Geven

Geven

***

 

 

Het is woensdag-ochtend 10 uur.In de Groote-Poort-straat loopt een moeder,met een kindje van vijf weken op den arm,te zingen.Zij is nog jong,naar schatting dertig jaar;een meisje van een jaar of twee gaat naast haar.Haar nachtlogies heeft zij pas verlaten en zoals het met alle menschen gaat,beginnen de noodzakelijke levensbehoeften zich aanstonds te doen gevoelen.Zonder ontbijt valt het moeilijk,arbeid te verrichten.Het gaat met ons lichaam,als met den kachel:er moet brandstof zijn.Zonder brandstof geen warmte,zonder spijs,geen kracht om te arbeiden.

Een goede moeder leeft niet voor zichzelf,zij leeft voor haar kinderen;zij wil alles ontberen.Indien zij slechts weet,dat daardoor haar kinderen zijn gebaat.Daarvoor te werken is zalig.Maar ditmaal heeft de moeder geen werk bij de hand.

Wat zal ze doen? Bedelen? Neen dat nooit.Ten eerste verzet zich haar eergevoel daartegen en ten andere weet zij bij ondervinding,dat men een bedelares vaak met een korte weigering de deur wijst.

Parelend zweet staat op `t voorhoofd.`t Is haar aan te zien, dat zij van `t bedelen geen beroep maakt;dat deze  morgen  een morgen is van strijd en lijden.Maar `t besef,dat haar kinderen gevoed moeten worden,geeft haar kracht,om te doen,wat zij blijkbaar nog nooit heeft gedaan en haar mond opent zich tot zingen.Schor klinkt haar stem:

          _Moe en mat,zoo dwaal ik door de stad

            Geef mij wat!

            `k Wou dat ik centen had

            Om een broodje te gaan koopen!-

`t Was maar een ordinair lied,zonder verheffing,zonder poëzie,maar het publiek begreep-en in `t bijzonder de moeders-,dat hier een moeder sprak en dat er hulp moest worden geboden.En,ja,artikel zooveel en zooveel van onze Algemene Politieverordening bedreigt het zingen op de openbare straat zonder toestemming van B&W met straf,maar hier was `t iets geheel anders.Huis aan huis kreeg de arme moeder teerkost of kleeding.Men gaf haar,vóór zij vroeg en wie gaf,gevoelde de betekenis van het Bijbelwoord:

   -Het is zaliger te geven dan te ontvangen!-

Gelukkig voor de lijderes,dat onze zoo waakzame politie op dat ogenblik niet aldaar tegenwoordig was;de man der wet zou een overwinning op zichzelf hebben moeten behalen,om zijn plicht te stellen boven zijn gevoel.

`

 `t Is half elf.Een vader met twee kinderen komt door de zelfde straat.Hij heeft een bundel papieren in de hand.`t Blijkt spoedig,wat dat voor papieren zijn,want met luider stemme maakt hij het bekend,dat hij te koop heeft- nieuwe coupletten van de Noordpool-.En de daad bij `t woord voegende,zingt hij uit volle borst:

      -Daar vinden wij geen bloempjes en ook geen hei

       Daar hebben wij veel jool

       Wij trekken naar de Noordpool!-

Zijn kinderen herhalen als refrein de slotwoorden van de regels:-Hei-jool-Noordpool-.

`t Publiek luistert niet;men lacht en laat hem aan zijn lot over.Zijn lied gaat niet van het hart tot het hart;`t laat iederen koud,volkomen koud.

Uit de Kleine Marktstraat komt een onzer politieagenten.Zijn scherpziend oog bespeurt reeds in de verte, dat er iets gaande is.Met langzamen,vasten tred komt hij nader.

Maar de vaderlijke zanger heeft den dienaar van Hermandad bemerkt.Gaandeweg versnelt hij zijn pas en ter hoogte van de Katholieke Kerk gaat tie over in looppas en zoo verdwijnt hij in de St.Annastraat.Nu,er school hier ook wel iets van St.Anna onder.De man der wet had zijn plicht gedaan:door zijn verschijning had hij het voortzetten van `t strafbaar feit belet.-

_Heb je hem gekregen?vraagt iemand de agent.

_Neen! Is `t antwoord._hij is`m gesmeerd_.

`T Is twaalf uur.Uit de Luttekepoortstraat komt een ferm gebouwde kerel.`t Lijkt wel een smid.Gebruind is zijn gelaat en onder zijn jasje prijkt de blauwe werkkiel.Even wipt hij bij Roozenbroek in.Denkelijk ,om een afzakkertje te nemen.Vijf minuten later zie ik hem lopen in de Bruggestraat.Hij vraagt mij de weg naar Amersfoort,maar tegelijkertijd deelt hij mij mee,dat hij zonder werk is en dat hij de lange reis naar Amersfoort te voet moet afleggen._Hebt u niet een kleinigheid voor me?_vraagt hij_want ik ben zonder werk en heb vandaag nog niets gegeten_.Mijn antwoord is:_Beste man,ik moet zelf hard werken voor mijn brood en kan je niet helpen_.Ik had in mijn mond om te zeggen:_Wie geld heeft om te drinken,heeft minstens genomen ook geld voor brood_,maar wijselijk zei ik het niet,uit vrees dat het manspersoon mij met de nodige vloeken zou overladen.

Op dien eenen morgen werden onze stadsgenoten meermalen in de gelegenheid gesteld,iets van het hunne te geven tot leniging van anderer nood.

In het eerste geval speelde het gevoel de hoofdrol en in de beide andere gevallen sprak ook het verstand een woordje mee.

Wat staat ons te doen?Of alleen met verstand?

Een onzer begaafde mannen,Dr.Ritter,heeft gezegd,dat vooral bij de moeilijke kunst van geven het gevoel moet gecontroleerd worden door het verstand en omgekeerd.

Wie alleen geeft op het gevoel,werkt ongetwijveld de beroepsbedelarij in de hand.

Sturen de ouders hunne haveloze kinderen de straat op om te vragen en weten de kleinen,gedresseerd door de ouders,allerhande jammerkreten uit te stamelen,dan loopt de onnadenkende gevaar,met zijn geven eer kwaad dan goed te doen.En laat men zich enkel leiden door het koel verstand,dat de stem van `t gevoel tot zwijgen brengt,dan verzaakt men in vele gevallen een zijner duurste plichten,dan wordt het heilig vuur gedoofd en de rookende vlaswiek uitgebluscht.

_Lezer! Te geven,is moelijk!

***************

Dit bericht was geplaatst in Verhalen bundel.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *