H.G. Haasloop Werner.

 

Levensbericht van Heinrich Gottfried Haasloop Werner.

 

Geboren: 16 april 1792 te Cleve.

Overleden: 29 september 1846 te Elburg.

 

Alvorens een aantal verhalen van deze man te publiceren plaats ik eerst dit levensbericht.

 

Heinrich Gottfried Werner, zoon van Herman Thomas Haasloop en Cornelia van Hacke, werd op den 16den April 1792 te Cleve geboren. Hij heeft echter zijne opvoeding te danken aan zijnen peetoom DE GEYER, commissaris van Oorlog te Aurich ( Oost-Friesland ), die hem bestemde voor het administratieve; maar…l’homme propose-Dieu dispose! Het laatste geschiedde hier door middel der trawanten van den toenmaligen wereldbedwinger, die op 14 November 1811 onzen Haasloop als refractair consrit opligtten en wegvoerden naar Parijs, zonder hem den tijd te gunnen, om bij wijze van afscheid te klagen “zijn nood aan hof en wanden enz.” Zijn peetoom, die niet wist waar hij gestoven of gevlogen was, werd eindelijk uit de onzekerheid gered door eene missive van den reiziger malgré lui, inhoudende verzoek om hem eenige kleeren en “reisbenoodigheden”  na te zenden.

In plaats van de pen moest Haasloop voortaan het zwaard voeren, en wel als flankeur bij de jonge keizerlijke garde. Hij was echter de man niet om de veêren te laten hangen; maar schikte zich gelaten in zijn lot, en “ liet zich vlijtig exerceren”, zoodat hij reeds binnen de drie maanden de fourierstreep op den mouw kreeg.

Soldaat wezen was destijds, zoo als bekendis, geene sinecuur; en dit ondervond spoedig ook onze jeugdige krijger, daar hij, na eerst sergeant-majoor te zijn bevorderd, in September van het zelfde jaar nog aan den tocht naar Rusland moest deelnemen – een veldtocht, dien de meest geharde veteranen zelfs niet kunnen hooren noemen, zonder dat hun nog eene koude rilling door de leden gaat. Ook onze held keerde niet ongeschonden weder: bij Polotsk verloor hij een vingerlid door eene sabelhouw over de linkerhand, en op den terugtogt bevroren zijne beenen, zoodat hij te Dantzig het hospitaal moest betrekken, in plaats van er te worden ingelijfd onder de garde du roi de Rôme.

Het moeten voor hem dagen geweest zijn van lijden en ontberen, ten minste de eerste dagen, die hij hier sleet; doch toegerust met de gave, om zich naar iederen toestand te voegen, wist hij ook hier zijn lot zich dragelijk te maken. Door eenen B.V.M. werden hem de noodige middelen verschaft, om soldaten van verschillende wapenen te teekenen, en deze verkocht hij aan zijn minder berooide wapenbroeders. Wij gelooven niet, te oordeelen naar de latere producten zijner teekenpen, dat die conterfeitsels op aesthetische waarde konden bogen, maar durven wel verzekeren, dat zij, wat naauwkeurigheid betreft, niets te wenschen zullen hebben overgelaten, en men b.v. zeer goed zal hebben kunnen onderscheiden en infanterist van een cavalerist, ook zonder naar de sporen te zien, en een tamboer-majoor van een generaal.

Zijn lot, dat altijd nog treurig was, nam eindelijk eene gunstiger wending. Hij hoorde namelijk op zekeren tijd een bekenden naam noemen, den naam zoo hij meende van een aangehuwden schoon nog onbekenden neef, schreef dezen een briefje, en eene beleefde invitatie bewees, dat zijn vermoeden gegrond was geweest. Voor dat hij eventueel ten huize van zijnen neef kon verschijnen, moest hij eene geweldige hervorming ondergaan, daar zijn garderobe op de Russischen togt niet weinig had geleden. Ook de livrijknecht, die hem de invitatie bracht, had dit opgemerkt, en kwam spoedig ten tweeden male met een credietbriefje, dat hem in staat stelde zich te vervoegen tot eene soortgelijke inrichting, als die van Mozes a. Son te Londen, waar men de kunst verstaat, om in een oogenblik den bedelaar in eenen prins te hervormen.

Van dezen tijd af was het geen lijden en ontberen meer, en ook het uitzicht op bevordering werd hem geopend; maar Haasloop zou zich toen reeds met eenige lotgenooten hebben verbonden, om de zijde te kiezen van hen, die de wapenen hadden aangegord voor Duitschlands bevrijding. Het is ons echter niet gebleken, dat Haasloop zich aan desertie heeft schuldig gemaakt; maar wel, dat hij, op marsch naar Maagdenburg, even buiten Dantzig, den Kozakken in handen viel, die hem naar Narwa voerden, en…..hiermede eindigde de levensloop van Haasloop, wiens naam toen van de lijst der levenden werd geschrapt. Uit zijne asch verrees echter “ der Unterofficier Hasselob Werner”, die zich op 29 Maart 1813 bij het Russisch-Duitsch legioen engageerde, en wiens naam men vruchteloos op de lijst der vermisten of gedeserteerden zou zoeken, wannneer de krijgskans hem in de handen der Franschen mogt doen vallen.

Daar Haasloop Werner, zoo als hij voortaan werd genoemd, zich slechts had verbonden voor den toenmalige oorlog, vroeg en verkreeg hij reeds in October 1813 zijn eervol ontslag. Van de voorwaarde, dat hij zich in het zuiden van Rusland zou mogen vestigen, ingeval hij het niet geraden mocht achten naar zijn vaderland terug te keeren, behoefde hij, sedert de val van Napoleon, geen gebruik te maken, en het verlangen, om zijne familie weder te zien, dreef hem eerst naar Cleve en toen naar Aurich; maar – zijn vader en oom waren beiden overleden.

Hij stond nu weder eenzaam en verlaten, en geene keuze bleef hem open, dan voort te gaan, om met de wapenen in de hand zich eenen weg te banen door het leven. Met behoud van naam en rang nam hij dan den 13den Februarij 1814 weder dienst, en wel bij het 4de legioen Oranje Holland te Schweedt. Vier maanden later werd hij overgeplaatst bij het 16de batailjon landmilitie, dat in 1815 den naam ontving van batailjon Nationale Militie no.6.

Weinig bijzonderheden uit zijn militair leven zijn ons bekend; want het lag niet in den aard van “Hasse-Lob” ( zoo als de overste te Narwa zijnen naam schreef ) om veel van zijn eigen ik te spreken. Blijk genoeg van “trouw volbrachte dienst”toch mogen wij het weten, dat hij niet alleen in rang is opgeklommen tot kapitein, waartoe hij in 1836 werd benoemd, maar ook dat de Militaire Willemsorde zijne borst sierde.

Reeds vóór dat hij in 1816 de epauletten als tweede luitenant verwierf, heeft hij op het punt gestaan de ridderorde te ontvangen; maar het talent, dat hem te Dantzig uit den nood hielp, bracht hem hier in ’t lijden. Op zekeren dag namelijk, toen hij op de voordracht stond, om tot ridder te worden geslagen, heerschte er in de kazerne eene buitengewone vrolijkheid, waarin zelfs de subalterne officieren deelden. De niet algemeen beminde overste kwam, en zag…op den muur der kazerne eene zeer gelijkende maar weinig vleiende afbeelding zijner niet Adonische gestalte en gelaatstrekken, met houtskool gemaald, waarover hij zóó gesticht was, dat hij onzen kunstenaar van de voordracht schrapte- die “des alniettemin” toch later de ridderorde ontving; maar toen buiten bezwaar van Rijks schatkist.

Op de veel bewogen jeugd volgden nu de dagen van kalmte. Zijn leven geleek voortaan eene rivier, die stil en rustig door eene effene vlakte naar de oneindige zee vloeit, waarin zij zich onopgemerkt zou verliezen, zoo haar loop niet door lachende velden en vruchtbare akkers werd verraden. Zoo toch heeft ook Haasloop, hoewel hij in den laatsten tijd stil en bijna afgezonderd leefde, te veel goeds gewrocht, en in zijne onmiddelijke omgeving te veel bijgedragen ter veraangenaming des levens, om hem niet te herdenken, nu hij aan de natuur den tol heeft betaald.

Als kind reeds uit de ouderlijke woning vertrokken, als jongeling weggevoerd, om door de wereld te zwerven, had Haasloop Werner geleerd zich overal thuis te gevoelen; hij was een boom, die niet verwelkt, wanneer hij wordt overgeplant, maar in den nieuwen grond spoedig weder wortel schiet. De wereld was zijn vaderland; iedere plaats, waar hij korteren of langeren tijd vertoefde, was het voorwerp zijner belangstelling, die zich vooral openbaarde in de zucht, om hare geschiedenis te ontcijveren uit de archieven en overblijfselen van vroegere dagen.

Blokzijl, Kampen, Hoorn, de Helder, maar vooral Elburg kunnen dit getuigen. Uit den bouwtrant en de opschriften van oude huizen en gebouwen las hij hunne primitieve bestemming; opgegraven voorwerpen vertelden hem, wie de vroegere bewoners waren geweest van den bodem, en welke veranderingen die bodem in verloop van eeuwen hadden ondergaan.

Elburg Haasloop Werner

Haasloop Werner was in 1825, toen hij in Kampen in garnizoen lag, gehuwd met Johanna van der Upwich, die eenige tijd later zich metterwoon vestigde te Elburg en op het daarbij gelegen ouderlijk landgoed de Hare. Hier leefde Haasloop nu, nadat hij in 1842 als kapitein werd gepensioneerd, stil en als ambteloos burger in den schoot van zijn gezin, en wijdde zich geheel toe aan zijne studie en aan de opvoeding zijner kinderen, t.w. vier dochters, waarvan de tweede is gehuwd met Dr. C.P. Burger, thans hoogleeraar te Delft, en een zoon, in vele opzichten zijn evenbeeld, die als zeeman reeds eenige jaren de wereld heeft rondgezworven, en den rang van kapitein ter koopvaardij bereikt heeft.

Wie Haasloop niet van nabij kende, zou hem misschien, om zijne afgezonderde levenswijze, voor een misanthroop hebben kunnen houden; maar ik durf verklaren, dat hij er een waar tegenvoeter van was. Dat zijne wapenbroeders en andere getuigen, of hij niet was een joviaal makker, en de ziel der gezellige bijeenkomsten, waar het nuttige was gepaard aan het aangename, en of hij niet met vol recht het utile et amusant van den voorhang des houten tempels van Thalia en Melpomene te Amsterdam tot zijn devies zou hebben kunnen kiezen. Werkzaam te zijn was bij Haasloop eene passie; nuttig te wezen, andere bij te staan en te helpen, was hem eene behoefte. Tijdverveling was voor hem eene onbekende ziekte, en te vergeefs zou men hem hebben gezocht op die plaatsen en in die gezelschappen, waar tijddooden eene hoofdbezigheid was. Hoewel geene maatschappelijke betrekkingen hem werk verschaften, was hij toch altijd met onvermoeiden ijver bezig, niet om zich zelven eene eerzuil te stichten, maar – om de steenen aan te dragen voor die van anderen, of om meer materieel belang zijner medemenschen te bevorderen.

Ik zzeide zoo even, dat Elburg vooral het voorwerp was van zijne belangstelling, en, zoo ik geloof, niet zonder reden. Haasloop was voor deze stad, wat b.v. Wagenaar voor Amsterdam, Moulin voor Kampen, van Hattum voor Zwolle, en zoo vele anderen stedebeschrijvers voor de plaats hunner inwoning zijn geweest, evenwel met dit onderscheid, dat niet de drukpers, maar alleen zijne onvermoeide pen en teekenstift een aantal exemplaren der beschrijving van Elburg in het aanzijn heeft geroepen, geillustreerd door afbeeldingen, waardoor aan de vergetelheid zijn ontrukt de torens en poorten, die Elburg hebben omringd, voor dat zij opgeofferd werden aan plantsoenen en Engelsche kronkelpaden.

Haasloop sloot zijne belangstelling niet op binnen de wallen der kleine voormalige vesting, maar breidde ze uit over de geheele Veluwe, die het voorwerp was zijner onderzoekingen, nu eens met eenig liefderijk doel, dan weder in het belang der wetenschap. Immers toen Ds. Heldring na lang zwoegen eindelijk water had gekregen te Hoenderloo en er ook eene school wilde stichten, achtten beide philanthropen wandelingen over de Veluwe niet te vermoeiend om dit plan te bevorderen. Toen Kist en Roijaards bezig waren aan het reuzenwerk, Archief voor Kerkgeschiedenis, nam Haasloop op nieuw den wandelstaf in de hand, om met pen en teekenstift gewapend, de kerken op de Veluwe een bezoekje te brengen, welke wandelingen reeds waren voorafgegaan door een uitstapje van Kampen naar Arnhem, waarop hij zich ook als een trouw kerkbezoeker heeft doen kennen.

Maar veel meer dan door deze en zoo vele anderen pennnevruchten, als er van hem zijn opgenomen in den Geldersche Volksalmanak, in het Nederlandsch Magazijn, enz., heeft Haasloop Werner de wetenschap aan zich verplicht door den onvermoeiden ijver, waarmede hij ten tijde, en wel geheel belangeloos, een ieder ten dienste stond, die zijne hulp behoefde. Hij was een van die mannen, welke hun leven toewijden aan het verzamelen van bouwstoffen – een van het corps onmisbare opperlieden, zonder wier bijstand menig voornaam bouwheer zijnen naam niet door grootsch gesticht zou hebben vereeuwigd.

De Overveluwe, toen nog in zekeren zin voor den archeoloog een weinig bekend binnenland, was voor hem een Californië; met eene gretigheid als die der schatgravers, zocht hij uit sagen en overleveringen, uit plaatsbenamingen, uit gevonden steenen, potscherven en andere voorwerpen goud voor de geschiedenis op te delven; en niemand voorzeker, die er beter toe in de gelegenheid was dan hij, sedert zijn naam als antiquarius van Elburgs omstreken eenmaal was gevestigd. Ieder toch, die een verroest muntstuk, een oud handschrift, een steen van buitengewoon vorm of eenig ander bijzonder voorwerp ondekte, stelde het Haasloop ter hand, en al bleek ook veel van hetgeen men hem aanbood, geen gouderts te zijn, toch heeft hij op deze wijze menigen korrel bijeen verzameld, niet om er zich zelven eene kroon van te smeden, maar om ze in het belang der wetenschap aan anderen af te staan.

De musea te Zwolle en te Leiden bezitten van hem menig steenen werktuig of wapen van de oudste bewoners van de Veluwe, en versteeningen, die tot ons spreken van den alouden toestand des bodems. ( Zijn verzameling van Oudheden is na zijn dood, in zijnen geest, door de erfgenamen overgedaan aan het Museum van Oudheden te Leiden.) Aan van der Aa leverde hij voor het Geographisch Woordenboek tal van plaatsbeschrijvingen. Voor Kist en Roijaards bezocht hij, zoo als wij gezegd hebben, de kerken der Veluwe, las uit den bouwtrant den ouderdom van het geheel of de deelen, veegde het stof der tijden af van den naam des schutspatroons, en zocht verder bijeen wat hun voor het Archief van dienst kon zijn. Voor de Geologische kaart van Dr. Staring onderzocht hij nog eens meer bepaaldelijk den bodem, waarop hij reeds zoo vele voetstappen had gezet, en vooral toonde hij zich den naam Hasse-Lob waardig, daar ook aan nobodies op het gebied der letterkunde zijne schatten af te staan. Immers heeft de schrijver van zijn levensbericht het uitsluitend aan hem te danken, dat hij bij het eerste optreden niet “door het krakend ijs” is gevallen, maar dat zijn eersteling eenige historische waarde bezat. ( Reinald de Vos van Steenwijk en Aleid van Putten in het Leeskabinet, 1842, was slechts de omwerking van een opstel door Haasloop Werner geleverd.)

Het was niet alleen met de pen, maar ook met de teekenstift, dat Haasloop Werner zich verdienstelijk wist te maken. Met gelijke accuratesse, als waarmede hij te Dantzig soldaten teekende en later den overste portretteerde, leverde hij afbeeldingen van oude gebouwen, kerken, klokken met hare opschriften, handschriften, zegels en wapens, muurschilderingen, zelfs van de kleederdrachten der plattelandsbewoners, en wel in zoo grooten getale, dat men zijn geduld en onvermoeide werkzaamheid moest bewonderen. ( Eenige handschriftelijke aanteekeningen en zegels, alsmede facsimilés van klokopschriften op de Veluwe, zijn na zijnen dood ten geschenke gegeven aan de Maatschappij der Nederl. Letterkunde.) Een te Garderen op de Veluwe gevonden Christus-beeldje is door hem geteekend en in den Kalender voor de Protestanten in Nederland verschenen met toelichtenden tekst van W.M[oll].

Zoo veel verdienste bleef dan ook niet opgemerkt: het Historisch Gezelschap te Utrecht bood hem een lidmaatschap aan, waarvoor hij echter bedankte; de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde benoemde hem in 1852 tot haar lid, en het hoog bestuur erkende zijne diensten aan Dr. Staring bewezen, door een presentexemplaar van de Geologische kaart der Nederlanden.

Al is het dan ook, dat de naam van Haasloop Werner niet prijkt op den gevel van eenig trotsch gebouw door hem gesticht, toch heeft hij menigen steen geleverd aan werken, dien den tands des tijds lang zullen trotseren.

 

Elburg, Julij 1865.

E. van der Maaten.

hendrik van grietjen

 

 

 

 

Dit bericht was geplaatst in H.G. Haasloop Werner..

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *