De Goor-Hut onder Elburg.

 

 

 

De Goor – Hut onder Elburg.

 

In vroegere eeuwen, zelfs nog ten tijde der grafelijke regering, lag op de Veluwe eene aanmerkelijke uitgestrektheid hooge en lage grond, nog woest en ten eenenmale onbebouwd. Deze onbebouwde streken komen voor onder den naam Gemeente, Mark, Hengemunde, enz. Derzelve vlakte was met heide, of, in de lage broekachtige gedeelten, met een zuurachtig gras begroeid.

Die woeste gronden werden door de bewoners der aangrenzende dorpen en buurschappen gebruikt tot weiden voor hun vee, om gemaaid te worden voor brandstof, om plaggen te steken, of ook tot het graven van turf en leem, waar deze gevonden werden. Op de Veluwe, en waar overigens gravelijke hoven gevonden werden, komen deze woeste gronden steeds voor als des graven oorspronkelijk eigendom, en zijn van daar in het bezit van bijzondere personen of gemeenschappen overgegaan. In het jaar 1336 schonk graaf Reinald den poorters van Elburg een stuk lands, het Ghoor of Goor genaamd, dat mede voorheen Hengemunde was, voor een jaarlijksche tijns, met de toestemming het te mogen verdeelen en bezaaijen. Het gevolg hiervan was, dat van tijd tot tijd, van de tot dus ver woest liggende gronden, grootere of kleinere stukken afgegraven, en aan het gemeen gebruik onttrokken werden.

Dit Goor was in 1336 omtrent 60 morgen groot, en geschonken met uitdrukkelijke bepaling, dat het een vrij erftijnsgoed zijn zou, en dat de poorters en erfgenamen hun deel in hetzelve aan elkander mogten overdoen en verkoopen.

Sedert dien tijd wordt deze grond als stadsweide gebruikt, onder toezigt en het beheer van zoogenaamde Goorschepenen; de magistraat der stad heeft er thans het bestuur over, alhoewel het grootste aandeel in hetzelve in handen van partikulieren is overgegaan, als gevolg der bepaling der vroegere gilden, waarin onder anderen van het jaar 1634 voorkomt: “ dat nu voortaan niemand van ons in ’t Schipluden-Gilde sal aengenomen worden, ofte hij geve aen het gilde ten minsten een halfgres in ’t Goor ofte dertig daelders daervoor.”

Op den tienden Mei wordt nog jaarlijks het vee der stedelingen in het Goor toegelaten, na vooraf door de zorg van het bestuur met een brandmerk voorzien te zijn, terwijl de herder, door de stad als Goor-herder aangesteld, over hetzelve dagelijks toezigt houdt, en ten einde alles beter te kunnen bewaken, had men vroeger eene woning van hout, op vier steenen palen van omtrent 14 voeten hoog boven den grond, aldaar opgetrokken, welke de Goor-Hut genaamd werd, waarin de Goor-herder gedurende den tijd dat het vee in hetzelve weidde, zijn verblijf houden moest; zoodanig herder moest vroeger den navolgenden eed afleggen:

“ Ick secere en love! Dat ick een jaer lank een rechte Goorherder wesen sall; – alle die beesten, die daerinne gaet tho rechte hueden, wachten ond wehren sall, opbrengen en ommedrijven sall nae alde gewoente en sall hebn goede toeversicht op dat Goor, dat daer ghene beesten ingebracht en werden afte komen, dan daer mit rechte in höeren; dat ick op alle plaatsen to rechte schutten sal sonder eenigh aenzien der persoon. En alle breuken, die daerinne geschien to rechte aanbrengen sall. Oock mede alle die ghenen, die ick bevinden off vernemen kan bij nachte of bij dage, die anderen luden holt, tuijn of vrede ontdrargt off houwt, die ijemants koren off gres ontmaeijt of snijdt, dieselve sa lick aenbrengen en melden aen den burgermeester in der tijd! Zoo waerlijk, etc. etc.”

Goorherdershuisje

Door den verschrikkelijken storm en watervloed in 1825 is het gemelde gebouw, de Goorhut, weggespoeld. De plaats, waar dezelve tot dien tijd toe stond, is nog kenbaar door eenige populieren, welke haar omringden en herinneren nog aan derzelver vroeger bestaan.

Behalve de voorgemelde bestemming dier Hut, diende dezelve ook nog gedurende de gunstige seisoenen, tot eene plaats van uitspanning aan de ingezetene der stad, die op zon- en feestdagen daarvan gebruik maakten; men begaf zich aldan met eenig gezelschap derwaarts, nuttigde er thee of bier en verlustigde zich, van die hoogte, in het gezigt van het vee, grazende in het Goor.

Doch vooral de eerste pinksterdag gaf jaarlijks tot een algemeen Volksfeest aanleiding. Alsdan wedijverden een groot aantal melkmeisjes en volwassen knapen uit de stad, om op dien morgen het vroegst aldaar aanwezig te zijn, ten einde den spotnaam lui-lak te ontgaan, welken de laatst aankomende ontving, die hier voor moest boeten, door de overigen, die in de Goor-hut te zamen kwamen, op witbier, Pinksterbier genaamd ( hetwelk voor dien dag uitsluitend werd gebrouwen), te onthalen. Het vergaan dezer Hut heeft sedert  ook dit gebruik doen ophouden.

 

Ponsen en Nieten.

 

In Elburg werden jaarlijks de nieuwe Burgemeesteren en Schepenen beëedigd en bevestigd, waartoe de 14 Januarij, zijnde de St. Ponciaans-dag, bestemd was. Deze dag werd niet alleen met kerkelijke plegtigheden, maar ook met het houden van maaltijden in het stads Wijnhuis gevierd. Daarenboven was het ook nog voor vele ingezetenen een bijzondere vreugde-dag, doordien hier de gewoonte bestond, dat aan jongelingen of vrijers geschenken toegezonden werden, hetwelk men Ponsen noemde.-Acht dagen later, namelijk op den 21 Januarij, zijnde St. Agnieten-dag, welke wegens de jaarlijksche kerkfeestviering van het adelijke St. Agnieten vrouwen-klooster wederom een algemeene vreugdedag was, werden door de jongelingen of vrijers tegengeschenken aan de vrouwen of vrijsters gezonden, en dit noemde men St. Agnieten of Nieten.

Zoodat, wanneer men van deze geschenken gewag maakte, dezelve Ponsen en Nieten genaamd werden. Ook deze gewoonte is, even als die om op Pinksteren de Goorhut te bezoeken, sedert lang in onbruik en bij de tegenwoordigen bewoners geheel onbekend.

G.H.W.

hendrik van grietjen

Dit bericht was geplaatst in H.G. Haasloop Werner..

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *