Geschiedenis der Veluwe, 1481 – 1483, Verdrag te Nunspeet 1481, Velrehof Nunspeet.

 

 

 

Aanteekeningen

Uit de geschiedenis der Veluwe, gedurende

De jaren 1480 – 1483.

 

De aanhoudende verdeeldheden der partijen in Gelderland, welke hetzelve gedurende de tweede helft der XVde eeuw vooral teisterden, werden nog vermeerderd nadat hertog Adolf van Egmond in den bloei van zijn leven overleden was en ééne dochter en éénen zoon had achtergelaten, op welken laatstgemelden de schepter zoude moeten overgaan. – Frederik van Brunswijk werd als momber der minderjarige kinderen aangesteld; doch nadat hij krankzinnig was geworden, werd hij, volgens de keuze der Gelderschen, door den bisschop van Munster, Hendrik van Swartzenberg, vervangen, die voor den tijd van zes jaren tot deszelfs schutsheer, en tot momber der minderjarige kinderen van Adolf werd aangesteld; en deze betuigde toen in die hoedanigheid, “ vooral de wereld, de landen van Gelre en Zutphen, voor de kinderen en wezen van Adolf te zullen bezwaren.” Onderwijl klaagden de staten van Gelderland, “dat hun lieve vaderland als een bal en doelwit was, van de vijanden, en dan eens door de Bourgondiers, dan door de Oostenrijkers als ten roof werd gegeven.” Het was in het begin van het jaar 1480, toen Maximiliaan van Oostenrijk met de Hollanders vereenigd, onder voorwendsel de onlusten in Gelderland te willen doen ophouden, zich derwaarts begaf; daarbij was echter slechts zijn oogmerk, den wettigen, doch nog onmondigen vorst, Karel van Egmond, deszelfs hertogdom te ontnemen en daardoor zijne magt te vergrooten. Alhoewel hij destijds met de Franschen genoeg te worstelen had, liet hij echter niet na, die van Arnhem en anderen tot standvastigheid aan te manen, gelijk mede Hendrik van Ghemen, drost van Gelre, die zich als openlijk vijand van die van Nijmegen verklaarde.

Door Katharine van Gelre, al hoewel deze met Maximiliaan overeengekomen was, omtrent het bezit der stad Gelre, werden de steden van Gelderland onder de hand grootendeels gewaarschuwd en vermaand, om liever het uiterste te wagen, dan zich tegen trouw en verbond aan den vijand over te geven.

Gelijktijdig trok nu ook de bisschop van Munster met eene talrijke bende krijgsvolk, – waaronder zich 200 poorters van Doesborgh bevonden, met hunne bevelhebbers Jan Goldsmid en Willem Matelank, als ook de busmeester dier stad – om het in- en doordringen van Maximiliaan tegen te gaan.

Ondertusschen zocht Maximiliaan den Geldersche schrik aan te jagen met de bedreiging: zijne oversten binnen korten tijd af te vaardigen, om Gelderland voor zich te bezetten, of te overweldigen, indien zij niet naar zijne wenken wilden luisteren.

Op den 13den Mei 1480, sloeg zich de bisschop van Munster, Hendrik van Swartzenberg, met zijn leger te Ermeloo neder, op thans nog bekende Kampveld, ten einde aldaar nog meerdere versterking van manschappen met mondvoorraad en krijgsbehoeften op te nemen, – waartoe door hem uit Harderwijk aan de stad Elburg den schriftelijken last gezonden werd: “ om op het sterkste en rustigste te voet en te paard met den klokkenslag onverwijld bij hem te Ermeloo te komen en medebrengende Bussen, Kruit, Pyle ind ander reyscap en voor XIIIJ dagen leeftogt te bezorgen, en te laten bakken en brouwen zooveel mogelijk.”

Maximiliaan, die, nadat hij van eene zware ziekte hersteld was, vernomen had, dat de hollandsche kooplieden, die den Rijn moesten opvaren, door de burgers van Wageningen dagelijks werden gestoord en aangetast, zond den jongen vorst van Kleef, Jan van Egmond, derwaarts, bij die Wijk, den Rijn overtrok en voorts de sterke Ravenswaaij overweldigde en aan het plunderen en verbranden der overige dorpen sloeg.

Den 27sten Mei trok hij met zijn volk naar Wageningen op, hetwelk zij met gestadig geweld en allerlei gereedschappen bevochten. De bovengemelde Doesborgsche busmeester is toen door des vijands leger geslopen en heeft zich in de stad begeven, ten einde daar behulpzaam te zijn, bij het gebruik der bussen, waarvoor hem door de magistraat der stad Wageningen, als een blijk harer erkentelijkheid voor betoonde moed, beleid en dapperheid, vereerd werd eene som van vijftien klaeskens, waarvan de drie eene stuiver maken.

Middelwijl liepen de steden Harderwijk, Hattem, Elburg en Nijkerk naar de overheden der steden van Overijssel, Deventer, Kampen en Zwolle, om van hunnentwegen bij den aartshertog Maximiliaan eenen vrede te bewerkstelligen en daartoe den Utrechtsche bisschop David als bemiddelaar te gebruiken. Op diens voordragt zond Maximiliaan aan de Geldersche steden den maarschalk Adolf van Nassau, heer van Wiesbaden, om den eed af te nemen.

Elburg, aldus door eenen te vroegen schrik zich voor Maximiliaan verklaard en hem trouw gezworen hebbende, werd hierop door een gedeelte der Zutphensche bezetting, onder aanvoering van den overste Linteloe, en met medewerking en begunstiging der heeren Herman en Pilgro de Vos van Steenwijk tot Putten, en eenen poorter van Elburg, Arent Wagenaar, bij nacht overrompeld en wederom ten behoeve van den vorst van Gelre in bezit genomen, bij welke gelegenheid de burgemeester Arent thoe Boecop, die door den schoorsteen van het Sint – Agnieten klooster aldaar eene wijkplaats gezocht had, gevangen genomen werd en zijne goederen verbeurd verklaard werden; voor hem echter, zoowel voor zijn persoon als voor zijn goederen, verzocht de stad Kampen vrijlating en bleef borg.

De Gelderschen, welke zich echter tegen de overmagt van Maximiliaan niet bestand achtten, sloegen voor, dat de steden Arnhem, Harderwijk, Wageningen en Nijkerk, die nog onder Maximiliaan stonden, eene onderhandeling zouden treffen, waarop in October, op eene vergadering te Emmerik, overeengekomen werd, om den Oostenrijker den voorslag te doen, den paus te laten beslissen wie van beiden, óf Maximiliaan, óf Adolfs kinderen tot het vorstendom geregtigd waren? De keizer nam hierin genoegen, doch dewijl deze schikkingen meest in woorden bestonden en de strooperijen op het vlakke land niet ophielden, werden in de maand Januarij 1481, te Nunspeet in de Veluwe, een dag bepaald, waarop voor Maximiliaan verschenen, de heeren Lieven van Baek, ritmeester en Raad van Harderwijk; en van wege de bisschop van Munster, Dirk van Linteloe, ritmeester van Hattem en Elburg met Andreas van Meermeden en twee raadsvrienden van Hattem.

 

 Verdrag van Nunspeet 1481.

Beschreven door

Arend van Slichtenhorst.

 

De Geldersse overslagh maekende dat de Steden Ruermond en Arnhem de zijd hielden van Maximiliaen, ende Harderwijk met Wageningen en Nykerk onder zijn gebied stonden , hebben, door tusschen- handelingh van de Banner- heeren van den Berge en zommige Domheeren van Munster daer zich de volmaghtigers van den Bisschop en Juffrouw Catherine van Gelre met de noch overige Ridderschap en Steeden by voeghden, in ’t begin van de Wijn-maend op den vergader- dagh tot Emmerick, na menige voor- slagen van verdragh tusschen haer en den Oostenrijker, zich zoo wijd in- gelaeten; dat sy geneegen waren het geschil te zetten aen de Paus, die als een onzijdigh opper- richter uit het weder- zijdsse bescheyd zoude hebben te oordeelen, wie van beyden, Maximiliaen ofte Adolfs kinderen, tot het Vorstendom meest waren gerechtighd; ende dat men zulk een uitspraek, hoe die ook moght uitvallen, over en weder zoude na- leeven; ende middeler – wijl denoch onveroverde deelen stellen in verwaerder band van den hertogh van Kleve; onverminderd Swarzenburgh en Juffrouw Catharine, voorts den Stenden en onder- zaeten haere pandschap en vrijdommen: doch, indien het dingh- tal den kinderen van Gelder mede viel, dat ze dan dadelijken de gantssche landschap zoude in- ruymen ’t zaemen met den Steden die Maximiliaen hadden aengehangen ofte van hem waren over- heert. Voor ’t laetste beloofden sij Frederick Heer tot IJsselsteyn en Jonkheer Willem zoonen tot Egmond al mede in behoudene handen te leveren van den Klevenaer : die ook korts daer na door die van Nymegen uit hunne drie- jaerige boeyen zijn ontslaegen, endevoort naer naer Dordrecht vertrocken, om vooral Maximiliaen te begroeten. Dan dewijl dese voor- werpzelen meest in woorden bestonden ende  de strooperyen over ’t vlacke land daer mede niet op en hielden, is er in de Louw- maand des iaers 1481. Tot Nunspeet in Velouwen een dagh bestemd, ende aldaer verscheenen Lieven van Baex, Ritmeester en Raed van Harderwijk van wegen Maximiliaen, ende Diderick van Lentelo, Ritmeester van Hatten en der Elburgh, vergezelschapt met Andries van Moermeden en twee raeds- vrienden van Hattem, van wege Swartzenburgh en ’t Land van Zutveen; die wijders voor- droeghen; dat die van ’t Nymeeghsse ofte Zutveensse Vierdeel met roof ofte vyandelijke over- greepen niet en zouden deeren die van de Velouw, ende die van de Velouw Baer en Cleefs- land wederom niet die van Nymegen ofte Zutveen; ende dat die aen beyde zijden in Velouwen ge- erf waren hunne goederen aldaer rustelijken moghten aenvatten, ook die van Velouwen over al in Velouwen onbespeerd koemen en verkeeren, uit- gezondert in des anders Steden en vesten anders dan onder zonderlinge geleyde: alles nochtans op het behaegen van de Hertogen van Oostenrijk en Kleve, van Willem van Egmond Heer tot Baer, ende van de Steden Arnhem, Harderwijk en Wageningen aen de eene; ende van Bisschop Swartzenburgh, den Heer van Bronkhorst, Winand van Arnhem, Diderick van Linteloe ende de overige Steeden aan ‘d andere zijde.

 

 

(Aanwezigen Landdag Nunspeet Januari 1481.

Voor Maximiliaan verschenen er:

Lieven van Baer, ritmeester

Raad van Harderwijk o.a. Ailt van Herderwyck, Gerit van Spuelde( de Jonge), Zywert van Wijnberghen, Wilt Voet, Herman Claisz, Wolf Woutersz, Ailt van Hierde, Gerit van Tellicht, Volker Henricsz, Wolf Wolfsz, Frederic van Spuelde,Geerlof Voet, Jan van Brenen, Jan van Wijnberghen, Jacob van Dieren. Allen Schepenen in 1481 maar of ze ook allemaal aanwezig waren staat nergens beschreven.

 

 

 

Van wege de bisschop van Munster verschenen:

Dirk van Linteloe, Ritmeester van Hattem en Elburg, Andreas van Moermeden, Winand van Arnhem, Frederik van Marlhulsen

Redactie.)

Er werd een verklaring opgesteld tussen Lewen van Baer, ritmeester en raadsvriend van Harderwijk, namens de aartshertog van Oostenrijk en afgevaardigden van de bisschop van Münster, afkomstig uit Zutphen, Hattem en Elburg. Zij besluiten dat er een bestand in acht zal worden genomen en er geen steden, sloten of andere versterkingen over en weer worden aangevallen in het land van Gelre, Kleef en in de kwartieren van Nijmegen en Zutphen. Dit verdrag loopt af op 26 Januari 1481.( Stads-en streekarchief Zutphen)

notulen 12jan. 1481 Nunspeet

 

 

Eindelijk had op den 12den Augustus 1481, nog eene onderhandeling plaats, waarbij de heer Jan van Egmond tot stadhouder van Gorinchem benoemd werd, met den last om, tevens van wege Maximiliaan, een gedurig oog op de Gelderschen te houden.

Daarna maakte deze zich vaardig, om Gelderland met ernst te beoorlogen en hij liet dus een deel van het leger, hetwelk te ’s Bosch, te Gorinchem en elders in de winterkwartieren gelegen was, bijeentrekken. Binnen den Bosch stond Maximiliaan nu met een magtig leger gereed, om in Gelre te breken, doch nu vonden de staten van Gelre het raadzaam die overhangende bui te ontwijken, en liever te buigen, dan te breken. Zij zonden derhalve gemagtigden van Nijmegen naar den Bosch, die op eerlijke voorwaarden met den keizer een verdrag sloten en hem voor hunnen heer beloofden aan te nemen en te huldigen. Deze blijde tijding deed Maximiliaan en de vorstin Maria met een verheugd gemoed en sterk gevolg van ruiteren en knechten naar Nijmegen trekken, alwaar de gezamelijke Geldersche steden, met uitzondering van Venlo, hem bezwoeren en als hertog van Gelre onthaalden. De eed werd de burgerij afgenomen door Adolf van Nassau, dien hij over gansch Gelderland tot stadhouder had aangesteld. Die van zutphen, wien geen andere uitkomst overbleef, verzochten aan de bisschop Henderik van Swartzernberg, om hen van zijne gehoorzaamheid te ontslaan, waartoe hij zich ook heeft laten gezeggen.

Veluwe

 

 

De Verlehorst bij Nunspeet.

 

De velrehorst bij Nunspeet, was eens een ridderlijk kasteel, wat toebehoorde aan ridder Hubert van Putten, en Lomodis of Lumudus zijne echtgenote, welke hetzelve in 1307, ten behoeve van Reinald, graaf van Gelre, ten Zutphensche regte beleenden en aan denzelve voor een heerengewaad, ( bestaande in een best strijdros met zadel en tuig ) opdroeg. Zij woonde hier met hunnen zoon Herbern. Deze Herben erfde het kasteel maar kon deze niet behouden. Alles ging met hem voorspoedig, tot dat op eenen kouden herfstavond in 1367, een hevige orkaan en verschrikkelijke zeevloed aan alles den ondergang dreigde en de graauwe vloed de eene schuimende golf na de anderen voortjoeg naar de kust. –  De lucht was somber en mat, bedekt met loodkleurige wolken, die naar het noordwesten immer zwarter werden: het zuchten van den wind kondigde storm aan. De wind verhief zich meer en meer, de zee bruiste als door den geest der stormen gezweept, en weinige, doch groote regendroppels kletterden bij elke windvlaag tegen de vensters van het slot.

Met den nacht verhief zich het onweer, de regen werd zwaarder en digter, de wind huilde en de voortgejaagde golven, die met een donderend geraas tegen de kust sloegen, schokten zelfs het kollossale gebouw, dat, door het aanhoudend beuken der golven, voor dezelve niet meer bestand was; de muren bezweken, de torens waggelden op hunne grondvesten, stortten in en de golven drongen binnen deze muren door, alwaar vroeger zelfs geen daglicht, dan door de naauwe openingen, kon doorschieten, en altijd hooger klommen de opgestuwde golven langs die kanteelen, van waar eenmaal de banieren der edelen van zijn geslacht wapperden, terwijl de torens, welke de stormen zoo lange weerstaan hadden, eindelijk voor den ijzeren arm der golven moest bezwijken. Eene streek van het vaste land tusschen Elburg en Harderwijk werd losgescheurd, en even als de grondvesten, bosschen en gronden tot dit kasteel behoorende, door den vloed verslonden. Slechts nu en dan bij het voor een oogenblik minder woeden der losgelatene elementen, kon men het akelig gelui der naburige klokken, het angstgeschrei der ongelukkigen onderscheiden. Ontwortelde boomen, huisraad, tilbare have en vee spoelden nevens de enkele lijken op het, zich steeds verbreidend golvend watervlak, en bedekten de laatste met het doorschijnend doodskleed; de ramp was door dezen buitengewonen vloed hier algemeen en tevens verschrikkelijk. Bij het aanbrekn van de nieuwe dag was de storm gaan liggen en zond Herbern eenige zijner onderhoorigen uit om berigten in te winnen omtrent de geleden verliezen aan zijne bezittingen. Groot werden dezelve aan hem opgegeven, maat toch waren deze slechts klein te noemen bij de onmetelijke bezittingen, waarvan hij nog eigenaar bleef, en nu stond hem eene keuze te doen tusschen de kasteelen den Puttenstein, onder Oldebroek, den Verlehorst of Veelhorst onder Nunspeet, of den Hof Old- Putten onder Doornspijk, nabij Elburg, om zijn verblijf te vestigen, en hij koos dit laatste, alwaar hij met zijne drie zonen Pilgrim, Dirk en Herbern zich bleef onthouden. De Verlehorst is weer opgebouwd tot eene aanzienlijke boerenplaats, met bijgebouwen voor eene zomerwoning. In Januari van het jaar 1481( toen der tijd bewoond door Pilgrim de Vos, redactie ) werd hier een dag ( landdag) bestemd om de Veluwe te keer te gaan en middelen daartegen te beramen, waarbij tegenwoordig waren, Lieven van Beax, ritmeester en raad van Harderwijk, van wegen Maximiliaan, en Diderik van Lintelo, ritmeester van Hattem en Elburg, van wege Schwartzenburg en het land van Zutphen.

Geldersche volks- almanak

Stads-en streekarchief Zutphen

Haasloop Werner

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Dit bericht was geplaatst in H.G. Haasloop Werner..

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *