Harderwijk als hanzestad 11

 

 

 

Hoofdstuk 11

Bijna geen enkel misdrijf, hoe gering ook, of er stond eene boete op; eene kleine wonde aan hoofd of ledematen toegebracht werd gestraft met 2 pond, gelijk 12 gulden; had men iemand een slag met een stok, knuppel of kodde gegeven, zoodanig dat de getroffene de teekenen der slagen vertoonen kon, dan werd de beleediger veroordeeld tot betaling van 2 tot 10 pond, benevens het geven van schadeloosstelling; had deze of geene woesteling zijne tegenpartij eene matewonde toegebracht, en, kwam deze recht vragen bij de Schout dan stond de bode met de roede – zoo heette de deurwaarder – met maatstok of band gereed om de lengte der snede behoorlijk te meten, terwijl de te betalen som dan in rechte reden stond tot de groote de verwonding; bovendien werd de vechtersbaas in vele gevallen veroordeeld, zich door den beul de hand te laten afhakken.

In tappen of taveernen, op de vrije jaarmarkten en ter plaatse waar het lossen en inladen der handelswaren het bijeen zijn van vele mannen noodig maakte, was men vaak allesbehalve vredelievend gezind; althans vechtpartijen op den openbaren weg en in de herbergen behoorden helaas niet tot de zeldzaamheden; kodden, messen en tanden waren de meest gebruikelijke middelen van aanval en verdediging.

Om die ruwheid zooveel als doenlijk was tegen te gaan hadden de rechters eene zware straf  gesteld op het havenen en toetakelen van het gezicht; want had een wilde gast zijn tegenstander neus of oor afgebeten, hij moest dan behalve eene ruime schadeloosstelling aan den verminkte nog eene boete betalen van niet minder dan 15 pond.

Onder het schoone geslacht vond men binnen Harderwijk mergera’s en xantippes, die het niet altijd bij eene kakelpartij lieten afloopen, maar het haar van nature geschonken verdedigingsmiddel meer dan flink wisten te gebruiken. In de vonnissen komt men menig geval voor dat vechtende vrouwen met zware boeten, geseling en tepronk stelling zijn gestraft voor het uitkrabben van iemands oog, of omdat ze haar manneljke of vrouwelijke tegenpartij op afschuwelijke manier het gelaat hadden verminkt. Het eerste misdrijf werd gestraft met eene boete van 10 pond, plus “verdere correctie”.

Reeds vroeg hebben Schout en Schepenen willen waken voor het schenden van den huisvrede, dat wil zeggen, ze verboden ten strengste en straften onmiddellijk ieder, die met geweld de woning van een ander was binnengedrongen, om zichzelven recht te verschaffen door etrug te nemen wat wederrechtelijk was weggenomen, en daarbij dikwijls een goede dracht slagen, bij wijze verloopen interest, te geven of te ontvangen.

Evenmin mocht een Schoutenknecht zonder bepaald opdracht van Schepenen, iemand onder vermoeden liggende, uit zijn woning halen en naar de gevangenis slepen.

Werd iemand op heeterdaad betrapt diefstal te hebben gepleegd, of zich aan doodslag te hebben schuldig gemaakt, dan was het vonnis spoedig geveld en even gauw voltrokken. Het oog om oog en tand om tand was de grondslag der rechtspraak; op doodslag stond de doodstraf, in de 14de eeuw en het begin der 15de eeuw in den regel nog verzwaard met verbeurdverklaring der bezittingen van den veroordeelde, waardoor diens gezin in ellende werd gestort.

Kon men evenwel het misdrijf van den aangeklaagde niet voor den rechter bewijzen, dan werd de zaak moeilijker en hing veel af van de geloofwaardigheid der getuigen en ’s mans verleden.

Nooit mocht men hem ten kamp dragen, dat is: een zoogenaamd Godsoordeel zou, in voor den rechter twijfelachtige gevallen, niet meer mogen beslissen. Zoo bijv. moest de beschuldigde vroeger de rechterhand in een zeer heet gemaakte handschoen steken; werden nu geen brandwonden ontdekt op dat lichaamsdeel, dan werd de aantijging voor valsch gehouden.

Ook wierp men hem, die van eenig misdrijf verdacht werd, aan handen en voeten gebonden in zee; bleef hij drijvende, dan was de man onschuldig als een zuigeling, maar zonk hij, dan had onze Lieve Heer uitspraak gedaan en den booswicht naar behooren gestraft.

De boete moest altijd in drie deelen verdeeld worden, een derde kwam aan de Schout, die daarvan de pachtsom van zijn ambt aan den Hertog betaalde, een derde deel viel den Schepenen ten deel, terwijl het overige eene bate was voor Harderwijk, welke stad in haar goede dagen groote inkomsten trok uit eigendommen, pachten, huren, enz., maar ook vele uitgaven had te doen voor bezoldigingen der talrijke hooge en lage officianten.

De eersten zijn meest allen genoemd, zooals: Burgermeesters, Schepenen, Raden, Baljuw, Schout, Wardeins, Gemeensluyden, de Officieren, de pachters der verschillende accijnsen en de Heer van elke gebuurte door de poorters zelve gekozen. Van de kleine officiën is ook reeds een enkele maal gesproken. Sommigen dier kleine posten, zooals ze in dien tijd genoemd werden, hadden in gewicht, in aanzien verloren.

Zoo werd het ambt van koster en dat van meester der schole eertijds door de Geldersche Hertogen vergeven, later trok de magistraat de vergeving daarvan aan zich, het onderwijs zoude zij zelve regelen. De Secretaris of Klerk behoorde in de 15de eeuw evenzeer tot de lagere suppoosten, ook de Rector der Latijnsche school, die met zijn helpers, submonitoren voor de opvoeding van soms 300 leerlingen had te zorgen, waaronder vele uitheemschen.

Eerst in 1600 vonden de Edelmogende Heeren Staten van het Veluwkwartier goed, de oude, zeer vervallen school op beteren voet in te richten en schonk Prins Maurits van Nassau daartoe zijn steun, tengevolge waarvan het aanzien van Rector en praeceptoren werd verhoogd.

Tot de stedelijke suppoosten moeten nog gerekend worden de boden met de bus, zoogenoemd omdat zij brieven en bescheiden in een grooten blikken koker, waarop het wapen der stad was geschilderd, van het Raadhuis naar de leden van het bestuur brachten.

De Schoutenknechten, door Schepenen aangesteld, met goedkeuring van den Schout, zorgden voor de trouwe naleving van alles, wat door de rechterlijke macht was bevolen voor de veiligheid der stad en der Stedelijke Vrijheid ( het gebied van Harderwijk buiten de wallen ) .

Elke gevangenis had zijn steen of blokmeester, wien de bewaking der in de kerker opgeslotenen was toevertrouwd. De Vestmeesters hadden de zorg te dragen voor de veiligheid der vesting. Zij hielden toezicht op alles, wat de verdediging en bewapening van Harderwijk betrof dus op de z.g. doode weermiddelen.

Straat – , beek – , en weidemeesters, allen behoorlijk gesalarieerd, zorgden voor het plaveisel, het zooveel mogelijk rein houden van den publiekenweg, het loozen van het beekwater in de grachten of in zee, en het opzicht der uitgestrekte weilanden langs de zeekust.

Dit bericht was geplaatst in Harderwijk als Hanzestad.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *