Harderwijk als hanzestad 9

 

 

 

Hoofdstuk 9

Hadden geene storende invloeden plaats op den maatschappelijken toestand, kon de handel vrij en onbeperkt gedreven worden, was Calais, de hoofdstapelplaats voor de wol in West – Europa, niet gesloten, werd de stad niet door vreeselijke pestziekten bezocht, dan was de werkman er beter aan toe dan in onzen tijd; Maar voor den arbeider niet alleen, ook voor de breede schare van kleine neringdoenden was de gelegenheid ruimer, om langs eerlijken weg en gezonde handel een goed stuk brood te verdienen.

De uitgebreide betrekkingen der Harderwijksche kooplieden met vele buitenlandsche Hanzesteden waren oorzaak, dat er veel geld werd verdiend; ook was door verschillende den visschers geschonken privilegiën een aardig stuivertje met den vischhandel overgewonnen; vandaar dat hier de druk der tijden niet zoo spoedig gevoeld werd als in andere plaatsen van ’t Veluwsch Kwartier, men had steeds gelegenheid gevonden een appeltje voor den dorst te bewaren.

Dat men omstreeks 1500 reeds vrij wat met handel en industrie verdiende, kan o.a. ook blijken uit de deftige huizingen, wier stichting dagtekent uit dien tijd. De doelmatige planverdeeling, sobere kunstvolle versiering, bevalligheid van stijl, bij strengheid van lijnen, zouden den grooten Franschen bouwkundige Viollet – Leduc hebben getroffen.

Werkte men gedurende het lijfeigenschap geheel en al voor zijn meester, na de opheffing daarvan genoot men zelf de vruchten van vlijt en spaarzaamheid; daarom waardeerde men nergens meer dan juist in handelsplaatsen het onschatbaar voorrecht, uit de slavernij van halshoorigheid te zijn verlost, vrij te zijn gemaakt van Heerendiensten en niet langer gedwongen te kunnen worden den immer oorlogszuchtigen Vorst of edele op zijne krijgs – en strooptochten te volgen…

Ieder, die het poortersrecht had gekregen of gekocht mocht zich metterwoon hier vestigen en zich aansluiten bij eene dier 11 gilden. Het eerste en stellig het voornaamste privilegie, dat door den Vorst aan dorp of gebuurte was geschonken, bestond dan ook daarin, dat de plaats het recht kreeg stad te worden met al de voordeelen aan het poortersrecht verbonden.

Allen hadden groot belang bij de trouwe handhaving der eenmaal verworven, vaak zeer duur gekochten rechten, en dat leidde er toe, dat elke ingezetene invloed uitoefende op het bestuur.

Groot was ieders aandeel in de reegering der stad,inzonderheid gedurende den bloeitijd der gilden. Tot het einde der 14de eeuw werd elke belangrijke poorterszaak beslist door den geheele burgerij, bijeengeluid of getrommeld op Harderwijks Forum, de Broeren. Nooit kende men grooter belangstelling in zaken van algemeen nut dan in die dagen, toen men wijkmeesters, gildenhoofden, hoplieden enz. raadpleegde alvorens den magistraat een besluit nam van eenig gewicht of den Vorst antwoord moest worden gegeven op eene gedane bede.

Jammer dat men dien goeden weg allengs heeft verlaten, dat het eigenlijke volk, visschers, werklieden, kleine neringsdoenden, zich terugtrokken of op zijde werden geschoven, en dientengevolge alleen de meer vermogende poorters aandeel kregen en invloed uitoefenden op het bestuur der stad, waar van 1400 – 1500 de burgelijk aristocratische beginselen bovendreven.

In de volgende eeuw kreeg de reegering eene meer bepaald aristocratische kleur, welke toestand overging in nepotisme, in eene familieregeering, waarbij het neefschap van Burgermeester, Schepenen, of Baljuw vrij wat zwaarder woog dan een eerlijk naam en degelijke kennis.

Keeren we nu terug naar den tijd van Harderwijks opkomst, toen het landbouwbedrijf geen ruimte genoeg meer vond binnen de wallen en plaats moest maken voor handel en nijverheid, toen de visch nietlanger eene koopwaar was bijna uitsluitend beperkt tot de stad en hare naaste omgeving, wat natuurlijk de vergrooting der visschers vloot in de weg stond.

Eerst toen hetgeen de zee opleverde en handelsartikel werd, dat visch, gerookt of gezouten naar ver verwijderde markten kon verzonden worden, begint deze plaats als koopstad en zeehaven gewicht in de schaal te leggen. De erven moesten gesplits en bebouwd worden, daarom namen tusschen 1400 en 1500 de vaste eigendommen der kloosters, nu niet meer bijna uitsluiten uit landerijen en bosschen, maar voor een goed deel uit woon – en pakhuizen bestaande, zoo geducht toe, dat de magistraat meende paal en perk te moeten stellen aan zulk eene zorgwekkende ophooping van bezittingen in de doode hand; legaten en erfenissen mochten niet meer door monniken en nonnen worden aanvaard en nog vóór het einde der volgende eeuw waren de meeste kloostergoederen binnen deze stad verbeurd verklaard.

De geheele nijverheid van Harderwijks Schependom, alle ambachten uit den naasten omtrek, de vischhandel in het Hertogdom dat alles ging men samentrekken binnen de enge grenzen der eigenlijke stad.

Zoo verzochten de poorters aan Hertog Arnout, die van 1423 tot 1473 met een klein interregnum het bestuur over Gelre in handen had, om te verkrijgen, dat alle brouwerijen op de geheele Over – Veluwe naar de stad moesten worden verplaatst, dat hier alleen de lakenweverij en vollerij mochten worden uitgeoefend, de handel van ruwe wol te platte lande zou worden verboden, dat verder de groote omzet in kooren uitsluitend binnen deze stad zou plaats hebben, terwijl bovendien, gelijk wij reeds vroeger zagen, geen andere zeevisch binnen de 4 Geldersche Kwartieren, Zutfen, Nijmegen, Betuwe en Veluwe zou worden verkocht dan zulke, die door vreemde of Harderwijksche schuiten was aangebracht op de reede dezer stad.

Dat moest natuurlijk het zielental belangrijk doen sijgen, aan handel, scheepvaart, industrie en visscherij groote uitbreiding geven, want nering en handwerk concentreerden zich hier meer en meer; zij werd de steeds meer en meer onmiskenbaar wordende markt voor eene landstreek, geheel afhankelijk van haren handel, van hare industrie.

 

 

Dit bericht was geplaatst in Harderwijk als Hanzestad.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *