Harderwijk als hanzestad 7

 

 

 

Hoofdstuk 7

De minst verlichte wijken dezer stad moest men zoeken om de Lieve – Vrouwenkerk, het zoogenaamde Claersdal; ze waren na zonneondergang de eenzaamste tevens, want niemand zou zonder dringende noodzakelijkheid bij nacht zijne schreden derwaarts richten; eene geheimzinnige vrees voor elfen, kabouters en booze geesten, die daar meer dan elders kwamen ronddoolen, en opschrikten als de zware klok het zooveelste uur van de nacht aan kondigde of het krijschend geschreeuw van nachtvogels, nestelden in de galmgaten van den toren, gehoord werd, behoorde ook tot het volksgeloof.

De nauwe stegen en smalle straten uitloopende op de Vischmarkt en Korenmarkt stonden evenmin, maar om geheel andere oorzaen, in een kwaden reuk; bij donkere avonden werd het boschje gevreesd, waarin de hofstede Luttekeloo als verscholen lag, en ook den buurten, waar Burgermeesteren en Schepenen in Vredestijd barakken, ledige kazematten en kluizen van den walmuur tegen “kleenen penninck”ten bate der gemeentekas hadden verhuurd.

Na de eerste nachtronde, ’s avonds 9 uur, moesten alle taveernen en tappen ( herbergen ) gesloten zijn, slechts eene groote herberg “de Vrede”in de Bruggestraat had langer consent want de wagen uit Arnhem bracht daar tegen middernacht reizigers aan. Ook de twee voornaamste doelen der stad, hadden van de magistraat verlof gekregen langer open te blijven, welke gunstige beschikking dikwijls werd ingetrokken, vooral in de laatste helft de 15de eeuw, toen de gildebroeders niet meer uitsluitend de belangen van ambacht, nering, nijverheid en visscherij behartigden, maar zich durfden verstouten hun invloed te doen gelden, waar het de welvaart van het gewest en die der gemeente betrof. Zoo kregen hunne bijeenkomsten langzamerhand een min of meer politieke beteekenis, hetwelk de vroede mannen in strijd achtten met het gildewezen en hunner majestijd te na kwam.

Ook hing nog een lantaarn naast het uithangteeken van het St. Geertruids gasthuis, en een naast den ingang van het Godshuis, genaamd de Heilige Geest, eene zeer rijke stichting, in stand gehouden door geldelijken steun der stad en aanzienlijke legaten van Harderwijksche burgers, omdat de “vreemde en reysende arme luyden daar hun nachtrust ende gerack ( verpleging ) souden vinden”.

Die primitieve wijze van uitsterst spaarzame openbare verlichting, hulde bij bewolkte lucht de meeste steden in een fantastisch kleed, want het doffe schijnsel van enkele lantaarns, of het licht eener pektoorts viel op de grauwe luifels en hooge, smalle vensterluiken der bruin – zwarte gevels van de poortershal en klooster, het wierp grillige slagschaduwen op de straat als een boom of een uitspringend hoektorentje enkele stralen opving.

We begrijpen dus, dat de schoutenknechten opde nachtronde, op hun ommegang, de ogen niet in de zak behoefde te hebben, wilden zij voortdurend de schrik blijven voor straatroovers en nachtelijke zwervers, wier verblijf in de stad of den onmiddelijken omtrek, vaak een ware kwelling was voor den reizenden, zoowel als voor den rustig tehuis zittende poorter.

Zoodra de bezoeker van een of andere deftige huizinge, den zwaren, metalenklopper op den koperen plaat der deur had doen nedervallen, werd wel degelijk, evenals aan den stadspoort, een zeer nauwlettend onderzoek ingesteld naar hem, die wenschte toegelaten te worden. een door traliewerk beschut luikje in de deur werd behoedzaam geopend, het licht eener tuitlamp of dat eener waskaars werd zodanig gehouden, dat het volle schijnsel op het gelaat des bezoekers viel, en niet voor dat men ten volle overtuigd was, dat hij tot de huisgenooten, vrienden of bekenden behoorde, werd de deur ontgrendeld en hem de vrije toegang gelaten.

Toen in de 16de eeuw de gehate Spaansche Inquisitie hier ter stede hare spionnen had en slachtoffers zocht, was dubbele waakzaamheid noodig om niet zoo klakkeloos door den schout of door leden van de magistraat der Lutherije vijandigheid, bij nacht en ontijd te worden overvallen en uit de woning gesleept naar de gevangentoren, een deel van het Oude Blokhuis. Juist die goede voorzorg deed menig verdachte nog op het nippertje door tuinen en sloppen een veilig heenkomen zoeken.

In zulke gevallen was de duisternis een trouwe bondgenoot, ze hielp den vervolde door de mazen van het zoo loos gespannen net glippen.

Maar op de nuttigste en tevens krachtigste lichtbron hebben we tot hiertoe verzuimd te wijzen; toch verdiende zij wel het eerst genoemd te worden, omdat ze gedurende bijna twee eeuwen handel en scheepvaart zulke gewichtige diensten heefd bewezen; schippers en visschers een handwijzer was op het woelig element, als zij bij stormachtig weder in het duister van de nacht den steven moesten wenden naar Harderwijks rede.

Op den hoogen toren der Lieve Vrouwenkerk werd,als dat bij avond nodig was, vooral bij mistig weder, een voor dien tijd bijzonder helder licht ontstoken en steeds zorg gedragen, dat de vlam helder opflikkerde tot de dag begon te grauwen.

Slechts eene wijk was zelden in nachtelijk duister gehuld, en wel die buiten de Hooge en de Lage Bruggepoort gelegen. Bij nacht werd daar vaak gearbeid, als de dag te kort bleek om verschillende handelswaren van of aan boord te brengen, inzonderheid als de koggen met koren geladen uit de Oostzeehavens waren aangekomen, of de visch gedurende de nacht op zware karren werden geladen, om zoo spoedig mogelijk daarvan de markten te Utrecht, Arnhem en Deventer te voorzien.

Dit bericht was geplaatst in Harderwijk als Hanzestad.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *