Harderwijks bevolking

Voormaals en thans

 

          De physische gesteldheid van den bodem, de daar tehuis behorende dieren- en plantenwereld, het aanwezig zijn van grote of kleine stromende wateren,de nabijheid der zee en verschillende andere omstandigheden zijn va zo`n groten invloed op de bewoners van elke landstreek, dat het nodig is eerst een blik te slaan op de plaats door den mens zich tot verblijf gekozen, alvorens over die bewoners zelven te spreken.

          Harderwijk, den oudste, en wat aanzien en zielental betreft nog steeds de tweede stad der Veluwe, heeft evenals vele steden en dorpen van oude dagtekening, een tijd gekend van zeer langzame ontwikkeling, het verheugde zich eenmaal in ene glansperiode, zowel op het gebied van handel en nijverheid, als op dat van wetenschap en kunst.

          Om nu het innig verband tussen woonstede met omgeving en de bevolking daarvan enigsinds nauwkeurig te kunnen aanwijzen, is in de eerste plaats nodig, hier een beknopte schets te geven van de gesteldheid der Veluwe, inzonderheid van dat gedeelte hetwelk zich uitstrekt van den Eemsmond tot iets beoosten de Zuiderzeestad Elburg.

         Dat land behoord tot de oudere, hoewel voltrekt niet tot de oudste formaties van Nederland, dewijl de bodem gebracht moet worden tot  het laatste gedeelte van het diluvium, toen, vooral wat het Zuidelijke en Zuid-Oostelijke helft betreft, de snelstromende wateren van Rijn en Maas uit het hoger liggende bergland de grondstoffen aanvoerden, die in de vlakte moesten bezinken.

          Ook hebben de Westphaalse hoogten en de Scandinavische bergen de bouwstoffen geleverd voor een goed deel van Gelderlands bodem.

          Zand komt op de Veluwe het meeste voor, maar in grotere of geringere mate vermengd met leem in het Zuiden en Oosten, overal met grind en keien van kwarts en graniet en met reuze stenen, zogenaamde zwerfblokken, in het Noorden en aan den Oostelijken rand.

          De vlakte wordt hier en daar afgebroken door alleen staande verhevenheden, veelal echter door heuvelreeksen van verschillende hoogte, de laatste behoren tot de oorspronkelijke formatie, de eerste zijn bijna alle het gevolg van het ontbloten der vlakte en de daardoor ontstane zandverstuivingen.

          Van de hoeveelheid leem met het zand vermengd en het aanwezig zijn van veen hangt voor een goed deel af of landbouw en veeteelt met vrucht kunnen worden beoefend en was dat in overoude tijden de aanleiding, dat nederzettingen op de Veluwe plaats hadden. Daarom is het verschil van bevolkingsdichtheid zeer groot; slechts op enkele punten der strandlinie op den Zuidelijken zoom en in de Gelderse vallei concentreerde zich onze voorouders, en legden zij den grond voor enkele steden en enige dorpen.

          Op de bevolking van Harderwijk en Nijkerk is van groten invloed geweest het bestaan van het uitgestrekte woud, waarvan men na de verdwijning de naam heeft  gegeven van Holland-Zuiderveen. De naam duidt reeds aan, dat de oorspronkelijke zandbodem bedekt was met ene laag van heel en half vergane planten, bladeren en bomen,terwijl hier en daar het veen weder bedekt was met zware klei, die meest door Rijn en IJssel, maar ook voor een groot deel door de Vecht en de kleinere Friese rivieren werd aangevoerd.

          In het tijdperk van het volledige bestaan der woudwei- en veenstreek tussen de eilanden Texel, Vlieland, Terschelling en de tegenwoordige Zuiderzeekust is de Veluwe bevolkt geworden.

          Die Woudstreek was met tal van wateren doorsneden; overal waren plassen en meren; reeds tijdens de Romeinen in ons land hunne burchten bouwden, werd gesproken van een aanzienlijk meer, Almare geheten.

          In de 12e – en meer de 13e eeuw brokkelden de oevers dier waterplassen voortdurend af, het water werd brakker, eindelijk geheel zout; het had toen reeds de tegenwoordige kust bij Lemmer, Blokzijl en Elburg bereikt. Harderwijk behield nog lange tijd ene brede strook voorland, hetwelk de stad scheidde van de zee.

          Slechts enkele plekken van de uitgestrektheid gronds, groter dan geheel Gelderland en Utrecht samen, waren ter bewoning geschikt maar dan alleen nog in den zomer en niet te ver verwijderd van hogeren zandgrond, grenzend aan het veen. Veeteelt was toen hoofdzaak, landbouw en visserij waren van minder betekenis.

          De gehele Veluwe, inzonderheid de Noordrand met de nederzettingen in en om de eerst veel later tot steden aangegroeide plaatsen Nijkerk,Harderwijk en Elburg, zag er een duizendtal jaren vroeger ongetwijfeld geheel anders uit dan thans, nu het veen tot een binnenzee is geworden, de bossen zijn geveld, de delen met waterplanten bedekt en elzenschaarshout omzoomd, met stuifzand zijn gevuld.

          De heerlijke houtpracht is verdwenen, ze maakte plaats voor het eenvormig kleed van brem en heidebes, van de erica vulgaris op de hoge gronden en de erica tebralio op vochtige plekken ( broeken ).

          Daar, waar de eerste bewoners de open ruimte van het bos onder den ploeg hadden gebracht, verbouwde men de graansoorten, die ook nog in onze dagen op zandgrond het weligst tieren, rogge en boekweit. Zulke akkers in de onmiddelijke nabijheid der gemeenschappelijke nederzetting, bleven eeuwenlang gemeengoed van de bewoners, elke groep koos zich het beste deel uit,dat voor zulk een ontginning het meest geschikt was. Dat land heette esch of eng en breidde zich in gelijke mate uit,als het getal zielen toenam, en toen later die akkers bijzonder eigendom werden, bleef de omliggende weide-,jacht-en bosgrond nog gemeen goed. Het heideveld werd beroofd van de schrale humuslaag en met de afgestoken plaggen het land van de eng bemest; daarom vindt men thans in de hoven en op vele akkers om Harderwijk die vruchtbare zwarte teelaarde, welke niet zelden ter dikte van twee en meer voet op den zandgrond rust.

          Natuurlijke open plekken telde de Veluwe weinig, en die welke ten Noorden van Harderwijk waren gelegen vormden slechts waterplassen te midden van het dichte veenwoud. Bijna overal waren reusachtige dennen, zwarte peppels en wilgen de overheersende boomsoorten maar ze hielden later op koningen des wouds te zijn, toen ze langzaam maar zeker werden verdrongen door den statige eik, die echter op zijn beurt weer moest plaats maken voor den beuk. Els en berk vormden op tal van plekken het dichte onderhout.

          Het ligt voor de hand, dat in zulk ene woudstreek, waar de koesterende zonnestralenniet dan spaarzaam tot op den vochtigen grond konden doordringen, aan akkerbouw akkerbouw weinig werd gedaan en dus de bevolking dezer plaats wel gedwongen was op andere wijze in hare behoeften te voorzien.

          Handel van enige betekenis kende men niet, daartoe stond men nog op te lage trap van beschaving, de behoeften waren te gering; wat men nodig had werd betrekkelijk gemakkelijk verkregen en de gehele landstreek van Texel tot Wageningen, van Gooiland tot de Isala ( Gelderse  IJssel ) was zo schraal bevolkt, dat de verkeerswegen zich bepaalden tot meren, stromende wateren en voetpaden door het woud.

          Voor de jachtwas op de gehele Veluwe gelegenheid in overvloed, want het wild was er talrijk; oeros en eland ruimden het eerst het jachtveld, langer hielden wolven en wilde zwijnen stand, terwijl het edele hert nu door de wet beschermd, nog in onze dagen de Soerense bossen, Elspeter- en Vierhoutense bossen bewoond. Bevers kwamen in grote getale voor in en om het meer Almare, en de daarin stromende rivieren en dat watervogels en steltlopers hier bij duizenden werden geteld zal wel geen verwondering wekken. Hoogstwaarschijnlijk is de visserij toen van weinig betekenis geweest voor hen, die de plaats, waar nu Harderwijk staat, bewoonden, want de afstand tot het meer was te groot, en de strook tussen dien plas en den hogeren zandgrond, een weelderig bos, dat de gemeenschap met het meer juist niet gemakkelijker maakte.

          Maar er kwam verandering in die toestand, de binnenzee en de binnenwateren aan den enen kant, de mens aan den anderen, gaven aan de physionomie van die grote uitgestrektheid gronds een geheel ander aanzien. Het veen sloeg weg met boom en struikgewas, de statige bossen vielen het ene voor en het andere na onder de bijl, het jachtwild verdween, en het schaap hielp den mens trouw om den groei van het telkens weer opschietend hout in de geboorte te vernielen. Toen werden vele hectaren gronds tot eeuwenlang onvruchtbaarheid gedoemd, en veel bosland werd in water herschapen.

          Waar de wind vrij spel kreeg op een gedeelte heidegrond, door de mens van plaggen beroofd, ontstonden die vreselijke zandverstuivingen, welke zo menige eng bedolven; de vernieling van bossen en akkermaalshout bevorderden en eindelijk een geduchte gevaarlijke vijand werden voor enkele plaatsen, waar men zich ene gemene woonstede had verkozen.

          De gehele Veluwestreek is met uitzondering van enige punten nog dun bevolkt; het zielental in dorpen en steden is wel toegenomen, maar de eigenlijke heide of liever toenmalige woud was vele eeuwen geleden vrij wat beter bevolkt dan thans, nu het naakte veld schier geen ander middel van bestaan opleverd  bij den meest inspannenden arbeid.

          Heeft de Noordrand der Veluwe ene eigenaardige flora, die nog veel exemplaren vertoond van planten, eigen aan zilten veengrond, bijv. in de omstreken van Spakenburg en op de weilanden tussen Nijkerk en de zee, niet minder eigenaardig is de bewoner dezer streek en in scherp contrast met de bevolking der Zuidelijke en Zuid-Oostelijke delen van Nederland. Natuurlijk geld dit het meest voor het platteland, hoewel in enkele dorpen als: Nunspeet,Putten enz. het typisch Veluws veel heeft geleden. In vroeger eeuwen, toen samensmelting van verschillende stammen nog weinig of niet had plaats gehad, was van dat eigenaardige ook nog niets verloren gegaan, en zal de vaster grond, die genoemd Hollands-Zuiderzeeveen omzoomde, waarschijnlijk bewoond zijn geweest door mensen behorende tot de familie der Noordzeevolken.

          Op de Veluwe echter had spoediger en gemakkelijker vermenging plaats, dan in het van twee zijden door de zee begrensde Noord-Holland ( Kennemerland ) en Friesland, in welk laatste gewest de bijzondere gesteldheid van den waterrijken bodem er het hare toe bijdroeg, om evenals op verreweg de meeste eilanden den grondvorm van den Friesen stam bewaard te doen blijven.

          Het gedeelte der provinciёn Overijsel, Gelderland en Utrecht begrensd door de Zuiderzee, was omstreeks tien eeuwen geleden bevolkt door zuivere Friesen, terwijl de gemeenschap met hun stamland, zowel in het Noord-Oosten, tussen Dollard en Skieling, als in het Noord-Westen, tussen het uitgestrekte Veenwoud en de strandlijn der Noordzee beter werd onderhouden, zolang slechts kreken, meren en plassen, de bevolking der Veluwe van dat stamland scheidden.

          Een veel aanzienlijker deel echter van den Geldersen zandgrond ontving zijne bevolking minder uit het Noorden, dan wel uit het Oosten. Zij is van Neder-duitse afkomst en heeft zich niet alleen op onze Veluwe, maar op vele zandgronden van het Nederlands diluvium metterwoon gevestigd.

          Natuurlijk is het dus, dat sterke vermenging, bijna samensmelting der Saxische en Friese groepen moest plaats grijpen op dat gedeelte der kust, waar het veen ophield en het diluviale zand begon.

          Maar nog een derde volksstam, waarover later meer zal gezegd worden, vesti gde zich in dat deel van Gelderland, hetwelk behoort tot het lage, vruchtbare Maas en Rijn aluvium; hij bezette het beste gedeelte der Felua ( Veluwe ), den zuidelijken rand, en kwam toen spoedig met Saxers en Friesen in geduchten strijd, die eindigde met algehele onderwerping van de bewoners tussen de tegenwoordige monden van Eems en Geldersen IJsel.

          Friesen, Saxers en Franken hadden in veel punten overeenkomst met elkander, ze behoorden allen tot de grote Germaanse volkengroep, die drie vierde van het oude Germaniё, Nederland,Galliё en Engeland ( zonder Schotland en Ierland ) bewoonde.

          Reeds voor het Frankische tijdvak, van zoveel belang voor de landstreek tussen Nijkerk en Elburg, had Romaanse invloed gewerkt op de hier gevestigde bevolking; maar hoewel talrijke legers uit Italiё ons land bezochten, op de belangrijkste strategische punten zware burchten werden gebouwd, overblijfselen van Romijnse beschaving en kunst nog worden ontdekt in sommige delen des lands, zullen hoogstwaarschijnlijk het drassig Zuiderzeveen en de schraal bevolkte, bosrijke Veluwe van Romaanse vermenging weinig of niets hebben ondervonden. Toch zijn in Harderwijk sporen van Zuidelijk bloed merkbaar; we zullen later zien,dat deze van veel jonger dagtekening zijn.

          Wat is hier nu van overgebleven van den Friesen, Saxischen en Frankischen invloed?

De Friesen hebben met taai geduld en de grootste krachtsinspanning getracht, hun gezag te handhaven in Noord-Westelijk Nederland. Alle gronden, thans onze bekende binnenzee uitmakende, vooral ook de oevers van het meer Flevo en den aan het woudrijk veen palenden,niet minder boomrijken Veluwenzoom, behoorden tot hun gebied, en zwaar en langdurig,met afwisselende kansen is de strijd geweest eerst tussen hen en de Saxers, later met de laatsten verenigd tegen de meer te duchten Franken.

          Toen de gemeenschap over land tussen hunne verwante broeders in Kennermerland en het Noord-Westelijke deel van de Veluwe moeilijker werd en eindelijk geheel ophield, nam het Frankisch element bij ons sterker toe. Het dialect hier gesproken hangt echter inniger samen met dat van het Noorden, dan met dat van het Zuiden, waar de Franken overheersend waren, een bewijs dus te meer, dat onze voorouders oorspronkelijk van Friesen stam zijn. Die bij enige individuen uit Harderwijk en omstreken bij veel punten van overeenkomst ook verschillen kan opmerken, zal spoedig zien,dat de lichaamsbouw, de huidskleur en groeiwijze der haren, de ogen enz. bij die individuen tamelijk sterk uit elkander lopen.

          De gestalte van vele Harderwijkers is lang, ze zijn niet breed van schouders, hebben vrij dunne, maar gespierde armen en benen, hoofd en aangezicht zijn langwerpig ovaal, de huid, vooral bij kinderen en vrouwen zijn blank, het haar is bijna wit tot rosblond, de ogen zijn grijs en lichtblauw, het gebit is regelmatig en krachtig. Personen nu met  de meeste dezer lichamelijke hoedanigheid in hogeren of minderen graad, zijn ongetwijfeld afstammelingen dier oude Friesen, welke vele eeuwen geleden in deze landstreek woonden. Hun type komt nog het meeste voor onder het landvolk van Hierden en de vissers van Harderwijk, maar evenzeer onder de bewoners der beide andere reeds genoemde steden en de kleinere plaatsen langs de zeekust.

          Letten wij nog even op den bouw en de inrichting de woningen, inzonderheid dien ter platten lande, dan is daarin zowel Friese als Saxische invloed merkbaar. De muren, de achtergevel veelal van hout, zijn laag, het dak is zeer hoog, het binnenvertrek en de opkamer zijn slechts spaarzaam verlicht, omdat de vensters in den regel smal zijn. Elke woning heeft haar grote deur in den voorgevel, maar evenzeer ene, die veel lager en smaller is in den zijmuur. De eerste was den ingang voor den vrijen man en diens gezin, de tweede die van halfhorigen of liten. Ook in Harderwijk kan men iets dergelijks waarnemen aan elke woning, waar een brink, een dwarsstraat of slop, daar voor slechts gelegenheid aanbiedt.

          De Saxers, die ons land bewoonden, en hun hoofdzetel hadden in Overijsel, Drenthe, en de Oostelijke Veluwe, maakten deel uit van een bondgenootschappelijk volk; zeer nauw aan de Friezen verwant.

          Hun lichaamsbouw, was minder schraal, zij waren breder, forser en kleiner, hun haar was donkerblond. Het type van deze volksstam  komt hier ter stede en in de naburige dorpen nog veel voor. War de grond maar enigsinds den arbeid loonde, stichten zij grote landshoeve, de esch of eng werd met een tamelijk hogen wal omgeven en met dicht schaarhout bepoot.

          De brinken ( marktpleinen ) in de Gelderse en Overijselse steden en dorpen zijn van Saxische oorsprong, zo ook de marktgronden en maalschappen. Het recht werd bijSaxers en Franken uitgesproken door schepenen en het land berekend bij hoeven.

          Reeds in den oudste, authentieke stukken over de regering van Harderwijk, wordt dan ook melding gemaakt van een Schependom, waartoe ook de bouwerschap Hierden gerekend werd.

          De Franken vestigden zich hier het laatst, toch is hun invloed op de bevolking dezer landstreek het Sterkst geweest. Oorspronkelijk behoorden zij tehuis in midden Duitsland en in Galliё en zijn ethnologische nasporingen het overblijfsel van ene volkengroep, die tot de Kelten behoorden en slechts ten dele werden gegermaniseerd.

          De gestalte dier Franken, of Keltische Germanen was kort. Zij waren sterk gebouwd, tamelijk breed geschouderd, hun aangezicht was minder ovaal, hun hoofd meer rond, haar en ogen waren donker, de huid eveneens blank, dan bij de Noordzee volken. Die Franken drongen steeds verder op uit Galliё en het land der Belgen, en een deel hunner vestigden zich op den vruchtbaren grond tussen Maas en Rijn, om eindelijk na een bloedigen kamp zich te nestelen in de Saxische gouwen der Overveluwe.

         De Saxisch-Friese bewoners werden ten laatste geheel onderworpen en tot onvrijen gemaakt. Zij werden voor zoverre dat doenlijk was verduitst terwijl nauwe aanraking en gemeenschap met het Noorden des Lands steeds moeilijker werd.

       Frankisch bloed is in de stad onzer inwoning en in de daar om heen verspreide dorpen eveneens nog duidelijk merkbaar aan lichaamsbouw en schedelvorm, aan de kleur van der huid, der haren en ogen.

          De Frankische stam is in geheel Gelderland de heersende geworden, hij werkte het krachtigst om den Friesen en Saxischen stam zoveel als maar mogelijk was in zich te doen opgaan.

          De ethnologische toestand van elk rijk, en zelfs die van elk gewest, of elke gemeente van enige betekenis, ondergaat voortdurend wijzigingen, die nu eens sterker, dan weer zwakker zijn, maar welke niettemin nooit nalaten de fusie of samensmelting voor korter of langer tijd te vertragen, en daarom storend inwerken op een zekere neiging, om de gehele bevolking van stad of gewest tot een gelijksoortig geheel te verenigen.

         De bevolking van Harderwijk wijst duidelijk aan, hoe langzaam zulk ene fusie tot stand komt, dewijl nog in onzen tijd zeer goed is waar te nemen, dat drie groepen haar contingent hebben geleverd aan het Schependom van dien naam. Meer nog dan ene andere stad van ongeveer gelijke grootte en gelijk zielental nam onze burgerij reeds gedurende het laatste gedeelte der middeleeuwen telkens vreemde elementen in zich op, omdat zij belangrijk deel had aan die langzame, maar vaste stroming, teweeggebracht door een vroegeren, bloeiende handel, door ene destijds evenzeer gewichtige nijverheid en uitgebreide scheepvaart.

          De geschiedenis leert ons hoe Harderwijk, ook vooral na 1500, onmogelijk vrij kon blijven van zulke wijzigingen van den heersende tijd der gezamelijke inwoners.

         Wel had en heeft de grootste vermenging plaats in de zogenaamde centrums des lands, zoals Amsterdam, Rotterdam,Arnhem enz, maar vroeger was de betekenis dezer stad vrij wat belangrijker, en mocht zij ook als een centrum beschouwd worden, tijdens de bloeiperiode van het Hanzeverbond, 1300-1500.

          Niets kan evenwel den overwegende invloed van het Frankisch element blijven tegenhouden, want al is het Friese dialect, inzonderheid bij de dorpsbewoners, na zoveel eeuwen nog lang niet geheel verloren gegaan, toch hebben de Franken zowel op zeden, op de taal, als op de kleding der Overveluwers hun eigenaardigen stempel gedrukt.

          Het is niet doenlijk op alle historische feiten te wijzen,welke op ethnologie van Harderwijk van enigen invloed zijn geweest, daarom wil ik volstaan met slechts die aan te halen, welke voor haar bevolking van grote betekenis waren.

          Friesland streed lang voor zijn onafhankelijkheid, vele krijgstochten waren gedurende het einde der 15de eeuw en het begin der 16de eeuw nodig, om den vrijheidslievenden Fries tot onderwerping te brengen aan Maximiliaan van Oostenrijk en later aan diens kleinzoon Karel V, terwijl Harderwijk toen gedurende vele jaren de wapenplaats en oorlogshaven was voor de legers, welke op hare schepen naar de voornaamste Friese kustplaatsen werden overgebracht.

          Wel bestond de kern dier legers aanvankelijk uit Gelders krijgsvolk, maar later namen tal van Bourgondiёrs aan die tochten deel; en hoe menig Bourgondiёr zich binnen Harderwijks wallen nestelden, om daar voorgoed zijn tabernakel op te slaan, zullen we gelegenheid hebben na te gaan.

         Tot 1500 had weinig vermenging plaats met Zuidelijkbloed, hoewel de handelsbetrekkingen, door deze koopstad onderhouden met de voornaamste havens van Frankrijk, Portugal, Venetiё, enz., reeds gedurende de gehele 15de eeuw van het grootste gewicht waren. De drukste scheepsvaart werd echter onderhouden met de Noordelijke en Westelijke Hanzesteden,t.w. de meeste Oostzeehavens, Hamburg, Bremen, Londen en anderen.

          De handel in wol, koren, hout, stokvis en traan had wel tengevolge,dat vele Noren, Engelsen en Noord-Duitsers hier hunne woonplaats kozen, maar de grondvorm der laatst en voorlaatst genoemden kwamen reeds in lichaamsbouw, huid- en huidskleur met die van het Friese element overeen, en strekte dus alleen om den Frankische invloed een weinig te verzwakken.

          Tot het einde der 15de eeuw is het getal vreemdelingen, herkomstig uit de Zuidelijke en meer Oostelijke staten van Europa, die in de burgerij worden opgenomen, betrekkelijk gering, maar de volgende eeuw zal daarop groter invloed doen gelden, te groter naarmate Harderwijk als handelsstad en zeehaven in aanzien afneemt.

          Schrassert zegt in zijn tweede deel van Hardevicum Antiquum,”dat ze tot hiertoe ( 1500 ) ene nering en schatrijke stad was, de toevlucht, honingbij en melkkoe der behoeftige vorsten ( de Gelderse Hertogen ); in waarheid een der bloeienste markten van Gelderland,maar helaas, in de volgende eeuw zijn op haar enige droevige wolken nedergestort en als een gestadigen vloed van ellende over haar hoofd gegaan. IJselijke branden, zware belegeringen en inlegeringen, vijandelijke overvallen, onverhoedelijke verraderijen en innemingen, inwendige beroerten, veranderingen in regering en godsdienst, scherpe vervolgingen en andere onheilen zullen ons in dezen tak destijds voorkomen.”

          Als eerste belangrijk feit moet genoemd worden de geduchte vrijheidsoorlog van 1568-1648. Spaanse en Italiaanse legers overstroomde bijna ene eeuw lang den Vaderlandsen bodem. Duizenden vonden hier hun graf, velen keerden naar hun geboorteland terug, maar een groot aantal zal zich in die jaren hier en elders in de Nederlandse provinciёn gevestigd en met de bevolking vermengd hebben.

          Ook de Zuiderzee was vaak het toneel van den strijd, hetgeen ten gevolge had, dat vreemde krijgsknechten zich nu eens korter, dan weer langer ophielden in de meeste kustplaatsen der omliggende gewesten.

         Reeds vòòr het begin der tachtigjarigen oorlog schijnt het getal poorters, dat uit zuidelijke landen binnen onze stad eene vaste woonstede had gekozen, niet onbelangrijk te zijn geweest, en werkelijk waren Maximiliaan, Phillips den Schone en Karel V,de Bourgondiёrs dikwijls bevoordeeld ten koste der landzaten.

          Dat deze of hunne kinderen de rechten der hun vroeger verleende gastvrijheid vaak schonden, blijkt daaruit, dat zij wel eens heulden met den vijand. Toen laatstgenoemde vorst bij herhaling pogingen aanwendde om Karel van Gelder tot den vrede te dwingen, en Harderwijk verscheidene malen gedurende die worsteling belegerd werd, waren vele ingezetenen op den hand van den keizer. In de reeds genoemde beschrijving van Harderwijk vindt men tenminste opgetekend, dat niet weinig oproerkraaiers en verraders onder de ingezetenen schuilden, van wie men openlijk zeide: “Soo men hun hert opensnede, men soude daerinne vinden een Bourgoens kruys”.

          Kan ook de Veluwse school nog een anderen, dan een intelectuelen invloed hebben uitgeoefend op de bewoners der stad? Wanneer we letten op den buitengewonen bloei, waarin die beroemde stichting zich eens mocht verheugen, dan kan de vraag niet anders dan bevestigend worden beantwoord.

          Uit alle oorden van Friesland, Holland en Overijsel trok zij hare leerlingen, terwijl bovendien vele uitheemse liefhebbers van handel en nering en de edele kunsten door den roem van den geleerde leeraren hierheen werden gelokt.

          Van groter invloed is ongetwijfeld geweest de Gelderse Academie, die in 1600 gesticht, niet alleen vele buitenlanders als professoren hierheen deed komen, maar ook oorzaak was, dat verschillende familiёn zich hier tijdelijk of voorgoed vestigden.

          In 1616 ontving de Academie op aanraden van Prins Maurits, zelfs gelden om daaruit beurzen te geven aan buitenlandse studenten.

De hoogleeraren, die hier werden beroepen, waren in den regel Nederlanders van geboorte, maar men behoeft slechts even naar de naamlijst in te zien van hen, die met de leiding der studiёn waren belast voor de verschillende faculteiten om te weten, die hier van 1600 tot 1811, het jaar der opheffing van Harderwijks Universiteit, ook een groot aantal vreemdelingen tot professoren zijn benoemd.

          Zo vindt men onder geboortig uit Polen, Bohemen, Denemarken, Waalsland ( Luik ), Auvergne in Frankrijk, enz. Ofschoon niet allen hier tot hun dood werkzaam bleven, was dat toch met enkel wel het geval, o.a. met Johannes Isacius Pontanus, een Deen, die hier in de eerste helft der 17de eeuw overleed.

          De verwoede Godsdienst-oorlog, die van 1618 tot 1648 Duitsland teisterde en niet zonder invloed bleef op ons land, bracht groten scharen krijgsknechten uit Hongarije, Illyriё en Cratiё binnen onze grenzen.

          De Oostenrijkse bevelhebber Graaf van Montecuculi, zond ene sterke afdeling Croaten onder Graaf Henrick van`s Heerenberg naar de Veluwe.

          Maandenlang zwierven die benden om de stad; ze hadden hun hoofdkwartier in Ermelo, maar konden het in staat van tegenweer gebrachte Harderwijk niet innemen. De bezetting alhier bestond destijds uit verschillende vendels Hoogduitse, Engelse en West-Indische soldaten.

          De geschiedenis maakt er natuurlijk geen melding van dat deel der belegeraars en belegerden na het opbreken van het beleg, 1629 zich hier en in den omtrek voorgoed vestigde, maar onwaarschijnlijk is het niet, dat zulks heeft plaats gehad, evenals dit later op het einde der 18de eeuw en het begin der 19de eeuw het geval was in het Oostelijk deel van Gelderland en in Noord-Brabant waar vele Oostenrijkers, Pruisische en Franse soldaten den krijgsmacht vaarwel zeiden en zich als burgers onder de stedelingen en het landvolk lieten opnemen.

          Het jaar 1672 bracht weer veel vreemd krijgsvolk binnen de wallen en met dat volk een reeks jammeren en rampen, die de stad een knak toebrachten, waarvan zij zich niet meer kon herstellen. Van nu af  begint de invloed van Franse vermenging krachtiger te werken. Twee jaar hielden de Fransen hier letterlijk huis, zij waren heer en meester der gehele Overveluwe en hun vertrek kenmerkte zich door brandstichting, verwoesting en roof.

          De politieke toestand in Frankrijk brengt in 1685 opnieuw duizenden Fransen op den Vaderlandsen bodem, nu echter geen woeste soldaten, maar de keur en kern van Frankrijks nijvere en meest ontwikkelde bevolking.

          Door de opheffing van het Edict van Nantes werd daar de Protestanten door Lodewijk XIV het langer verblijf in zijn land ontzegd. Vele dezer ongelukkigen verlieten het huis en have om hun geboortegrond nooit meer weder te zien, en om hoevelen hunner in onze stad werden opgenomen,kan blijken uit het feit, dat hier in 1686, bij de raad dezer stad was goedgevonden een sociteit ( kerk of gemeente ) van Franse geloofsgenoten op te richten, die terzake van de Relegie haar vaderland hadden verlaten. Als eerste predikant der Franse of Waalse gemeente werd hier beroepen dominee Jean Rivasson.

          Verder vindt men van de afstammelingen die réfugie`s nog vermeld, dat later, na opheffing van het oude-mannenhuis, de kamers en huisjes dier stichting door Schepenen ter bewoning zijn afgestaan, aan de Jufferen der genoemde Sociteit.

          Waar een uitheems element zich zo nauw aanslaat bij de burgerij, waarvan zij weldra een integrerend deel uitmaakte, kon het niet uitblijven, of die vermenging met Zuidelijk bloed- De meeste Fransen familiёn waren herkomstig uit Avignon, Provence Languedoc enz.- moest van lang blijvende werking zijn op den heersende type der Harderwijkers; het getal korthoofdigen, zwartharigen en donkergekleurden nam dientengevolge zeer toe.

          Maar hoe aanzienlijk het getal der uitgewekenen was, die hier dak en brood vonden, toch kon de grondvorm van de stedelingen er slechts ene betrekkelijk geringe wijziging door ondergaan, temeer omdat die vreemden meest kooplieden, industriëlen en gelettterden waren en zij elders in Nederland een beter gelegenheid vonden om in hun onderhoud te voorzien.

          De aanzienlijksten hunner zullen wellicht, kort na hun poortersrecht te hebben verkregen, zich in grotere, meer neringrijke steden hebben gevestigd. In onze dagen mag de lichamelijke type dier Fransen uit het Zuiden niet meer in hunne afstammelingen volmaakt zijn uitgedrukt, maar we moeten daarbij ook bedenken, dat deze vreemdelingen waarschijnlijk reeds in het tweede geslacht met Harderwijk van geboorte huwelijken hebben gesloten, waardoor de grondvorm niet in zijn oorspronkelijke zuiverheid bewaard kan blijven. Maar lang niet zeldzaam zijn nog, onder ons, individuen met ene in het bruine vallende huidskleur, zwarte, of zwartbruine, gekrulde haren, en korten, enigsinds gekromden neus, zware, hoog gewelfde wenkbrauwen, een kort, tamelijk breed aangezicht,ronde kin en middelmatig en gedrongen lichaamsbouw; al hetwelk ons ten stelligste verwijst naar Romaanse bloedsvermening.

          Van Semieten behoeft hier geen melding te worden gemaakt, hoewel reeds vele Joodse familiёn in de vorige eeuw zich te Harderwijk en Nijkerk hadden gevestigd. Huwelijken toch tussen hen met Christenen, behoren tot de grote zeldzaamheden, welke, als deze al eens plaats hadden, van niet merkbaren invloed blijven op de type der overige burgers.

          Nog eens zal een vrij sterke Zuidelijke invloed zich bij de bevolking van Harderwijk doen gelden, en wel gedurende het tijdperk der Franse overheersing. Gelderland verliest en 1810 zijn alouden, historische naam en krijgt dien van Departement van den Bovenijsel; een perfect bestuurt en draagt wel degelijk zorg, dat zoveel als maar mogelijk is in alle takken der stedelijke regering het werk aan Franse ambtenaren wordt opgedragen. Wij leefden onder den druk der overheersers, hetgeen spoedig merkbaar werd door stilstand in alles, wat nog was overgebleven van handel, nijverheid en scheepvaart.

          De Academie werd ook opgeheven in 1811, nadat ze reeds vele jaren haren roem had overleefd.

Opnieuw wordt door het tijdelijk verlies der onafhankelijk vertraging gebracht in de volkseenheid, wat betreft ene nieuwe vereniging in physischen zin.

        Scherpe afwijkingen zullen in de eerste helft dezer eeuw, zowel hier als elders, onder de bevolking zijn voorgekomen, en zich hoewel na verloop van jaren gewijzigd, nog vertonen, waardoor in verband met reeds vroeger genoemde feiten, en met de hierna te vermelden vestigingen van het Koloniaal Werfdepôt, de feitelijke duurzaamheid der eigenaardige, physische kenmerken ener samensmelting van Friezen, Saxers en Franken in niet geringe mate wordt tegengegaan.

          Verschillende omstandigheden leiden er steeds toe, de ene gemeente meer dan vele andere een gemengde bevolking te doen verkrijgen; en dat in Harderwijk de grondvorm der ingezetenen nog steeds voortgaat belangrijke wijzigingen te ondergaan, vindt zijne oorzaak in de vestiging van het Koloniaal Wefdepôt. Gene enkele stad in Nederland kan naar verhouding van het zielental zovele uitheemse elementen onder hare burgerij hebben opgenomen, als zulks hier sedert de laatste halve eeuw het geval is geweest en nog onverzwakt blijft voortduren.

          Het ligt niet op onzen weg op het minder wenselijke van zulk ene bevolkingsstaalkaart te wijzen, maar ieder zal intussen gemakkelijk inzien,dat elke plaats, waar op onnatuurlijke wijze ene wanverhouding ontstaat tussen het intelectueele en het minder ontwikkelde deel der massa, tussen het getal werkzame nijvere, voortbrengende burgers, en zij die bij de meest kleine plokken trekken uit den staatsruif ,of als woekerplanten leven ten koste van ene vlottende bevolking, dat zulk ene plaats, zolang die toestand blijft voortduren, allerminst mag hopen op ene welvaart, die vrucht is van self-hulp, van energie, van inspanning aller krachten.

          Nadat`s Rijks Munt naar Utrecht was overgeplaatst, deed Harderwijk stellig een slechten ruil, toen het in de plaats daarvoor een vrij sterk garnizoen ontving, onder den naam van Algemeen Depôt der Landmacht no.33. Dit garnizoen moest door het vertrek van suppletie troepen naar onze Overzeese Bezittingen voortdurend worden aangevuld.

          Na 1836 heette het Koninklijk Werfbureau; het aantal vreemdelingen, door het handgeld verlokt, nam steeds sterker toe. Zij die het moordend klimaat van vele onzer buitenbezittingen trotseerden, wie de kogels en klewangs spaarden, keerden naar Holland terug, maar velen hunner trokken niet meer naar hun geboortegrond; zij gaven er om verschillenden redenen de voorkeur aan, zich hier en de omliggende dorpen te vestigen, en te leven van het in den regel schraal pensioen hundoor de regering verleend.

          Uit bijna alle Staten van Europa, uit Noord-en Zuid Amerika, uit den Indischen Archipel zijn vele individuen, thans hier metterwoon gevestigd herkomstig, en hebben zich door huwelijken met dochteren des lands verenigd, waardoor de types groter wijziging ondergaat, dan vroeger het geval is geweest, toen gelijk in de vorige eeuw de hierheen getogen vreemdelingen hoofdzakelijk tot slechts ééne natie behoorden.

          Thans ontstaat hier langzamerhand een mengelmoes in ethnologischen zin, thans hoort men in Harderwijk en omstreken talen veler volken ofwel een Nederlands dat duidelijk het land verraad, waar de spreker zijn jeugd heeft gesleten.

          De forse, krachtige gestalte van den Germaanse Zwitser vormt een scherpe tegenstelling met den tengeren, lenige lichaamsbouw van den Oostenrijker en den Hongaar.

          De blonde Duitser uit de Baltische provinciёn leeft hier rustig en vreedzaam in het stedeke aan de Zuiderzee, naast zijn voormalige wapenbroeder, die geboren werd onder den zonnigen hemel van Napels of de heerlijke vlakte van Andalusiё. Vrouwen van Banda Neira en Borneo, van Celebes en Java, hebben hare echtgenoten gevolgd naar het kille strand, waar dennen inplaats van palmen ruisen.

XXXXXXXXX         

 

 

 

 

Dit bericht was geplaatst in Verhalen bundel.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *