Harderwijk als hanzestad 6

 

 

Hoofdstuk 6

Gaten dienende tot afvoer van water zijn eene nog ongekende weelde. Hoe morsig het daarom hier zijn kon, vooral het buiig weder, behoeft geen betoog. Bovendien was het verkeer in de stadveel drukker en levendiger dan thans,want alles moest bij gebrek aan binnenwater met paard en kar, of op de hand – of kruiwagens worden vervoerd. Voeg hierbij de ook destijds in onze stad algemeen heerschende liefhebberij voor kakelende en naar wormen krabbende hoenders voor het borstelig dier, dat met zorg werd gekweekt en haast eene eereplaats innam aan den huiselijken haard, maar ook knorrend en wroetendde gezelligheid en onreinheid op de publieken weg verhoogde; en ge begrijpt, dat de minste afwijking van het harde pad, hier met recht den gulden middelweg te noemen, den wandelaars een modderpad bezorgde.

Gehele stallen vee werden hier vaak gedurende geruime tijd geherbergd, als namelijk plunderend en brandschattend soldatenvolk het platteland afliep.

Dikwijls werden door den magistraat nieuwe keuren gegeven, of oude plakkaten bij herhaling uitgevaardigd om in zulke toestanden verandering te brengen. Ze vermochten veel, maar niet alles, want waarschijnlijk is bij de Harderwijkers der 19de eeuw nog de voorliefde overgebleven voor eene soort van kleine fabriek ter bereiding van compost, welke arbeid de reinheid niet in de hand werkt, wel den landbouw, maar volstrekt niet den boschcultuur ten goede komt.

Was het plaveisel slecht, ook de straatverlichting liet veel, zoo niet alles, te wenschen over. We mogen evenwel volstrekt niet menen, dat het hier in dit opzicht zooveel slimmer was dan in andere steden, want nog in den jaren 1655 werd binnen Amsterdam een verbod uitgevaardigd, om bij avond en nacht met flambeaux, toortsen en fackels langs de straten te gaan wegens de “periculen van brant”.

Men had zich dus, zoodra de avondwasgevallen, op den publieken weg maar van eene brandende lantaarn te bedienen, waartoe men thans ruim drie en een halve eeuw later, in tal van kleine gemeenten nog genoodzaakt is. Moest iemand van de rijkdom der stad, een welgesteld koopman, een lakenverver, een lid der magistraat bij avond er op uit, dan werd de lantaarn vooruit gedragen door een huisbediende, of een der stadsboden; ging de schout op verkenning uit met zijn knechten, dan moest steeds een der rakkers, helpers van den beul – Harderwijk had reeds vroeg zijn eigen schepenbank – toorts of lantaarn dragen.

Ook moest een der hoplieden met eenige schutters elken nacht den ronde doen door de stad en langs de wallen, om toe te zien, dat poorten en gevangenissen goed werden bewaakt.

Op dien tocht was de hem vergezellende tamboer steeds van een helder brandende fakkel voorzien.

Rembrants meesterliik doek de “Nachtwacht”, levert ook het bewijs, dat zelfs in de 17de eeuw eene behoorlijke stadsverlichting nog tot der vromen wenschen behoorde.

Op verschillende punten dezer stad o.a. in de Smeepoort – , Donker – ,Brugge – en Grootpoortstraat was de weg ’s nachts afgesloten door en zware ketting,gespannen van huis tot huis, ofwel bevestigd aan stevige palen; nauwelijks bleef er ruimte genoeg over, om slechts één man tegelijk doortocht te verschaffen.

Dit laatste echter geschiedde alleen in oorlogstijd, anders kon ook na zonsondergang de passage binnen de wallen geheel enonbelemmerd plaats hebben, maar nooit bij de stadspoorten, waar dan voordurend een soldenier met geschoren piek geposteerd stond en scherpe wacht hield, om bij nacht niemand in – of uit te laten, zonder het deugdelijk bewijs geleverd te hebben, dat hij een “erentfest ende welgesint poorter was”.

Aan de grachtkant der poorten mocht geen enkel lichtstraaltje naar buiten dringen, zoodat hamei en valbrug, als de man geen hulpe bood, in nachtelijk donker verkeerden.

Maar toch heerschte hier nooit eene Egyptische duisternis, want uit de hooge, smalle vensters der zes wachthuizen, zag men het schijnsel eener walmende vetkaars, waarbij de sergeant en een viertal soldeniers of gewapende boogschutters bij verkeersbord en bierkroes trouw de wacht hielden. Verder was naast of boven den hoofdingang van elk der 7 kloosters eene nis gebouwd, waarin een Mariabeeldje met het kindeke op den arm was geplaatst, of wel de beeltenis van een of andere Heilige, de beschermer van het couvent, die ook niet zelden zijn naam aan het Godshuis gaf.

Volgens het gebruik dier dagen, eene gewoonte nog zeer in zwang in kleine Vlaamsche of Italiaansche steden, benevens in geheel Spanje, moest voor de Gebenedijde Moeder en voor elke Heilige een kaarslicht branden, waarvoor de kloosterlingen of ook trouwe, vrome zielen steeds de noodige zorg droegen. Een houten afdakje, boven de nis aangebracht, weerde den regen af en voorkwam dat de wind vrij spel had met het flikkerend vlammetje.

De ruimte tusschen ’t raadhuis en het klooster der Franciscanen of Grauwe Monniken, omstreeks 1339 door Eleonora van Engeland aangevangen te timmeren, was al zeer karig verlicht, want slechts een lantaarn boven de hoofdpoort van het hooge, sombere gebouw op het midden van het plein, dus ter plaatse waar nu de pomp staat, en welk gebouw voor gevangenis diende, verspreide er zijn matte stralen, die nauwelijks vermochten door te dringen tot de donkere gevels der tegenoverstaande woningen.

 

Dit bericht was geplaatst in Harderwijk als Hanzestad.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *