Harderwijk als hanzestad 5

 

 

 

Hoofdstuk 5

Geen schooner tijdperk in het leven de Westerschevolken van Europa, dan de laatste honderd jaren, welke de Middeleeuwen besluiten. De ridderschap met haar schitterende feesten en de kerken met haar zooveel nut gesticht hebbend kloosterwezen, hebben een goed deel van heur macht en invloed afgestaan aan de poorters, die intusschen ook rijk zijn geworden door handel en nijverheid.

Wetenschap en kunst, die zoo lang onder het destijds heilzaam patronaat der kerk hebben gestaan, slaan breder de vlerken uit; de studie der klassieken herleeft na eeuwen als in doodsslaap te hebben verkeerd, de eene uitvinding volgt snel den andere, het volk is trotsch, ja zelfs prat op zijn rechten en privilegiën en daarom ook alles behalve gezind, zich het minste daarvan te laten ontnemen.

Eigenaardig komt dit alles uit, als men let op de stoffelijke welvaart en de politieke vrijheid der communicanten. De aanzienlijksten poortersplaatsen van Vlaanderen en Brabant staan aan de spits van alle, die de vaan van het volksrecht, het beginsel der zelfregeering hoog houden, dan volgen die van Holland en Zeeland, Gelre enz.

Toen enkele vorsten dan ook hun gezag vergrootten door inbreuk te maken op de rechten en vrijheden des volks, kwam dat alleerwege in verzet. Phillips de Goede en na hem zijn zoon, Karel de Stoute, verhieven de vorstelijke waardigheid door het opheffen of schenden van vroegere verkregen privilegiën en handvesten. Dat moesten ook de vier Geldersche kwartieren ondervinden, die eerst na hardnekkigen kamp onder hun invloed kwamen; hou en trouw streed Harderwijk voor de rechten van het huis Egmond, het offerde vaak eigen voordeel op voor het belang van zijn vorst.

Geen wonder dus, dat het volk onder de Regeering der rijke Maria van Bourgondië de kans schoonziende, om zijn verloren aanzien op het landsbestuur te herwinnen, haar het Groot Privilegie afdwong, waarbij bepaald werd, dat zij geen huwelijk mocht afsluiten zonder de toestemming der Staten, geen oorlog zou voeren tegen den volkswil, geen belastingen zou heffen zonder verkregen goedkeuring der burgerij, dat ’s Hage de zetel zou worden der landsregeering en, wat van zoo groot gewicht is geworden in onze geschiedenis der 16de eeuw, dat geen vreemdeling hier eenig rijksambt of bediening zou bekleeden.

Dat het volk ook aan zijne eischen klem wist bij te zetten, ondervond de ridderlijke Maximiliaan, die door zijn eigen onderdanen, de Poorters van Gent en Brugge, bijna 100 dagen gevangen werd gehouden en zij twaalf edelen uit zijn gevolg, die de Vorst in zijne machtsoverschreiding hadden gesterkt, voor zijn oogen om hals brachten.

Keeren wijnu terug naar Harderwijk, dat wel niet op eene lijn mag gesteld worden met Hanzesteden sla Gent, Brugge, Amsterdam, Dordrecht, enz. maar toch door zijne wijdvertakte handelsrelatiën, tot zelfs in Venetië en Setubal, door de welvaart der stedelingen, door het herhaald bezoek en het tijdelijk verblijf van vele vreemdelingen binnen zijn wallen, ook ruim zijn deel heeft gehad aan het goede der 14de en de 15de eeuw, maar dat ook evenzeer het zijne heeft bijgebracht, om Noord – Nederland, meer in ’t bijzonder Holland en Zeeland te verheffen tot eene handels en zeemogendheid van den eersten rang.

Wij hebben een kijkje genomen buiten een viertal poorten en eene zwakke poging gewaagd, toestanden uit een grijs verleden min of meer aanschouwelijk voor te stellen. We hebben gezien, dat de tweede stad van ’t Veluwsch kwartier eene eervolle plaats bekleedde in den grooten bond der omstreeks 1225 opgerichte Hanze; thans willen we het poortersleven en het inwendige der veste iets meer van nabij beschouwen.

Eenigzinds kan het onze bewondering wekken, dat juist gedurende twee eeuwen van buitenlandsche onrust, van zware belegeringen, van verbitterden strijd, en bijna alles vernielenden brand en dood en verderf verspreidende ziekten, deze plaats niet in hare hartader, den handel, wordt getroffen, maar deze zich telkens krachtiger ontwikkelt, totdat de 17de eeuw, de glansrijke periode voor de Hollandsche en Zeeuwsche koopsteden, voor haar het begin wordt van kwijning en verval, waarvoor het eens zoo bloeiend Gymnasium Nassovicum en de in 1600 opgerichte hoogeschool, haar slechts ten deele kunnen behoeden.

Niet de oorlogen dus hebben haar ten val gebracht, maar de zee, die haar eerst groot, rijk en machtig maakte, sluit haar ten laatste buiten de volkeren verkeer te water, waardoor ze langzaam terugzinken moet en niet meer het hoofd kan bieden aan de rampen, die het gevolg worden van den inval der Franschen in 1672 en de opheffing van het haar dierbaar kleinood, de academie, in 1812.

Sedert eene eeuw 1400 – 1500 is het inwendige der stad betrekkelijk weinig veranderd; wel zijn de wallen en poorten versterkt, de eigendommen der kloosters aanzienlijk toegenomen, de daken en torenspitsen der steenen gebouwen thans met leien gedekt, is in kleeding en voeding meer weelde gekomen en levert het uiterlijk der poorterswoningen, vooral de doelens en de huizen der gildehoofden het bewijs, dat onder de burgerij meer welvaart heerscht.

De zindelijkheid in de steden liet in de regel nog veel te wenschen over; zoo ook hier, waar de kleinere straten nog slechts slijkerige of stoffige paden zijn en de anderen niet behoorende tot den heirweg hier en daar met kleine veldkeien of ruwe planken zijn bestraat. De meer breede stadswegen, waaronder ook die, welke van ’t Oude Peelenpoortje naar de Groote Poort leidt en die van de Hooge – Brugge naar de Broederen, hebben in het midden over de volle lengte eene strook ter breedte van 1 ½ à 2 meter geplaveid met groote zooveel mogelijk gladde, maar overigens onbewerkte keien van graniet,gelijk die op onze naburige heidevelden nog worden gedolven en ook te vinden zijn op den bodem der Zuiderzee.

Dit bericht was geplaatst in Harderwijk als Hanzestad.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *