Groot nieuws hoofdstuk 8

 

 

Hoofdstuk 8

Groot nieuws

Gosen zag de schout met snelle schreden door de Doelen verdwijnen en er verscheen een glimlachje op zijn gezicht.

“Andrys Roest is woest,” ging het door hem heen. “Hij heeft woorden gehad met Herman Leyendekker.”

Maar dan trokken er rimpels over zijn voorhoofd. Nee, dat was toch niet erg waarschijnlijk. Hij had de half gemompelde woorden van de schout verstaan en die duiden op iets anders. De schout en de poortwachter moesten een afspraak hebben gemaakt en dat betrof Wege Elbertse.

De woorden van Diedel kregen opeens nog meer betekenis. Het was maar al te waar, dat er gevaar dreigde. Al had de inquisitie in Harderwijk dan ook geen kans om openlijk aan het werk te gaan, in ’t geheim gebeurde het wel. En er was iets eigenaardigs bij, iets heel eigenaardigs. Waarom verwenste de schout de poortwachter? Ze waren beslist niet als vrienden gescheiden. Het zou interessant zijn om te weten te komen wat er tussen hen was voorgevallen. Nu kon hij alleen maar gissen en dat bracht hem ook iets verder.

De schout zwenkte de Sint Catharijnestraat ( nu Academiestraat ) in en verdween uit het zicht.

Er kwam een peinzende blik in de ogen van Gosen Zeegers. Het had geen zin om de schout verder te volgen. Hij wist iets en hij wist niets. Hij zou naar de stal van Arene de Wilde kunnen gaan om zijn eigen plan ten uitvoer te brengen.

Of was het verstandiger om eerst Wolter Hubrechtse op te zoeken? Nee, die was de stad uit, al werd hij ieder ogenblik terug verwacht. Wolter moest in ieder geval op de hoogte gesteld worden. Die zou wel weten wat er gedaan moest worden. Die zou wel weten wat er gedaan moest worden. Afijn, dat kon nu niet. De schout scheen niet van plan te zijn om Wege te arresteren. Wege was waarschijnlijk niet meer dan de spiering om de kabeljauw mee te vangen. En vandaag kwam Wege niet naar de stad, nu er geen markt was.

Gosen maakte een gebaar met de hand in de richting van de Doelen, alsof hij iets van zich afwierp en wende zich dan om. Hij wilde doen wat hij eerst van plan was. En een groots plan was het.

Over de Vuldersbrink ging hij en zwenkte dan af naar de Schoenmakerstraat. Met een glimlach op het gezicht stapte hij de stalhouderij binnen.

Arent was bezig de paarden te roskammen.

“Morgen, Arent van Rossem.”

“Morgen, Harderwijker. Niet te vissen? Of drogen jouw netten al.”

Arent hees zijn pofbroek op en veegde met de handen langs zijn voorschooot. Hij was nogal ingenomen met dit bezoek. Hij mocht Gosen graag en als die kwam bracht hij steeds afleiding mee.

“Ik kom om een paard. Ik wilde naar Elburg.”

Arent hield de handen opeens stil voor de borst, haalde de wenkbrauwen op en keek hem verbaasd aan.

“Zo – o?”

Lang hield hij dat woord aan.

“Zo – o? Wel, maak dan als de gesmeerde noordwesterstorm, dat je hier van daan komt. Dan moet je niet bij Arent de Wilde zijn, visser met een schuit. Met de paarden van Sint Franciscus rijd jij het voordeligst.”

“Weet ik. Maar met die van de minder heilige wildeman is het profijtelijker.”

Het gezicht van de stalhouder was een en al glimlach. Die opgegroeide rakker uit de Kleine Oosterwijk voerde zeker weer wat in zijn schild. Hij had de tongen in Harderwijk nogal eens losgemaakt. Arent was benieuwd wat er aan de hand was.

“Ik begrijp je, jonkman. Misschien heeft de wetenschap zich ook onder die schedel van jou gevestigd, dat een gehuurd paard en eigen sporen korte mijlen maken. Jij wilde zeker een eerzaam burger van de stad van Harderwijk het net over het hoofd halen? Ik moet er om lachen, een visser te paard. Ik denk, dat jij met deze noordwester eerder aan de ellebrug zult aankomen dan met het rapste paard uit deze stal. Maar ja, het is zoals je zei, men kan een paard niet lopende beslaan. Ik denk, jou kennende, dat je er wel een goede reden voor zult hebben om hier om een paard te komen. Je moet er toch niet voor de heren van de vroedschap op uit?”

Gosen schudde ontkennend het hoofd.

“Vanmorgen heb ik een missive gebracht aan Steven vanCoeth, de schout in Ermel en dat heb ik lopende gedaan. Maar nu heb ik meer aan een paard. Wanneer ik met de buis aangezeild kom, zullen de Elburgers razend nieuwsgierig worden, omdat ik zonder vis kom. En ik wilde zo min mogelijk opvallen. Ik hoorde verluiden, allerlei geruchten doen de ronde, dat er in Elburg gepreekt wordt. Niet door de pastoor Dirk Dorthe, maar door predikers van elders. Nu Everhardus Doeshborgh hier niet meer is, is er nauwelijks meer gelegenheid om ter kerk te gaan. De onderpaap is misschien wel een beste kerel, maar hij pauzeert te veel. Je weet het, Coert Hinrichs, nu roedendrager, is aan het hoofd van tweehonderd burgers naar het stadhuis getogen om de raad te verzoeken een nieuwe pastoor aan te trekken. En Coert wist best wat voor een hij wilde. De raad wist dat ook. Ze zou omzien, maar tot nu toe ts er niets van gekomen.”

“En nu wilde jij gaan preekhoren in Elburg?”

“Als ’t kan. Maar daarvoor heb ik niet een paard nodig. Die vier uur lopen is voor mijn benen geen bezwaar. Ik wilde echter proberen, een prediker mee naar Harderwijk te krijgen. Men zou hier ook een hagepreek kunnen houden. Bij het Papenbosje bijvoorbeeld.”

Arent de Wilde schudde zijn hoofd.

“Niet nodig. De heren van de raad staan hier wel een kerk af, dunkt me. Maar het is gevaarlijk, waar je op uit bent. ’t Is beter je aan een klein vuur te warmen dan aan een groot te branden.”

Gosen keek hem verbaasd aan. Wat bedoelde Arent daarmee?

“Heren Burgermeesteren Sweer van Hoeckelum en Reyner Wolff hebben Coen Woltersz en zijn vrouw Lumme aangesteld als bewaarders van het Pesthuys buiten de Luttekepoort.”

Je hoeft me geen versjes te leren die ik al ken.”Ben ik ook niet van plan. Ik bedoelde te zeggen, dat in Elburg de pest heerst. Het spreekwoord zegt: wie met een bedelaar vecht wint niets dan luizen. Ik zeg: gevaarlijk is het voor wie in de buurt van pestlijders komt.”

“O, bedoel je dat. Dat kwam van de honger. De pest is aan ’t afgaan.”

Er speelde een glimlachje om de mond van Arent de Wilde. Het had bijna iets spottends, toen hij een stap naar voren deed en voor Gosen bleef staan.Het was hem nu wel duidelijk, dat Gosen vastbesloten was, zijn plan ten uitvoer te brengen, hoe dan ook. Er zat een kop op die achttienjarige visser. Arent steunde op de schoft van een vospaard, het paard, waarop Gosen naar Elburg had willen rijden. Hij had hem vaker bereden.

“Je zult het wel weten, Gosen Zeegers, het is een slechte kok, die de lepel zoekt als de soep overkookt. Jouw paardegang is overbodig. Je kunt er de hele santekraam onder verwedden, dat er morgen in Harderwijk gepreekt wordt.” Triomfantelijk kwam het er uit.

Gosen wist niet wat hij hoorde en zijn mond viel open van verbazing. Hij zag die blik in de ogen van de stalhouder en zijn eerste gedachten was, dat Arent hem in de maling wilde nemen. Het zou net iets voor kwinkslag – Arent zijn. Maar nee, met zo’n ernstige zaak als deze maakte je geen grapjes. Er werd naar verlangd in Harderwijk om preek te horen, maanden al, jaren reeds. Er gingen geruchten, dat het op allerlei plaatsen gebeurde. In Hedel en Batenburg, waarover de graaf Van den Bergh ( s’Heerenberg) te zeggen had, was dat al lang zo, gewoon in de kerk. Dat was ook wel tot Harderwijk doorgedrongen. Hier moest men het doen met het lezen van de werken van Calvijn en het lezen van de bijbel. Maar lang niet iedereen kon lezen, alleen de voornaamsten. De werkende man had geen tijd gehad om te leren lezen. Reeds van kind af hadden ze moeten werken in de weverijen en waar ook. Geld om boeken te kopen, was er niet. Zij konden alleen maar horen. Daarom was juist preekhoren voor hen zo belangrijk. Hoewel, ze kwamen wel in huizen, waar uit de bijbel werd gelezen. In het huis van Mr. Willem Barbier bijvoorbeeld en in dat van de Suech ( Zeug, = onnozele, zonderling ), zoals Johan Jacobs in Harderwijk bekend stond.

“Je meent het niet.”

Het was alles wat hij voor het ogenblik wist te zeggen.

Enkele ogenblikken was het stil. De vos wendde zijn kop naar zijn baas en hinnikte zachtjes. De staldeur stond open. De buitenlucht lokte.

Arent de Wilde richtte zich op en gaf het paard een geruststellend klopje op de nek. Dan wende hij zich weer naar Gosen.

“De secretaris Daniël Renssen was hier even geleden en liet het nieuws achter. Het zal een grote dag voor onze stad zijn, Gosen Zeegers, als Roodbaard hier komt preken.”

De ogen van Gosen werden groot van verbazing. “Wat zei je? Roodbaard?”

“Precies, Johan van der Linden en niemand anders, de beste prediker, die ik op het ogenblik zou kunnen noemen. Gisteren heeft hij in Hattem op de markt gepreekt. Ze kregen daar de kans niet om in de kerk te komen. Halfpaap uit Elburg, je kent hem, Hendrick van Holte, zo noemde zijn vader hem, heeft Roodbaard meegenomen. Ik denk, dat ze vandaag in Elburg feest hebben gehad. Een blijde dag genoten, een goede dag.”

Gosen’s mond viel open van verbazing. Dit was meer dan hij ooit had kunnen hopen. Hij had iets voor zijn stad willen doen en het was niet meer nodig. Zijn gebed en dat van zijn vader was al verhoord nog voor ze het wisten. Hij wilde iets zeggen, doch op datzelfde ogenblik klonken er hoefslagen buiten. Hij hoorde iemand “Ho”zeggen en wende verbaasd het hoofd naar de deur. Er was iets bekend in die stem. Toen verscheen een gestalte in de deuropening, gehuld in een wijde, zwarte ruitermantel, die een paard aan de teugel meevoerde.

Gosen haalde opgelucht adem.

Wolter Hubrechtse, precies de man die hij hebben moest.

“Zo, geuzengebroed. Waarom de handen ledig?”

“Wat je zegt, stadsloper. Je schijnt nogal zelfkennis te hebben. Het is toch maar zo, een vuil varken zal altijd proberen de andere ook vuil te maken. Misschien weet je het niet, maar onze handen zijn niet ledig. Er zit jeuk in, jeuk om jou te lijf te gaan. Wat voor nieuws breng je? Maar geef eerst je paard hier. Jij kunt voor jezelf zorgen, dat dier niet.”

“Ja, Ja, Arent de Wilde, ik hoor het al weer: Wat het hart prevelt, mompelt de mond. Jijzelf bent meer paard dan mens.”

“Misschien heb je wel gelijk. Maar laat ik je dan dit zeggen, op een paard kun je je verlaten, op de meeste mensen niet. En wanneer daar dan nog mensen onder zijn als een zekere Wolter Hubrechtse, wacht je dan maar.”

“Zeker, Kwinkslag – Arent. Ons leven is gemerkt, zoals de muziek, met witte en zwarte noten. Een iet jolijt komt ieder mens te sta.”

Arent is bar nieuwsgierig. De stadsloper is nog nimmer teruggekeerd zonder groot nieuws.

“Jij had het over nieuws, dat je zou vertellen.”

“Zeker, zeker. Maar dat komt wel, heb maar geduld. Jij bent ook altijd heetgebakerd. Een wolf heeft altijd het oog op het schaap. Zo jij op nieuws. Maar ik help je met het paard. Het dier heeft mij gedragen en voor wat hoort wat. Van mijn kant is dit een vriendendienst, maar niet voor jou. Laat je dat gezegd zijn.”

Het gezicht van Gosen stond rood van opwinding. Groot nieuws had hij van Arent te horen gekregen. Waarschijnlijk zou er uit de mond van Wolter nog meer komen. En dat zou dan als sprokkelvuur dor Harderwijk wegspringen, straat op en straat af, huis in en straat uit. Er waren grote dingen op til. En straks moest hij Wolter alleen spreken. Hij had ook het een en ander te vertellen. Fijn, dat hij was komen opdagen.

Toen het paard verzorgd was en het de snuit in het verse hooi stak, stonden twee mannen en een jonkman bij elkaar en keken elkaar aan.

“ De stad van Harderwijk lijkt wel behekst,”zei Wolter Hebrechtse, terwijl een brede grijns over zijn gelaat trok. Wijmpien krijgt nooit het nieuws uit de eerste hand en ze wil toch zo graag wat weten. Bijvoorbeeld, dat er bij Den Bosch een hagepreek is gehouden, warbij wel vierduizend toehoorders aanwezig waren. Waarom krijgen wij hier zoiets niet?”

Gosen gaf Arent een por met de elleboog.

“Laat hij eerst vertellen, Arent, dan wij. Voor wat hoort wat heeft hij daarnet zelf gezegd,”zei Gosen.

Het gebaar van verstandhouding was Wolter niet ontgaan, doch hij deed alsof hij het niet gemerkt had.

“Nu, het zal wel komen. Maar wat wel opschudding zal brengen in het hele land, dat is, dat in de Zuidelijke Nederlanden wilde stormen over het land woeden. Nooit tevoren zoiets gezien of er van gehoord. Beeldenstorm!”

Hij zweeg enkele ogenblikken om zijn woorden goed tot de anderen te doen doordringen. Ze keken hem een beetje onnozel aan, niet begrijpend wat hij toch bedoelde. Arent de Wilde verbrak tenslotte de stilte.

“Aan jou wordt het bewaarheid,”merkte hij toen langs zijn neus weg op, “wat nut het de stamelaar, dat zijn grootvader welsprekend was. Jij spreekt als altijd in raadsels.”

“Tut, tut, Arent, niet zo driftig tegen een vermoeid mens. Ik ben daarnet met Daniël Renssen en Ernst Witten van de landdag in Nijmegen teruggekeerd. Zij gingen daarheen in opdracht van onze Raad om met klem aan te dringen op “die afstellinge der geferlichen iquisition.” Zij hebben ook laten weten, dat Harderwijk bereid was, toe te treden tot het verbond der Edelen, zoals andere steden dat reeds gedaan hebben. Nijmegen bijvoorbeeld. Daar weten ze van doorzetten. Laat ik je vertellen, jongens, dat ik daar in de Sint Stevenskerk geen enkele pop meer gezien heb. Het was voor een zekere prediker Johannes een kleine moeite om de hoorders tot daden te doen komen. Jawel, de Beeldenstorm is naar Nijmegen overgewaaid. De Raad heeft daar aan Protestanten en Roomsen vrijheid van godsdienst gegeven. Je ziet het, het is vaak dichterbij dan je denkt. En wanneer zullen we het hier eens krijgen? Onze magistraat wil al jaren de goede kant op, maar er gebeurt niets. Maar ik moet maken, dat ik bij Wympien kom. Het zal haar al wel overgebriefd zijn, dat ik mijn gezicht in Harderwijk heb laten zien. En ik kan er niet tegen, dat ze me lelijk aankijkt.”

Wolter Hubrechtse scheen opeens erge haast te hebben voor een der beide anderen iets had kunnen zeggen, was hij de straat al op.

Zijn woorden hadden zo’n indruk gemaakt, dat Arent en Gosen er niet aan dachten om hun grote nieuws aan Wolter door te geven. Maar toen het opeens tot Gosen doordrong, dat de stadsloper verdwenen was, stormde hij de straat op, hem achterna.

“Wolter, wacht. Ik moet je spreken. Het is belangrijk.”

Wolter Hubrechtse hield de pas in en Gosen voegde zich bij hem.

“O,ja?”

In de ogen van Gosen Zeegers brandde vuur.

Snel bracht hij Wolter op de hoogte van wat Diedel hem had verteld en wat hij zelf bij de Luttekepoort had gezien en gehoord. Toen ze de Kleine Marktstraat insloegen, knikte Wolter.

“Hm. Nu, dat heeft dan lang geduurd. Ik had zoiets al veel eerder verwacht, alleen niet, dat ze Wege Elbertse er op aan zouden kijken. Dat is wel heel eigenaardig. Maar dat is het hem nu net, je weet nooit precies hoe de vijand te werk gaat om een spoor in handen te krijgen. Opgeven doen ze het nooit. Blij, dat je het mij gezegd hebt. Ik zal Wege op de hoogte brengen. Wij weten nu tenminste wie wij in de gaten moeten houden. Let goed op, Gosen Zeegers. Een kleine bijzonderheid kan van belang zijn. Maar Wege loopt geen direkt gevaar.”

Ze staken de markt over naar de Kleine Oosterwijk en toen Gosen de deur van zijn ouderlijk huis openduwde, wist hij nog heel wat meer.

Het was stil in huis. Het vorige jaar was zijn moeder aan de pest gestorven. Sindsdien was het eenzaam in huis geworden. Gosen en zijn vader scharrelden daar nu samen wat rond. Zijn vader was er met de schuit op uit. Vanavond zou hij wel terug komen met een voorraad vis. Hij liet zich in een hoek van het kamertje op een stoel zakken en staarde door de kleine ruitjes naar de straat, die verlaten voor het huis lag. Hij had zoveel om over na te denken.

De edelen van het verbond, behalve dan Van Megen en enkele anderen, die zich hadden teruggetrokken, waren weer bij elkaar geweest, omdat ze hadden begrepen, dat de landvoogdes hen aan het lijntje hield. Nu, dat deed Greetje. Er broeide iets. Het broeide overal. In de stede van Harderwijk nte zo goed, hij wist het van zeer nabij. Wolter had tegen hem gezegd, dat men in Antwerpen bereid was om tegen de landvoogdes in opstand te komen. Maar de verrader sliep niet. Het werd haar wel overgebriefd en zij stuurde de graven van Megen en Aremberg er op af. Die hadden gevraagd om binnengelaten te worden, doch dat was niet zo vlot gegaan. Wat de Antwerpenaren wel deden was,onmiddellijk de leden van het Verbond om hulp te vragen. Hendrik van Brederode, heer van Vianen, kwam met honderdvijftig ruiters de stad te hulp en nestelde zich daar. Er moet ook de een of andere rel zijn geweest, waarbij de sleutels van de stad aan de magistraat werden ontfutseld. Het was alleen jammer, dat Brederode niet meteen tot daden was overgegaan. Hij bleef in Antwerpen rondhangen zonder iets te doen. Enkele dagen na hem kwam Willem van Oranje daarheen, door de landvoogdes gezonden. Hij werd wel binnengelaten. Hem vertrouwde men. Hij wás ook te vertrouwen. Maar van gewapend verzet wilde hij niet weten. Hij had geprobeerd, de Beeldenstorm tegen te houden, doch dat was hem niet gelukt.

Gosen knikte stil voor zich heen.

Morgen zou er een prediker in Harderwijk zijn. Dat moest toch wel een geweldige gebeurtenis zijn. En het zou nog heel iets anders zijn dan destijds, toen Everhardus Doesborgh preekte. Zou de Beeldenstorm ook naar Harderwijk overwaaien?

Hij stond op en haalde een isnet uit het achterhuis, dat geboet moest worden. Hij was niet gewend om stil te zitten. En onder het werk kon hij zijn gedachten ook laten gaan. Eén ding wist hij: er ging iets gebeuren.

Nu, hij was er klaar voor om mee te doen.

Einde hoofdstuk 8

 

Dit bericht was geplaatst in 't Geuzenjonk van Harderwijck.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *