smakelijk, helder water en daarboven ook de zoo buitengewone dikke, eeuwen heugende, statige Linde. De boom heeft, boven den wortel, ruim 20 voeten in omtrek, en ter hoogte van een mensch zeventien voeten; deze stam is met eene houten zitbank omringd, welke den wandelaar als het ware tot rusten schijnt uit te noodigen. De bijl, welke bijna altijd der boomen natuurlijken dood belet, heeft hier eene uitzondering gemaakt en vermoedelijk heeft alleen de eenzame ligging van het Soerel en terwijl hier in de barre heide, waar de schaduw meer noodig en tevens minder menigvuldig is, en eene groote boom door de bewoners, vooral daar hij in de onmiddelijke nabijheid der woning staat, voor een kostbaar voorwerp gehopuden wordt, dien aan het algemeen lot ontrokken. Deze dikke linde, welke den reiziger door de naakte Veluwsche heidevelden tot eene baak verstrekt, is door deszelfs nut en door den eerbied, welke de bewoners voor dezelve koesteren, van haar vreedzaam bestaan verzekerd, tot dat zij haren natuurlijken tol zal moeten betalen.

Voor dat wij de woning betraden, werd ons oog verrast door de menigte van seringen struiken, welke als eene heg den grooten moestuin omringde en waarvan wij reeds van verre de aangename geuren ontwaarden, alsmede door de schilderachtige treur-beuken, welke zich boven den wal met kreupelhout, in de onmiddelijke nabijheid gelegen, verheffen. Meer dan eens heeft de verwonderde en bekoorde reiziger zijnen weg verlaten, om deze eenzame en landelijke woning en deze oude linde te gaan bezigtigen.

De spraakzame bewoonster, met het doel onzer reis bekend, maakte ons ook opmerkzaam op den nabijgelegen Wasse – kolk, “ welken gij misschien kent”, zeide zij, en op ons ontkennend antwoord, bood zij ons aan, de bijzonderheden daarvan mede te deelen. “ De Wasse – kolk is een klein meer, een half uur zuidelijk van hier gelegen, onder het ambt Nunspeet, welk meer, behalve dat de schapen in de hei weidende, derwaarts gedreven worden, om hunnen dorst te lesschen, voornamelijk gebruikt wordt, om jaarlijks in de maand Juni en omtrent veertien dagen voor dat de schapenscheringen plaats hebben, ( waarvan de wol gewoonlijk naar Veenendaal ter markt gebragt wordt) in hetzelve de schapen te wasschen. Jong en oud komt dan derwaarts en gaat met het ter wassching bestemde schaap te water. De kleinen dragen de schapen aan; de grootere jongelingen, dieper staande, wasschen dezelve. Is het werk afgeloopen, dan verkleedt men zich in de medegebragte kleedere en keert vrolijk naar huis terug, waar ieder na de aankomst met een goeden maaltijd, uit spekpannekoeken bestaande, voor zijne moeite schadeloos gesteld wordt.”

Hierop onzen weg vervolgende, om dezen kolk te gaan bezigtigen, voerde dezelve ons eerst over eenen golvenden zandgrond, met wild struikgewas bedekt. Hier en daar is het duinzand over den bodem heengestoven, zoodat alleen de hoogste takjes boven de zandhoopen uitstaken; op enkele plaatsen zijn de blijken aanwezig van de zucht der landzaten, om zich tegen die zoo gevreesde overweldiging van het stuifzand te beveiligen. Scheringen van gevlochten takken, alsmede beplantingen van den kalen duingrond, zijn hier met oordeel aangebragt, om de akkers te beschutten of verdere verstuivingen tegen te gaan. De plaats onzer onderzoeking naderbij komende, werd het landschap, dat uit eene groote, effene heidevlakte bestaat, nog verlevendigd door de blatende kudden, die hier en daar tegen de helling der Nunspeter duinen verspreid, op den geurigen tym en de bloeijende heet en heide weiden. Van hier rigtten wij onze schreden naar den Hemelschen berg, onder Nunspeet, op welken togt wij, den Paaschberg en den Buntmansberg aan onze regter zijde latende, ons over het Eijbertjespad langs de veenen en de Mytstee ( alle in den Geldersche Volk – Almanak van 1842 beschreven) derwaarts begaven. Deze Hemelsche berg is gelegen op den weg van Nunspeet naar Elspeet, alwaar eene menigte van duinen, heuvelen en bergen vereenigd, een waren doolhof vormen, in welken de bewoners der omstreken allen den weg kunnen vinden en eenigen door bijzonderen namen zijn onderscheiden. Op den rug van dezen berg bevinden zich twee ronde heuvels, waarvan iedere heuvel met drie ronde gaten voorzien is, welke men voor gewezene offerplaatsen houdt.

H.P. Haasloop Werner.

Geldersche Volks – Almanak 1844.

hendrik van grietjen

 

 

 

 

 

Dit bericht was geplaatst in H.G. Haasloop Werner..

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *