Harderwijk als hanzestad 1

 

 

 

Hoofdstuk 1

Elke stad van eenige historische beteekenis heeft hare jeugd, haar bloeitijd en haar tijdperk van verval. Dorpen groeiden aan tot steden en steden zonken terug tot onbeduidende plaatjes, die bijna geen spoor meer aanwijzen van vroegere grootheid.

Zoo sprak men tot voor ongeveer twintig jaren van Harderwijk als behoorende tot de “Villes Mortes”. Een reiziger echter, die, hetzij door handelsrelatieën, hetzij als afgevaardigde van vorst of gewest Harderwijk had bezocht in de 15de of 16de eeuw, zou ongetwijfeld noch van eene doode, noch van eene doodsche stad hebben gesproken; immers door een bloeiende handel, groote nijverheid en eene belangrijke visscherij heerschte in die dagen een opgewekt volksleven, dat niet zoo spoedig ten onder gebracht door geduchte oorlogen, integendeel krachtiger werd tot der stede zonne haar toppunt bereikte, en zij het elfde lot moest deelen met hare vele zusteren in Holland en Friesland.

Hoe oud de plaats onzer inwoning is, zal wel niet meer met zekerheid zijn aan te wijzen; gerust mag men evenwel aannemen, dat reeds eeuwen voor zij van dorp tot poortersplaats opklom, hier eene aanzienlijke buurtschap bestond, waarvan de bewoners door landbouw en veeteelt en eerst veel later door visscherij en zeehandel in hun onderhoud voorzagen.

In het midden de 13de eeuw was onze Zuiderzee nog maar een klein meer met vlakke, lage oevers bedekt met oorspronkelijke bosschen. Rijn en IJsel stroomden er door en ontlastten zich verder door verschillenden monden in de Noordzee. Maar het water won meer en meer veld, de Allerheiligenvloed sloeg al het land weg tusschen Medenblik en Stavoren en het meer zuidelijke gedeelte zag plassen, meren en kreken bij elken stormvloed vergrootten oerbosch en veenweidengrond strekten zich evenwel toen nog uit het noorden van onze stad, die eerst in de volgende eeuw eene zeeplaats werd.

Terugwijkend voor de steeds verder landwaarts indringende wateren, vond men hier op meer heuvelachtig terrein een vaster grondslag, eene minder onveilige woonstede; voorts zal een kasteel of eene abdij, evenals zulks bij een overgroot andere steden het geval was, wel aanleiding hebben gegeven tot grooter centralisatie want overal zocht de hier en daar verspreide bevolking bescherming voor lijf en have bij het zwaard en het kruis Door arbeid en handel, de laatste vooral het bewijs eener toenemende beschaving, werd ook hier de welvaart verhoogd en trachtte men voortdurend meer zorg te dragen voor eigen veiligheid.

Daarom ook schonken vele vorsten van ’t Graafschap, later Hertog van Gelder, ter bevordering van hun eigen belang de opkomende handelsstad zekere privilegieën. Zoo kreeg zij vergunning om in de eerste helft der 13de eeuw de plaats meer te bevestigen; een houten omwalling en houten poorten verrezen, terwijl een zware weg de verdedigingswerken moest voltooien, en hoe primitief zulk eene borstwering ons nu ook moge toeschijnen, toch was er de veiligheid gedurende vele jaren voldoende door verzekerd.

Maar slechts poorters mochten zich hier nederzetten, want in eene der oudste keuren vindt men vermeld, dat hofhoorigen en dienstbare luyden niet mogen opgenomen worden.

Geen honderd jaar later, of de groote nering en de bloei dezer plaats maakten alle omwonenden tot vrije mannen en niet lang meer zoude het grove kleed, lederen wambuis en broek aan een stuk, hen bestempelen tot paria’s der Middeleeuwen.

Dat Harderwijk reeds vroeg zijn opkomst en kracht zocht door én op zee, die in het hoogerliggend diluvium eindelijk eene grens vond, leert ons het oude stedewapen, dat eene zeilende kogge voorstelt. Eerst omstreeks 1400 werd haar het wapen de Nassau’s geschonken; een gouden leeuw op blauw veld, bezaaid met 14 gouden blokjes. Weldra wapperde haar nieuwe vlag in de havens van Engeland, Denemarken en de Hanzesteden van Oosterland ( de Oostzeekust ).

Elburg werd in 1368 opgenomen in den grootten handelsbond, maar waarschijnlijk had dat reeds vroeger plaats met onze stad, die toen al twee aanzienlijke wijken bezat buiten hare poorten. Zoo was de St. Nicolaaskerk het middelpunt van een kerspel; verscheidenen straten, waarvan de namen niet meer bekend zijn, doorsneden de tegenwoordige hoven en tuinen tusschen de Friesche Gracht en de Grintweg, loopende van het kleine plantsoen waar een goede 50 jaar geleden, voor het aanleggen van den grooten Zuiderzeestraatweg de oude Smeepoort stond, naar de zoogenaamde Nijptang. De Kleine Begijnen hadden i die wijk tegenover de eerste kerk reeds een stichting terwijl in 1336 een der oudste Godshuizen van Nederland, het Geertruidensgasthuis, met daaraan verbonden kapel, wellicht mede in die buitenbuurt moest gezocht worden. Het St. Jurriëns gasthuis, ingericht voor lamme, gebrekkige, kreupele menschen, eene stichting van Harderwijker visscherluyden, is ook reeds vóór de 14de eeuw gebouwd even buiten de voormalige Nicolaaspoort, ongeveer op de plaats waar thans de woning staat met den spreuk in den gevel: Werkt en Rust. De groote kerk, het hoofdgebouw dier buitenwijk, had een hooge toren, die evenals later de toren der Vrouwenkerk den visschers en zeevaarders tot baken moestdienen. Zij bleef, hoewel eens door een geduchten brand geteisterd, nog tot het begin der 15de eeuw de glans en glorie van het aloude visschersgilde, dat er eene eer in stelde haar rijk te versieren, blijkend onder meer uit het prachtige altaar geschonken aan St. Petrus, den schutpatroon van het gild.

Toen de kerk moest afgebroken worden verloor die voorstad hare beteekenis, maar niet voor ze ruimschoots het hare had bijgedragen tot den groei en den bloei der eigenlijke stad.

 

Dit bericht was geplaatst in Harderwijk als Hanzestad.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *