Harderwijk in 1566

 

Overveluwsch Weekblad

Jan. en Febr. 1858

HARDERWIJK in 1566.

 

Nadat Philips II door der Hervorming en aan de handelingen der Edelen geenen tegenstand te bieden, voor eenigen tijd de schijn van toegeeflijkheid aangenomen had, zond hij op nieuw in 1566 bevelen, waaruit het duidelijkste zijne onverzettelijkheid bleek. Met kracht moesten de plakaten ter handhaving der R.C. Godsdienst ten uitvoer gelegd, met kracht moest iedere tegenstand gefnuikt worden.

Daarbij wees de Vorst twee steden aan, waar de vrijheid van Godsdienst gezegenvierd had, waar openlijk de Hervorming werd uitgeoefend, waar zijne bezetting was verdreven; die steden moesten dan ook ten toonbeeld voor anderen gestraft worden. De mare dier straf moest het Zuiden en Noorden schrik aanjagen.

Het Zuiden moest getuigen zijn van Valenciennes onderwerping. In het Noorden werd Harderwijk aangewezen. Vruchteloos sprong de Prins van oranje voor de beide plaatsen bij de landvoogdesse Margaretha in de bres, vruchteloos schetste hij, dat er geene sprakeMargaretha kon zijn van rebellie, maar alleen der vraag naar eenen religionsvrede; wat zal het baten, wanneer de ingezetenen tot wanhoop werden gebragt? – Dan het bevel stond vast.

Valenciennes tegenstand, Valenciennes verdelging, haar bloedbad heeft voorwaar het Zuiden wel met schrik en angst vervuld en zette aan Margeretha’s wapenen en maatregelen eene ongehoorde klem bij. Nog huivert een ieder bij het lezen der tooneelen van hangen en branden dier veste. Gij weet gewis hoe duizenden bij duizenden, grijzen en onnoozelen, mannen en vrouwen verdelgd werden. Wel is in het Zuiden alzoo een voorbeeld gesteld; maar ook voor het Noorden eischte immers Philips een offer. De stad Harderwijk was als strafbaarste aangewezen. De beroemde Archivarius in België, Gachard heeft de brieven daarover bewaard. Is het vreemd, dat bij het lezen dier brieven, de vraag ontstaat, wat was te Harderwijk geschied, van waar dat de straf van Valenciennes nimmer vergeten werd, en Harderwijks straf zoo weinig bekend bleef?

Capture_of_Valenciennes_in_1566-67_(Frans_Hogenberg)

Ik meen welligt geene ondienst te bewijzen, door die vragen te beantwoorden.

Verplaatst U in Gelderland voor drie eeuwen.

Gelderland, de laatste parel die Karel aan zijne kroon hechte, was bij het verdrag van Venlo in 1543 gewis vele voorregten toegekend. Mogen wij als zoodanig niet noemen, dat een ieder voor zijnen eigen regter zou teregt staan, dat de vrijheden gehandhaafd bleven en de landsbetrekkingen bediend werden door bekwame en aldaar woonachtige personen, dat geene belastingen zonder bewilliging der ingezetenen geheven konden worden. En dat juist punten waarover in Holland jammerklagten opgingen. Was het eerbied voor Gelderlands langdurige tegenstand die Karel zoo toegevend maakte? Hoe het zij Gelderlands Staten zorgden wel voor het handhaven dezer vrijheden; wanneer de Keizer nieuwe belastingen wenschte, weigerden zij het; wanneer het hof, de regeringsraad, eenigermate de regten zocht te verkorten, waren de Staten gereed om weerstand te bieden. Geen wonder alzoo dat Karels afstand met droefheid Gelderlands ingezetenen vervulde. En hoe handelde Philips? Spoedig ontving hij klagten over zijn hof en de Staten besloten malkander bij adelijker eere en waren woorden personen en goederen te helpen verdedigen tegen alle degenen die haar boven land en stadsregten wilden bezwaren, of de Koning of zijn stadhouder met woorden en werken eenige ongenade deswegens mogt plegen, alzoo de landschap alleen begeert de handhaving van Venloo’s tractaats en alle anderen verdragen, vrijheden en geregtigheid.

Die taal was onduldbaar voor Philips, en toch geweld was in Gelderland nog niet denkbaar. De graaf van Hoorn deed hij als stadhouder door Karel van Brimen graaf van Meghem opvolgen; hem werd bevolen de Staten niet op te roepen, dan wanneer de Koning er bevel toe gaf, en zorgvuldig toezigt te houden in het corrigeren der Lutheranen, herdoopers en andere ketters. Maar daarmede waren de Staten geensins te vreden, omdat zij bezorgd waren, dat daardoor de inquisitie werd ingevoerd, waaruit tweedragt moest ontstaan. Afgevaardigden werden tot Margaretha gezonden en vertoogen op vertoogen ingediend. De stadhouder ontving nu bevel om de stedelijke regeringen te veranderen, en een ieder die eenigermate de Hervorming was toegedaan te weren, die stedelijke regeringen toch vormden door hare afgevaardigden met den adel de Staten.

Het was waar nu werden de Staten gematigder, maar toch geenzins genegen hunne regten te laten kortwieken. Onnoodig is het met U hier alle klagten na te gaan. In Leoninus vonden zij te Brussel eene voorspraak.

Vrijheid om te vergaderen wanneer de Staten het goedvonden, geene inquisitie en de religions vrede, waarop zij meenden regt te hebben, als behoorende tot de Duitsche Staten waren, met punten van ondergeschikter belang, hunne eischen. Zoo was het jaar 1566 genaderd.

Gij gevoelt alzoo met ons, dat Protestantsche beginselen toen welig in Gelderland tierden. Geen der verschijnselen op het gebied des kerkelijken en godsdienstigen levens, die in andere gewesten des Vaderlands der reformatie voorafgingen en aan hare ontwikkeling den weg baanden, zal men in de geschiedenis dezer landstreek te vergeefs zoeken. De eigenaardige godsdienstzin welke in de laatste helft der veertiende eeuw in Overijssel, Holland en Utrecht ontwaakte en zich in de vijftiende eeuw krachtiger vertoonde, leefde terzelfde tijde en vooral niet in mindere mate, ook in Gelderland, zegt de hoogleeraar Moll. Nergens waren Vorsten, edelen en magistraatspersonen ijveriger tot het stichten van kloosters, kerken, kapittels en godshuizen. Nergens was de geest der devotie, die, hoewel veelzins krank en van de waarheid des Evangelies vervreemd, de zedelijke verbetering der individuen en der massa zocht, meer doorgedrongen bij menschen van alle standen. Nergens eindelijk traden welgezinde de reformatorische mannen op, of zij hadden in deze streken hunne geestverwanten en gelijken, zoo zij al niet zelve zich hier ophielden en voor korter of langer tijd voor de godsdienstige belangen des volks werkzaam waren.

Te Munnikhuizen bij Arnhem toefde in gebeden en ascetische oefeningen Geert Groote, en weldra ontstonden de fraterhuizen en scholen zijner leerlingen ook in Gelderland, ook ter dezer stede. Waar mannen als Brinckerinck, Busch en Brugman werkzaam waren, moest het godsdienstig bestaan in Gelderland voor hoogere ontwikkeling voorbereid worden.

Wat Luther en zijne medestanders in den grooten strijd deden en spraken, bleef ook hier geenzins onopgemerkt. De nieuwe gedachten, die straks aan de wereld eene andere gedaante zouden geven, planten zich reeds spoedig herwaarts over en wel te sneller, naarmate het hertogdom, door geografische ligging en handelsverkeer te naauwer vereenigd was met Noord en midden Duitschland.

De geschriften der reformatoren, vooral die van Luther werden door den handel der Hanze steden tot onze vaderen, ook in deze stad gebragt. In het jaar 1523 trok het reeds de aandacht van sommigen, wier hart der nieuwe Godsdienst vijandig was, dat een der aanzienlijkste inwoners Maurits Mauritz Pannekoek, rentmeester van Karel van Gelre, Luthers werken bij zijne Harderwijksche medeburgers ten zeerste aanprees. Hij deed het zoo luide, dat zijn Vorst te Arnhem er weldra van verwittigd was en hem daarover berispte.

Maar wonder, wanneer wij nagaan dat de geheele handel in visch op Duitschland vroeger van hier uitging; dat de handel van daar en uit het graafschap Zutphen op Amsterdam hier zijne entrepôts bezat; dat de koffen van onze reede naar Hamburg en de Oostzee voeren; was het een wonder dat bij zooveel welvaart verlichting heerschte, dat bij zooveel koopwaren denkbeelden evenzeer gewisseld werden? En naarmate de gelegenheid om de wetenschappen te beoefenen schaarscher was naar die mate was zij ook te dierbaarder daar waar zij openstond. Wat nut ons Gymnasium als school van het fraterhuis gesticht heeft, zou gewis eene rijke stof zijn, wij willen alleen herinneren, dat het licht der reformatie niet weinig ook van daar uitging. De inquisiteur Gruwel pastoor te Zwolle schreef aan den raad dezer stad, dat hij wenschte bij het aanstellen van eenen nieuwen rector verboden werd, om kettersche boeken zelve of door zijne helpers te laten gebruiken; voorts werd bij placaten verboden om boeken over het geloof te bezitten zonder ze door dien kerkvoogd te laten goedkeuren.

Strooiden de lessen der school het zaad, het werd, in plaats van versmoord, zorgvuldig door de destijds hier werkzame pastoors aangekweekt. In 1531 toch werden de pastoors Dirk Keijler en Hendrik van Groningen, “ die door woorden en gedragingen zulk eene belangstelling voor de aanhangers der nieuwe leer openbaarden,” door den hertog van hun ambt ontzet, en met ernst naar een geleerd en ijverig plaatsvervanger omgezien, die zooveel mogelijk de indrukken, welke beide geestelijken nagelaten mogten hebben zouden uitwisschen. Hij, die later in een der muren van de St. Walburskerk te Arnhem, een steen liet plaatsen met het opschrift: Lucifer et Luther sathanas sunt unus? Et alter, Bovehart van der Bergh was de pastoor hiertoe ter dezer stede aangewezen.

 

Maar het licht was niet te verduisteren, ik wil U slechts herinneren, wat elders verhaald is omtrent den pastoor Koenraad Renckom, die om zijne armen te verzorgen de sieraden en kleinooden der kerk, “ die daar alleen om pronkerij van hout en stee hingen” zoo als hij schreef, verkocht, ik U wil mededeelen, dat de inquisiteur Barend Gruwel herhaaldelijk klaagde dat de magistraat aan zekeren Klaas Beijerman en de zijnen het afschaffen van feestdagen toeliet; “ dat de Katholieke godsdienst en bijzonder het heilig ambacht der missie in minachting was: dat Rutger Broecksceerer de zieken bezocht en het gebruik der laatste Sacramenten verwierp”. Het bestek is te kort, om het proces verbaal door dien inquisiteur van den 15 Julij tot 7 Augustus 1547 opgemaakt, mede te deelen, genoegzaam zij het, dat hij den magistraat het voorstaan der Hervorming verweet en Godstoorn over eene stad waar de Katholieke godsdienst zoo zeer werd ter zijde gesteld voorspelde. En niettegenstaande dat schrijven, niet tegenstaande die beschuldigingen verlieten de Harderwijkers den ingeslagen weg niet. Dat Paus Paulus en na hem Julius schonken in 1547 en 49 zekeren Nicolaas Jansen Schijn eene Vicarie hier ter stede. De stadhouder bevestigde die giften en de domheer van Utrecht gelaste de erkenning, ja dreigden met den ban; maar de magistraat stoorde zich noch aan het een, noch aan het andere; de begiftiging, verklaarde hij, kon zonder hunne voorkennis niet geschieden, van daar dat het hof van Gelderland eene opgave van alle geestelijke goederen en inkomsten eischte, en dat een paar jaren later de officiaal der proostdij van St. Pieter te Utrecht eene statelijke remonstrantie aan burgeren en raden der Stad inleverde, waarin hij klaagde, dat de dooden te Harderwijk gemeenlijk en tegen het oud gebruik der Kerk des namiddags begraven werden en wel zonder zielmis en vigilie; dat de gemeenteleden verzuimden voor de kerk te zorgen, dat de Vicarissen de diensten veronachtzaamden en vele andere diensten opgeheven waren, terwijl de daartoe behoorende fondsen door de Regering tot andere einden gebezigd werden.

Het was alzoo niet zonder grond dat de keizer en later zijn zoon Filips de hervorming ter dezer stede vreesde. Den ingenieur Marcel Kelderman was in 1553 en volgende jaren last gegeven om het Blokhuis aan het Oosteinde der Stad te vergrooten.

In dien tijd toch was Harderwijk geheel met muur en vestingwerken omringd; waar thans de wellen niet weinig bijdragen tot het financieel beheer, was alles zee, ja, tot de muren.

HK2

Met bewilliging van den Raad was in 1539 door Willem van Gulick aan het oosteinde, waar thans het hoofd van den haven is, naast het taanhuisje een blokhuis gesticht, hetgeen met een hoek beitelsgewijze naar zee liep. Daar binnen stond de woning van den drost. De kelder is nog aan te wijzen. Aan het westeinde was de Stad evenzeer door een blokhuis versterkt, de plaats waar het stond bewaard door haren naam het aandenken en de koepel van den heer Gelderman wijst nog eene der strekten aan.

Het Blokhuis nu, het eerste door ons genoemd moest vergroot worden en alle gebouwen daar bij gelegen tot aan het nonnen klooster, thans de infirmerie en timmerschuur weg geruimd en daarbij aangetrokken. Met kracht verzette de magistraat zich dan ook tegen deze uitbreiding, het beroep op het tractaat van Venlo was vruchtloos, het blokhuis kwam tot stand; en met grachten en muren omgeven, terwijl van de stads zijde in de Oosterwijk twee poorten den toegang verschaften. De tuinen voor den haven tot bij de Zoutkeet wijzen het terrein nog aan.

Terwijl de Drost in 1564 afwezig was trok de regering de wacht op het blokhuis aan zich en was geenzins genegen om later die taak aftestaan, want bij het veldwinnen der hervorming kreeg die sterkte min of meer gewigt.

De gemeente toch weinig gesticht door het gedrag van den pastoor Rutger van Baer ontzag zich niet openlijk de prediking der hervormde godsdienst toe te laten, en twee predikanten wier namen ons onbekend bleven te laten prediken. Wij spraken daar over het gedrag van den pastoor van Baer, hem toch werd ten laste gelegd dat hij zich met hout uit het Putterbosch verrijkt had en die man verweet de gemeente hare hervormde gevoelens, den magistraat het begunstigen dier leer. De gemeente het geloof met dien Pastoor één achtende, wenschte nu de Hervorming door te drijven en de beelden der kerk te vernietigen. De Raad om dat te voorkomen deed ze, als ook de sierden der gilden door de gildenmeesters wegnemen en bewaren. De Pastoor, gemeene zaak makende met den Drost Otto van de Sande, klaagde over de gemeente bij Margaretha, en nu volgde al spoedig eene ernstige vermaning; ja de drost der Veluwe Willem van Scherpenzeel met zijnen landschrijver Jan Botter, kwamen herwaarts, om de dreigende ongenade des Konings voor oogen te stellen. Waartoe al dat nieuwe ingevoerd, zonder goedvindeen des Stadhouders? Maar ziet, der steden gezanten vertrouwden op de onmagt der landvoogdesse, op den invloed van Prins Willem en anderen; zij beriepen zich op de vrijheden, verontschuldigden zich en bleven op den ingeslagen weg voortgaan.

En nu verspreidde zich in 1566 de mare, dat alom in Vlaanderen, Brabant, Holland en Utrecht door de nieuwe predikanten gepredikt werd. Nu grepen de hervormingsgezinden moed, zij verzamelden zich en kwamen op zekeren dag, meer dan tweehonderd in getal naar het raadhuis, waar de Burgermeesters, Schepenen en Raadsleden vergaderd zaten. Coert Hendrikz voert het woord, en verzocht in aller naam,” dat de pastoor Rutger van Baer, die als dief en lasteraar, ook bij geestelijken als bij Theodorus Dorrke, toen kapelaan te Elburg, bekend stond, van zijne bediening ontzet zoude worden, en dat men der gemeente een predikant mogt verschaffen, die het woord Gods predike.” De Raad verklaarde de zaak te zullen overdenken.

Eenige dagen later zaten eenige aanzienlijken met den Secretaris Daniel Rensen in de gelagkamer van de herbergier Hendrik van Zevenaer. Daar hoort men eensklaps het gejuich vive les gueux, en de predikant Johannes Lijndenius of van der Linden vaart van Elburg de stad binnen. Hij kwam met Lambert Franksz, Burgermeester van Elburg, Hendrik ten Holt en anderen. Nauwelijks hadden deze mannen hun intrek genomen in de herberg van Hendrik de Haas, of eenigen der voornaamste burgers van Harderwijk vervoegen zich tot hen, waaronder Reinier van Speulde en Rensen. Na eenige woordenwisseling wordt gevraagd, waar Lijndenius zal prediken en men wijst het raadhuis of de markt aan. Rensen zegt, “ waarom preekt hij niet in de kerk, waar de beelden staan? De Apostelen preekten wel in heidensche tempelen.” In den namiddag preekte Lijndenius in de kerk der minderbroeders, waar thans de Concertzaal is, niettegenstaande het protest van den gardiaan, ja des andere daags op nieuw; waarna de twee burgemeesters hem in de herberg onthaalden en namens de Stad een geschenk van goud en zilver aanboden, hetgeen hij evenwel van de hand wees. Niet lang na Lijndenius vertrek, trad een andere predikant, de beroemde Jan Arendsz van Amsterdam, vergezeld van Reinier Cant op. De magistraat en de burgerij ontvingen hem met blijdschap, blijkens de Stadsrekeningen, en jong en oud, rijk en arm telde hij tot zijn gehoor. Hij werd op Stadkosten bij den herbergier de Haas onthaald en predikte des middags in de Minderbroederskerk. Nauwelijks was de godsdienstoefening geeindigd, of eenige woestelingen wierpen zich op de heilige beelden.

Nu werden op Stadskosten dagelijks predikanten gehaald en weggebragt. Heden hoorde de gemeente Albertus van Hardernberg, morgen Anastatius en Otto van Heteren, geene kosten werden nu voor de zaak van het geloof gespaard, afgevaardigden werden naar de Consistorien te Antwerpen, waar zij, tot de 30 tonnen gouds, den Koning voor de vrije godsdienstoefening, f 500,- aanboden, naar Lodewijk van Nassau, naar Brederode, Amsterdam, ja overal gezonden, waar de Regering en de ingezetenen meenden, dat de zaak der Hervorming kon voorgestaan worden.

Moest deze handelswijs bij het nemen van strengere maatregelen reeds de gramschap van den Koning opwekken, hoe veel te meer nog hetgeen bovendien geschiedde.

Wij spraken van het blokhuis. Ten einde zoowel de ingezetenen, als den magistraat, meer in toom te houden, had de stadhouder rondom de stad militaire magt verenigd, en sommigen zijner lijfwacht met een gedeelte van het garnizoen uit Nijmegen en Arnhem, door een gat in den muur, zonder iemands voorkennis op het Blokhuis gelaten, waarbij zekere Andries Roest onder belofte, van met het schoutambt begunstigd te worden, den drost behulpzaam was geweest. Maar ziet een paar visschers wilden des morgens vroeg naar hunne netten gaan en ontdekten den vijand. Spoedig is de burgerij van het verraad verwittigd; dan met niet minder spoed heeft ook de drost bespeurd, dat er voor hem geen tijd te verliezen is. Hij rukt met zijne soldaten naar de vischmarkt, bezet de straten en vernageld het geschut op het blokhuis. De burgerij vliegt op het luiden der klok naar het raadhuis, zekere Gerrit Bosch is vooraan en de Secretaris Rensen voert ze tot den vijand; de militairen trekken terug naar het blokhuis, de burgers vatten daarop onder Rensen post in het nonnenklooster, nu de Infermerie, en verspieden uit het dak de sterkte des vijands, die met het niet vernagelde geschut op de aanrukkende burgerij, inmiddels door de schepenen geordend, losbrande. Met het vallen van minigvuldige dooden en gekwetsten wakkert de moed der inwoners aan. Uit het dak van het klooster onderhouden zij een geregeld vuur op de belegerden terwijl een ander gedeelte door het niet geheel voltooit ronddeel aan de andere zijde van den Oosterwijk de sterkte binnendrongen en alles wat zij ontmoetten doodsloegen of schoten, uitgezonderd eenige weinigen, die door sterk bidden haar leven, maar eene zeer mishandelde huid behielden. Nu scheppen de burgers nieuwen moed, zij beklimmen de wallen, werpen de staketsels ter neder en dringen met zoodanig geweld door, dat verschillende soldaten over den muur in zee springen, anderen het gat, waardoor zij binnen kwamen ijlings wederom opzochten of in de kelders eene vrijplaats vonden. De Drost van der Sande behield ter naauwernood het leven, zijn huis werd geplunderd, en hij onder een tergend gejubel op de Luttekepoort in hechtenis gebragt, waar de burgers hem twee dagen in eene felle koude zonder eten of drinken lieten vertoeven. Het getal der gesneuveldevijanden beliep veertig, terwijl zeven en vijftig gevangen genomen soldaten niet dan onder belofte van in geen vier maanden tegen de stad te zullen dienen en deze daad nimmer te wreken, werden weggezonden.

Terstond nam de magistraat soldaten in dienst, herstelde het geschut en bragt het blokhuis in staat van tegenweer, waarvan de rekeningen nog voorhanden zijn.

Rensen werd des avonds naar Amsterdam gezonden en van daar naar Lodewijk van Nassau en Brederode. Beiden beloofden hulp en verwezen tot den graaf van den Bergh.

Inmiddels vertrokken de Schepenen Marissen en Brink naar Antwerpen, anderen verzochten eene Vergadering der Staten, ten einde de religionsvrede met klem te vorderen, waartoe eene bijeenkomst met de genoemde graven en Heeren en de bekende Vriedsche edelen Beijma, Galama, Sijtsema en anderen, wier leven later zoo treurig eindigde, niet weinig opwond. Hoedanig nu deze nederlaag en dit stout bestaan door den Graaf van Megen als Stadhouder, hoe door Margaretha werd opgenomen, is gemakkelijk na te gaan. De brieven aan den Koning ademen niets dan wrok en wraak. Dreigende boden werden telkens ontvangen, en in de eerste plaats de bevrijding van den drost geeischt. Maar de opgewondenheid was groot, en ruim eene maand werd van de Sande in eene bekrompe gevangenis gehouden.

Die opgewondenheid vervreemde echter velen van de zaak, daar waren er die de Hervormde godsdienst waren toegedaan, maar het schenden van het Souverein gezag misdadig achtten; daar waren ook velen, die ja de gebreken der moederkerk en priesteren betreurden, maar geenzins die kerk wenschten te verlaten en althans ter uitoefening hunner godsdienst evenzeer eene gelegenheid en gebouw eischten. En zoo was er al spoedig tweedragt, waar eendragt zoo noodzakelijk was.

Uit de brieven van den magistraat aan de steden Nijmegen, Arnhem en zutphen en de Gedeputeerde Staten van het kwartier de Veluwe blijkt, dat zij in het in stilte bezetten van het kasteel door den drost eenen aanslag op de vrijheid zagen, eene verguizing der vrijheden en van het tractaat van Venlo, voorts vroegen zij raad hoe verder in deze algemeene zaak te handelen.

Uit de notulen der Staten dd. 30 December 1566 blijkt, dat Ernst Witte, Burgemeester dezer stad daar de voorspraak bij den stadhouder verzocht, ten einde tot een vergelijk te komen. Nijmegen sprong dan ook in de bres en trad als bemiddelaresse op terwijl middelerwijl de Stadhouder van Megen van alom krijgsmagt verzamelde om in het midden van Februarij naar herwaarts te komen: was hij eenmaal in aantogt dan wilde hij van geen verdrag meer hooren, had hij te kennen gegeven.

Meer en meer begreep de magistraat dat een verdrag noodzakelijk was; van alle kanten werd die raad gegeven. Amsterdam en Utrecht schreven brieven; Lodewijk, ja zelfs Brederode vonden de zaak te netelig, en aan tegenstand te denken ijdel. Witte en Reinier Wolf werden vergezeld door raadsvrienden uit Arnhem, Zutphen en Nijmegen en door den raadsheer Frederik van Boijmer, nadat met moeite uit Brussel vrijgeleide was geschonken, afgevaardigd. Te Groot Driel stelde van Megen, voorbehoudens des konings goedkeuring de volgende voorwaarden. Binnen drie weken moest alles op ’s Konings huis hersteld worden of de kosten, behoorlijk gewaardeerd, gestort, het geschut en geweer der stad en burgerij moest overgeleverd worden; den drost van den Sande en zoveel garnizoen als de landvoogdesse noodig achtte toegelaten; alle predikanten of dienaren der Hervormde Godsdienst verjaagd; het vernielde aan kerken en altaren hersteld en vergoed; werd eenige reformatie of verandering in den godsdienst door den Koning toegelaten dan zou deze gemeente ook daarin deelen, maar zoo lang waren alle verdragen en verbonden met andere steden en Heeren aangegaan nietig. Voor zoo verre de ingezetenen en de stad zich tegen den Koning vergrepen hadden werd geen regt gesproken, voor dat Filips daarin beslist zoude hebben want de landvoogdesse wenschte, dat het hof van Gelderland, als hebbende het regt over misdaden van gekwetste majesteit zoude erkennen. Eindelijk moest ter nakoming dezer voorwaarden tot een bedrag van ƒ100.000 borg gesteld worden. Zonder antwoord te wachten trok de stadhouder naar Oosterwijk, werwaarts de stadsgezanten en twee gemeensleden met de afgevaardigde der genoemde Steden namens de Staten volgden. Daar verwierpen zij de voorgestelde voorwaarden; maar verzochten genadiger. Menigvuldig zijn de stukken door van Hasselt uitgegeven over deze onderhandelingen; de graaf liet zich verbidden door het Geldersch geregthof; maar toch weigerden de meeste gildebroederen de bezwarende punten aan te nemen, en ook de magistraat was daartoe niet gezind; want inderdaad, de voorwaarden waren slechts in zooverre gewijzigd, dat het zijdgeweer mogt behouden worden, dat in plaats der borgstelling van ƒ100.000 het verpanden der stads inkomsten voldoende zoude zijn dat de graaf zou trachten bij den Koning verder gratie te verwerven.

Maar het aanrukken van talrijke legerafdeelingen onder den Stadhouder, het ernstig voorhouden der gevolgen door het hof en de Staten, de onderwerping en moordtooneelen van Valenciennes, ja de brieven der verbondene edelen deed begrijpen dat tegenstand eene dwaasheid bleef; en op 22 Maart werd het verdrag gesloten.

Nu bezette de drost met honderd soldaten het blokhuis en de R.C. godsdienst werd hersteld.

Naauwelijks was echter de schrik voorbij, of de gezindheid tot de Hervormde leer kwam op nieuw boven; ja ging zoo verre, niemand zal het gewis billijken, dat de ingezetenen verklaarden het verdrag was niet verbindende en de eed ontbindbaar voor God; in stilte verscheen dan ook Lindenius en zekere predikant Booijmer. Buiten voorkennis des drost werden gemeensleden gekozen, de schutterijen versterkt en bij de poorten wachten gesteld, voorts reisden telkens van hier boden naar de verbondene edelen en Consistorien.

Twee leden van het hof, de raadsheeren Apeldoorn en Pannehoek kwamen daarom eensklaps in November 1567 hier en stelden na alles een naauwkeurig onderzoek in. Al de reizen, alle handelingen waren bekend, voor alles werd verantwoording geeischt.

Het is waar Schrassert heeft een uitreksel medegedeeld, maar de stukken bij van Hasselt na te lezen, liever in het oorspronkelijke op het archief, vervuld meer met eerbied voor hen die zooveel voor de Godsdienst hebben gewaagd. Gij ziet daarin, wat al deel en Lodewijk van Nassau en Vrieslands edelen, en Brederode en van Marnix aan onze Hervorming hebben genomen. Gij hoort hoe Harderwijk op de verbondene edelen en op Amsterdam vertrouwd hadden toen zij de bezetting verdreven, gij hoort hoe Lodewijk en Brederode wenschte dat de Staten zich beroepende op de regten der Duitsche rijken, in de bres sprongen, gij verneemt hoe de edele Floris van Palland Heer van Cuilenburg ja de zaak voorstond, maar ten einde raad was, hoe de edele Willem daar den naam van den zwijger teregt verdiende, door te zeggen, dat hij ditmaal niet antwoorden kon. En wanneer gij nu bedenkt, dat al die reizen, al die gevaren door den Secretaris Daniel Rensen werden geleden, dan zult ge gewis met ons voor hem eerbied gevoelen en niet minder voor hen wier afgezant hij was, maar die helaas door hunne vrienden en geloofsgenooten verlaten werden.

Wel gaven de Burgemeesters Ernst Witte en Lambert Brink op al de vragen antwoorden, wel verschuilde zij zich gedeeltelijk door aan te voeren, dat de oude magistraten ter stond na den aankomst van den drost en het verdrag door den stadhouder grootendeels waren verwijderd en het geven van inlichtingen alzoo moeijelijk was, te meer daar het getuigen tegen zich zelven en bloedverwanten in regten niet geldende was, maar moest daarin niet reeds gedeeltelijk eene erkentenis van schuld gezocht worden. En niettegenstaande die gevaren, predikte hier nog de Hervormde leeraar Boeijmer, die tevens de gemeente te Elburg bediende!

En ziet inmiddels was Alba in Nederland gekomen, zijne eerste blikken waren naar herwaarts. De beeldstormers waren gevangen genomen, geene uitvlugten konden meer baten, waren de schepenen niet bekwaam, regtsgeleerden zouden bijstand bieden. De Stadhouder vergezeld door de raadsheeren van Apeldoorn en Jan Urd vertoefden hier in Maart 1568; zij ontboden bovendien den raadsheer van Wesenhagen en den griffier Roos om alle de priviligien en brieven der Stad over te nemen. Daarna verscheen Alba in persoon; en spoedig was geen ketter meer veilig. De oud Burgemeester Wolf van Ommeren redde zijn leven door in eene wolzak bij zijne buren te kruipen, en ontkwam het gevaar, ofschoon toen men naar hem zocht de daar nevens liggende zakken doorboord werden. Ernst Witte verborg zich in een geleegd secreet en ontkwam het gevaar in vrouwenkleederen, zoowel zij als Geraard Maurissen, de famielie Voeth, van Speulde, Brink, Heeck, Hegeman, Greven, Dompselaer en vijf en twintig anderen, te veel om op te noemen, werden ingedaagd, en bij verstek tot den galg, met verbeurdverklaring der goederen veroordeeld. Allen hadden zich echter door den vlugt gered en vertoefden te Emden en in andere Duitsche plaatsen, terwijl enkelen op het huis ten Ham, omtrent Laer verbleven.

Alleen de vlugt kwam alzoo het bloed vergieten voor.

Voorts werden de Stads – geldkisten tot den bodem geledigd, en de goederen der gevlugten, ook buiten de beschrevenen, als zijnde in andere gemeenten, gelegen geweest. Dat Alba’s bestuur hier strenger dan elders was, zal niemand bevreemden, maar evenmin dat de voornaamste burgers de stad en het lieve vaderland telkens verlieten.

Dan wat zegt dit alles bij het bloedbad van Valenciennes. Toch immers een tiental jaren later de edele broeder des Zwijgers Johan van Nassau, het bestuur van dit gewest onder Mathias van Oostenrijk voerde, toen de Hervorming zegenvierde, was al het leed vergeten, ja werd integendeel door de eerste Vorsten van het huis van Oranje, erkennende dat van hier in Gelderland de vrijheid onder de banier voor Oranje was uitgegaan, ruimschoots vergoed.

EINDE.

 

 

Dit bericht was geplaatst in Verhalen bundel.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *