Harderwjk als hanzestad 2

 

 

Hoofdstuk 2

Ook buiten de Groote Poort werden tal van woningen gevonden, en ontstond daar langzamerhand een tweede buurtschap; maar de onrustige tijden noopten reeds velen hunne woningen af te breken en een veiliger verblijf te zoeken binnen de stad, thans beschermd door een hoogen, steenen muur, een vijftal sterke poorten en een burcht, het Wester of oude Blokhuis, omstreeks 1310 door Graaf Raymond gebouwd.

Het Blokhuis in de Oosterwijk behoeven wij nog niet te zoeken, want het zal nog wel 150 jaar duren, alvorens het met een hoek in zee vooruit springende, de stad in beter staat van tegenweer zal stellen, om nu eens de magistraat te steunen tegen de woelingen der burgers, dan weer de vijand buiten de veste te houden.

Als Hanzestad behoorde Harderwijk onder de Kreits van Keulen; en zoo spoedig nam haar aanzien toe, dat ze ook afgevaardigden zond naar Bremen, Lübeck en Londen, dat hare slabbaerts en koggeschepen de haven van Upsala in Zweden bezochten, dat ze in alles wat koopmanschap en zeezaken betrof, vóór het begin der 15de eeuw als gezaghebbende optrad.

Hertog Reynoud niet weinig ingenomen met de tweede koopstad van het Veluwsch kwartier schonk haar twee vrije jaarmarkten ieder van 14 dagen. Wilt ge de beteekenis weten van dat buitengewoon privilegie ten bate der poorterije, dan vindt ge die in de snelle uitbreiding van handel en verkeer zoowel te land als te water.

Harderwijk werd nu eene soort van stapelplaats voor leer, vee, boter, kaas, kramerijen, linnen, wol en lakens. Honderden stroomden toe om hier te koopen en te verkoopen, zoodra men wist, dat het groote witte kruis als teken dat de kermis begon, buiten de poorten werd aangeslagen.

Ze wisten, dat ze op hun tocht daarheen, en ook binnen de stad, veilig waren met hun handelsartikelen, dat ze een geleide zouden krijgen van en tot de aanzienlijksten markten in Gelder en Utrecht; want de magistraat hhefd kond gedaan dat “allen die in de goede stadt sullen ghelieve te comen ende aldaer marckt holde ofte besoecken, met lijf ende goedt sullen gheleidt, ghevrijdt, ende beschermt worden”.

Kwaad volk maakte van die vrije jaarmarkten ookal gebruik of liever misbruik, maar schout en schepenen wisten daar raad op, want bij het inluiden der mis werd poorter en buitenlieden van de puien van het raadhuis voorgelezen, dat boosdoeners zich schuldig makend aan diefstal en roof, of zij, die op de vrije markt vechten de rechterhand zullen verbeuren, of 40 carulus guldens.

Was het vergrijp van nog ernstiger aard, dan werd kort en goed recht gedaan, de schuldige n.l. deed zijn laatste uitstapje en wel naar den Galgenberg alwaar hij ghestraft werde metten coorde, toe daer die doedt en volgede.

De eigenlijke stad zal, voor ze eene hooge, van ruwe palisaden gemaakte omtuining kreeg, wel niet zoo dadelijk de oppervlakte hebben gehad, welke zij in de laatste helft der 14de eeuw innam. Vele nauwe donkere straten en bochtige sloppen, eenige brinken vrij onregelmatig van aanleg en meer gelijkend op kruissprongen, verschillende sombere binnenpleintjes achter hoekige uitbouwen van kloosters en tusschen burgerwoonhuizen als verscholen, wijzen er op, dat het geheele bouwplan, de richting van straten en stegen, volstrekt niet aan het bloote toeval het aanzien had te danken, maar in volkomen overeenstemming was met de eisch der tijden.

Had den vijand zich na een streng beleg of door krijgslist als bij verrassing van eene poort of eenig deel der omwalling meester gemaakt, hij was dan nog lang niet zeker, de veste in zijn macht te krijgen.

Elke voet gronds werd hem met woede betwist, hij stiet het hoofd voor eene goed gebarricadeerde binnenpoort: met zwaard of prikkelknots in de vuist en het schild aan den arm schoten onverwacht de poorters en de soldeniers van het door de magistraat gehuurde vendel uit sloppen en hoeken tevoorschijn, het werd een gevecht van man tegen man. De houten huizen waren spoedig genoeg genomen, maar de enkele steenen woningen bij voorkeur aan kruispunten gebouwd, de kloosters, die er uit zagen als sterke blokhuizen, de kerk – en kloostertorens met hun vele schietgaten en hooge borstwering, boden langen tijd een hardnekkigen tegenstand. Een hagelbui van allerlei projectielen, een stroom van brandend pek of kokende olie begroette de aanvallers, die dikwijls moesten afdeinzen met geduchte verliezen.

Zooiets ondervond Hertog Karels bevelhebber, zekere Jonkheer Jan, die zich bij verrassing had meester gemaakt van de sterke Nicolaas – , later Luttekepoort; en willende doordringen tot de Broederen, werd hij op den driesprong der Wolleweversstraat – en Schoenmakerstraat zoo malsch ontvangen door verwoede burgers, die nu eens te voorschijn sprongen, dan weer als het straatgevecht hun voor een oogenblik te machtig werd, als bij tooverslag verdwenen, dat onze Jonkheer met zijn boogschutters, spiesdragers en speerruiters eindelijk gedwongen werd den aftocht te doen blazen; met bebloede koppen en na achterlating van bijna 200 dooden en gewonden werd de aanvoerder met zijne knechten weer buiten de poort gedreven.

De voornaamste en aanzienlijkste woningen vond men aan weerszijde van den heirweg die Harderwijk doorsnijdt van de reeds genoemde tot aan de oude Smedepoort. Evenals in bijna alle Hanzesteden van eenig gewicht, was die heirbaan binnen de bebouwde kom der gemeente het eigendom van den vorst; in de Donkerstraat hadden de Geldersche Hertogen eene soort van sterkte, waar zij, deze plaats bezoekende hun intrek namen. De Wolleweverstraat, de Broederen ( thans de markt ) met zijn oude Waag, eene stichting van ’t koopmansgilde, de Donker – en Vee (Vijhe) straten trokken het drukste verkeer; daar woonden de rijkehandelaars, dedekens de gilden, de leden der magistraat.

 

 

Dit bericht was geplaatst in Harderwijk als Hanzestad.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *