Haven van Harderwijk

De Heer Nicolaas Ardesch,

En de Haven van

HARDERWIJK.

 

Liefde tot den geboortegrond of liever gezegd tot die streken waar de eerste levensjaren worden doorgebragt, is den mensch eigen. De voorwerpen in onze jeugd gezien, brengen ons de onbezorgde dagen der kindschheid, de gelukkige jaren der jongelingschap met levendigheid voor den geest, doen ons denken aan diebare afgestorvenen die ons in lang vervlogen tijd met teedere liefde beminden en verzorgden; hunne stem spreekt nog in de boschjes die wij met hen bewandelden, hunne gedaante verrijst bij de plekken waar wij met hen nederzaten. Wij vinden daarbij in dusdanig oord gewoonten terug, welke wij hebben aangenomen toen de indrukken krachtig en blijvende werden ontvangen, en welke wij dikwijls in latere jaren met moeite en weerzin tegen andere gewoonten hebben moeten verwisselen.

Meestijds is deze liefde voor de plaats waar wij werden geboren en opgevoed een voorbijgaand gevoel, hetwelk wanneer het wordt opgewekt, het hart wel streelt en verwarmt, de gewaarwordingen veredelt, doch geene verdere vruchten voortbrengt. Weinigen toch zijn er die eenmaal elders gevestigd, pogingen aanwenden om hunne geboorteplaats waarheen zij nimmer denken terug te keeren, waar geene belangen hen meer binden, van waar genoegzaam alle hunne vrienden zijn verdwenen, zonder eenig vooruitzigt van middelijke of onmiddelijke winst voor zich zelven, te bevoordeelen. En dusdanige belangelooze pogingen, hoe zeldzamer dezelve voorkomen hoe meer zij, bij de menigvuldige, dikwijls overdrevene, klagten over de baatzucht der eeuw onze belangstelling wekken, en hoe meer men ook genoopt wordt dezelve als een voorbeeld waarvan de bloote aanschouwing goed doet, aan te wijzen.

Zulk eene werkdadige gehechtheid nu, had de stad Harderwijk ingeboezemd aan een harer zonen, den Heer Nicolaas Wilhelm Ardesch aldaar den 27sten Januarij 1771 uit een oud Veluws regerings – geslacht geboren. Hij had zijne kindschheid en jongelingschap in zijne geboorteplaats doorgebragt, ’s winters in de stad, ’s zomers gedeeltelijk op de ouderlijke buitenplaats, het naburige Hulsthorst, toen een aangenaam zomerverblijf, in latere jaren onder den tegenwoordigen eigenaar tot een schoon landgoed aangegroeid. Spoedig na het volbrengen zijner studien aan de toen nog bloeijende Harderwijksche Academie, vestigde hij zich in de Provincie Holland en na vele jaren in aanzienlijke regterlijke betrekkingen werkzaam te zijn geweest, werd hij in 1838 bij de nieuwe regtelijke organisatie lid van den Hoogen Raad en bleef zulks tot zijn dood. Noch zijne ambtsbezigheden, noch de afwezigheid, noch de afleiding der hofstad, noch de tijd, die alles doet slijten, konden de stad aan welk zijne eerste herinneringen verbonden waren uit zijn hart verdringen. Diep griefde hem het toenemend verval van dat vroeger zoo bloeijend Geldersche Athene, aan hetwelk eerst de opheffing van de Munt en later vooral van de Hoogeschool, zulke gevoelige slagen toebragten. Deze droefheid uitte hij niet door een treffende volzin van deelneming door handelen. Doch wat konde de bejaarde regtsgeleerde voor zijne verafgelegene geboorteplaats doen? Met derzelver geschiedenis bekend, wilde hij de tijden terug brengen toen zij door handel en scheepvaart bloeide. Het daarstellen van eene goede haven, scheen hem daartoe teregt noodzakelijk en hij hield zich overtuigd, dat deze eenmaal verkregen zijnde, de gunstige ligging van de plaats en de nijverheid der inwoners het overige zouden doen. Reeds op gevorderde jaren weidde hij aan uit geliefkoosde denkbeeld zijne vrije dagen en ledige tijd toe. Zoodra de regtelijke vacantie hem zulks toeliet spoedde hij zich naar het stille Harderwijk en hij besteedde daar eenige van de laatste zomers van zijn leven, om te onderzoeken welke de geschikste wijze was om de stad met eene duurzame haven te begiftigen. Vroegere werken tot dat doel gedaan, waren steeds na eenigen tijd nutteloos geworden. Zoo had men in 1650 midden voor de stad tusschen de beide zeepoorten met zware kosten eene haven daargesteld die aanvankelijk wel beantwoordde, doch eene halve eeuw later geheel onbruikbaar werd. Gelijk lot had de haven in 1715 aan de Oostzijde der stad landwaarts in geplaatst, alsmede die, welke bijkans honderd jaren later onder het bestuur van Koning Lodewijk met het vooruitbrengen van twee hoofden in zee was vervaardigd. Schoon er dus op verschillende wijzen te vergeefsch beproefd was iets duurzaams daar te stellen, begreep Ardesch toch dat er één middel was om te slagen en de zaak was voor hem te heilig om die aan anderen over te laten. Hij wilde dan alles zelf onderzoeken. Daartoe moest hij zich op een door hem tot nu toe onbetreden veld van studie wagen, waarin hij niettegenstaande zijn gevorderden leeftijd uitmuntend slaagde.

Harderwijk zeekant

Reeds voor het onbijt zag men hem in een klein vaartuig op de Zuiderzee dobberen, zich bezig houdende met peilingen, met het onderzoeken van den bodem der zee, van de bezinkingen die op verschillende plaatsen bij verschillenden toestand van het water plaats grepen, van hetgeen dezelve bevorderde of tegenging, van de hoeveelheid klei of andere specie welke met water op verschillende plaatsen bij kalm of onstuimig weder uit de zee geschept vermengd was, en wat dies meer zij. Zijne vacantie geëindigd zijnde, begaf Ardesch zich met zijne aanteekeningen naar ’s Hage, vergeleek zijne verschillende waarnemingen, maakte eenig plan op, en eene volgende zomer zag men hem te Harderwijk terug, om het ontworpene op de plaats zelve te toetsen en ingevolge nadere bevinding te verbeteren. Na eenige zomers was hij gereed. Het mislukken van vroegere werken had hem geleerd, wat er vermeden moest worden en hij had de overtuiging verkregen dat op geene andere wijze eene duurzame haven kon worden tot stand gebragt, dan door dezelve te verbinden met een uitgebreid plan van landontginning langs de gemeenten Harderwijk en Ermelo, waarvan de voordeelen in de eerste plaats tot onderhoud dier haven zouden strekken.

Zijn ontwerp werd door bevoegde beoordeelaars goedgekeurd. Slechts een gedeelte van de taak die hij zich had voorgesteld, was nu ten einde en het kostbare plan moest worden uitgevoerd. Ardesch beval dezelve bij elke gelegenheid aan. Hij gebruikte daartoe al zijn invloed, al zijne welsprekendheid. Velen herinneren zich de onverdroten pogingen die hij met gelijke standvastigheid in het werk stelde, als Cato de vernietiging van Carthago steeds aanprees. Om slechts een voorbeeld te geven; toen in 1840 de oud – studenten van de voormalige Harderwijksche Hoogeschool eene bijeenkomst in hunne vorige Academie – stad hielden en allen vervuld waren met de vreugde van den dag of met herinneringen aan het voorledene, hield Ardesch zich bezig met de toekomst van zijn geliefd Harderwijk en vermaande zijne feestgenoten, met aandrang om het daarstellen van eene haven te Harderwijk, elk met de middelen die hem ten dienste stonden, te bevorderen. Alle deze pogingen bragten vruchten voort. Zijne woorden vonden ingang, bij hen die magt hadden het ontwerp ten uitvoer te brengen en hij mogt zich met grond vleijen de verwezelijking van zijne schoonste droomen, eerlang te zullen aanschouwen, toen de dood hem in 1846 van ons wegnam.

Bijkans vier jaren zijn er sedert verloopen. Wat is er nu geworden van dat schoone vooruitzigt? Voor het oogenblik schijnt het plan geheel te slapen. Het heeft echter de uitvoering reeds zoo nabij geschenen. Vaderlandslievende en invloedrijke mannen waaronder hij, die een vierde eener eeuw aan het hoofd van ons gewest heeft gestaan, trokken zich hetzelve aan. De Heer van Heeckeren van Kell, toenmalig Gouveneur van Gelderland, beloofde uit eigene middelen eene aanzienlijke som tot het voorgestelde werk. Eenige zijner nabestaanden en vrienden volgden dit schoone voorbeeld. De Burgemeesters van Harderwijk en van Ermelo ondersteunden de zaak krachtdadig. Uit bijzondere bijdragen was reeds nagenoeg een halve milioen guldens toegezegd, en aan het vinden van het verder benoodigde was geen redelijke twijfel ook al werd van landswege niets gedaan. Doch helaas! Door vreemde mededinging, verdwenen deze blijde vooruitzigten. De geschiedenis daarvan is bekend. De Gouverneur van Gelderland en de zijnen, in hunne handelingen niet meer vrij, trokken zich terug. De vereeniging die het regt heeft verkregen om door landontginning eene haven te maken, schijnt het daartoe noodige kapitaal te missen, heeft althans meer dan vier jaren laten verloopen, zonder eenig gebruik te maken van dat regt tot welks verkrijging zoo was geijverd. Harderwijk en de geheele Over – Veluwe welke door die Haven een nieuw element van welvaart en heilzamen prikkel tot krachts – ontwikkeling zouden hebben gekregen, zijn de slagtoffers van die inmenging van Hollandsche Heeren, in eene Geldersche onderneming. En even als wij dikwijls het sterfuur onzer vrienden ter geschikter tijd zien voorvallen, om hen eenig groot onheil te besparen, kan men ook zeggen dat Ardesch ter goeder ure stierf, om niet bedroefd te worden door de onverwachte hinderpalen, aan het ontwerp waarvoor hij leefde in den weg gelegd en waardoor hetzelve thans met de ontwerpen, de rust des doods deelachtig schijnt te zijn.

Moge nu dat ontwerp slechts dood zijn in schijn! Wij wenschen zulks meer dan wij zeggen kunnen. Alle hoop is ook verre van verdwenen. Het goede dat een vroegere Gouverneur van Gelderland verhinderd werd te doen, moge misschien voor een lateren zijn weggelegd. Zoo wij wel onderrigt zijn, heeft de tegenwoordige Gouverneur, als Minister van Binnenlandsche zaken, het plan met ijver voorgestaan. Welligt zal de edele landvoogd een middel vinden, om hetgeen hij vroeger toejuigte thans te doen uitvoeren. De Baron van Heeckeren van Kell had de toezegging van gelden voor de haven gedaan, uit Vaderlandsliefde niet uit winstbejag, echter met het vooruitzigt van eene matige doch zekere rente van het uitgezette kapitaal te zullen verlangen. Deze Heer en allen die zich met hen in de zaak gemengd hebben, hadden niets van onvoorzigtige ijdele plannenmakers en mag stellen dat hetgeen toen door zoo vele welberadene mannen, als eene niet onvoordeelige geldbelegging werd beschouwd, zulks ook thans is gebleven. Zoo de maatschappij, aan welke het regt toekomt van de haven daar te stellen, binnen zekeren tijd ( men meent vijf jaren na toezegging) van dat regt geen gebruik maakt, verbeurt zij hetzelve. Maakt zij er spoedig gebruik van dat, is zulks al wat wij wenschen. Doet zij zulks niet dan is het veld aan anderen wederom open en hopen wij niet tergeefsch.

Dit is geen vermetele wensch. Immers de meesten van hen die het ontwerp vroeger voorstonden, leven nog. Dezelfde Burgemeesters door wier bemoeijingen en invloed dat ontwerp in 1845 een begin van uitvoering zoo nabij kwam, zitten te Harderwijk en te Ermelo nog op het kussen. De toenmalige waardige Gouverneur heeft wel een opvolger, doch een die in liefde tot zijne Provincie voor zijnen voorganger niet wijkt, wien hetzelfde bloed doch jeugdigder door de aaderen vloeit, die op mannelijke leeftijd het vuur en de voortvarenheid der jeugd heeft behouden, die door dierbare familie – herinneringen aan de zeekust van Gelderland gehecht is, die op deszelfs bezoek van de Over – Veluwe met de hem zoo eigene minzaamheid, eene levendige belangstelling voor deze streek heeft getoond en daardoor eene blijde hoop heeft opgewekt, voor de toekomst van dit gewoonlijk miskende en schroomen het niet te verklaren, in deszelfs regten zoo vaak gekrengte gedeelte van Gelderland.

  1. A.                                                              N.

Overveluws Weekblad   Februarij 1850.

 

 

 

Dit bericht was geplaatst in Verhalen bundel.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *