Harderwijk als hanzestad 8

 

 

 

Hoofdstuk 8

De geschiedenis leert ons ook, dat in de 14de en een goed deel der 15de eeuw hier meest landbouwers en visschers woonden,dat de erven der Harderwijksche huislieden vrij groot en deze bijna allen weiboeren waren; rekent men verderop de zeven kloosters, die met hunne uitgestrekte tuinen en bijgebouwen zelf 1/3 gedeelte van de geheele oppervlakte der stad besloegen, dan heeft omstreeks 1400 hier niet meer gewoond dan ongeveer een 2500 zielen.

Eerst gedurende de heerschappij der Bourgondische vorsten in Holland en Zeeland nemen handel, scheepvaart en nijverheid een hooge vlucht en lokt vooral het laatste honderden bij honderden naar de steden.

Omstreeks 1500 is hier de welvaart het grootst, het gewicht dezer Hanzestad het belangrijkst en kan dus de bevolking sedert het begin der 15de eeuw bijna verdubbelt, of tot 4000 à 4500 geklommen zijn.

Honderd jaar later is de macht der Hanze niet meer dan eene schaduw van wat ze eenmaal was, terwijl de Amsterdamsche handelskoningen de koopmanschap met de Oostzeelanden geheel aan zich trokken.

Toen daalde weer het bevolkingscijfer, omdat de handel zich verplaatste, de industrie den bloeitijd reeds lang achter den rug had en de oorlog met Frankrijk 1672 – 1678 haar groote nadeelen berokkende.

Terecht kan dus Mr. Schrassert in het jaar 1732 schrijven, dat de stad twee eeuwen geleden veel volkrijker was, hetgeen trouwens van de meeste, zoo niet alle voormalige Hanzeplaatsen aan de Zuiderzeekust kan worden getuigd.

Verwonderen kan ons dat niet, dewijl de middelen van bestaan overvloediger waren, het leven goedkooper was, handel, visscherij en nijverheid in den regel ieder, die werken wilde, brood verschaftte.

Eene der voornaamste kwestiën van grooten invloed op de bevolking der steden gedurende de 15de eeuw was de prijs der eerste voedingsmiddelen. Van Harderwijk vindt men niet zooveel vertrouwbare opgaven, als dat het geval is met vele steden in Holland, Brabant en Vlaanderen, maar uit enkele oude rekeningen, uit het gering bedrag der dagloonen, uit de kleine bezoldiging van verschillende stedelijke officieren en uit enkele accijnsen, bijv. die van bier, kan men zien, dat het leven niet duur was.

Zoo bedroeg de belasting van een vat binnengebrouwen bier slechts 12 penningen, of 4 centen, die van buitengebrouwen bier bedroeg het dubbele. Rekent men nu de belasting op den 10en penning, wat zeker vrij hoog genomen is, dan kostte een vat van het eerstgenoemde bier niet meer dan 40, eene gelijke hoeveelheid der tweede soort 80 centen.

Voor een zak tarwe, ruim 80 kop van onze maat, werd 16 stuivers betaald, een zak garst kostte niet meer dan een halve gulden, een zak erwten of boonen gold slechts 12 stuivers.

Een kudde runderen groot 20 stuks, kon met honderd gulden ruim worden betaald, terwijl men voor een vet varken in gewone tijden zelden meer behoefde te geven dan 8 of 10 stuivers.

Omstreeks het jaar 1500 kon men het dagloon stellen op 4 stuivers, maar dat kon in schrale tijden zoo belangrijk afnemen, dat een werkman slechts twee stuivers soms nog minder ontving.

Toch was er in die dagen, evenals in onze tijd aanmerkelijk verschil in loon voor verschillenden arbeid; zoo werden wapensmeden, timmerlieden en metselaars beter betaald, maar hun dagloon was zelden hooger dan 5 stuivers; snijders en wevers hadden 3 stuivers, veldarbeiders en sjouwers 2 stuivers.

Het vendel van 150 gewapende poorters, dat omstreeks 1450 den Geldersche Hertog te hulp werden gezonden, kreeg een soldij van 3 1/2 stuiver daags.

Zoals gezegd is, waren de prijzen van graan en bier aan groote slingeringen onderhevig, terwijl bij het stijgen dier prijzen de dagloonen gewoonlijk lager werden gesteld; zoo werd in 1500 voor een last rogge 10 gulden betaald, en bedroeg die prijs eene halve eeuw later eens 116 gulden.

Op de Veluwe, meer nog dan in Holland en Vlaanderen was men, wat het graan betrof, geheel afhankelijk van de Oostersche landen; werd de Sont gesloten, onmiddellijk had zulks hongersnood of minstens verschrikkelijke duurte ten gevolge.

De Veluwe bracht weinig graan voort, want minstens 4/5 gedeelte van haar geheele oppervlakte was met bosschen bedekt, zoodat men licht begrijpen kan van hoeveel belang voor Harderwijk en geheel Gelderland het was om de handelsrelatiën met de Hanzesteden Memel, Straalsünt, Koningsbergen, Dantsig enz., zoo min mogelijk te belemmeren.

Oorlog en misgewas hadden dus grooten invloed op den prijs van brood en bier, het hoofdvoedsel der werkende klasse.

In den regel was de toestand van den arbeider volstrekt niet kwaad, want in gewone tijden was er werk in overvloed en werd de arbeid ruim betaald; de werkgever toch wist maar al te goed van hoeveel belang het was, een bepaalde tak van industrie binnen de poorterije te doen bloeien, terwijl het gildewezen de goede verstandhouding tusschen de meester en gezel regelde en onderhield.

Gedurende de 15de en 16de eeuw keert een storende invloed veroorzaakt door oorlog, watervloeden, misgewas, ziekten enz. dikwijls terug en de werkman leed daaronder natuurlijk het zwaarst. Hoe blijde men was, als de Oostzeevloot geregeld onze reede bezocht, en een deel der overproductie van Duitschland en Polen hier aanvoerde, behoeft geen betoog.

Fabrieksarbeiders, wevers, visschers en neringdoenden konden in vredestijd een flink en eerlijk stuk brood verdienen, gewoonlijk kwamen er dan handen te kort, er heerschte overvloed en vreugde, die zich uitte in gildefeesten en optochten.

Men genoot dan inderdaad van het leven, jammer slechts,dat het zwaard van Damocles steeds aan een zijden draad boven het hoofd van den nijveren poorter bleef zweven en een enkel jaar voldoende was om de welvaart der veste uit te bannen, den werkman geheel buiten zijn schuld ten prooi te geven aan armoede, ja zelfs aan nijpend gebrek.

Dit bericht was geplaatst in Harderwijk als Hanzestad.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *