Herinneringen uit den eersten kindertijd van eenen Gelderschman.

 

 

Herinneringen uit den eersten kindertijd

van eenen Gelderschman.

 

Zoo als de herinnering eener gebeurtenis, van welke men niet zeker weet, of men dezelve bijgewoond, of gehoord, of gedroomd heeft, – zoo zweeft nog altijd voor mijne verbeelding een ruim vertrek van eene armoedige weverswoning. Geen vloer was er dan de harde aarde – geen zolder, maar wat ruwe, zwart berookte planken; eene oude met snijwerk versierde kast; op dezelve vijf groote gele pronkappelen, het voorwerp der vurigste wenschen van den kleine knaap; daar stond ook aan het venster de weverstoel, waarin ik nog den ouden mageren wever zie zitten, met een neusbril, blaauwen slaapmuts, voorts in grijs linnen, net, maar armoedig gekleed.

Men heeft mij gezegd, dat, van het eerste oogenblik, dat men mij uit de rijkere woning mijner ouders, nog op den arm der dienstmaagd gezeten, in die hut tot afwisseling liet ronddragen, er eene, tot nog toe niet gekende rust in mijne ziele gevaren is. Ik was het lastigste, meest schreeuwende onrustige kind, voorbeeldeloos in ontevredenheid, zoo als mijne goede moeder mij naderhand vaak pleegde te zeggen, maar van het oogenblik, dat ik de weverswoning bezocht, veranderde ik zoo ten eenemale, dat ik het gelukkigste en vrolijkste kind werd. Zoo werd dan ook, hetzij nog gedragen, hetzij naderhand kruipende, of nog onzeker voortwaggelde, mijn dagelijksche gang naar den armen wever tienmaal herhaald, waar ik, uren lang stil aan mij zelven overgelaten, leerde denken, spelen en spreken. Wat was het toch, dat het woelige, ontevredene kind daar tot rust bragt?

Mijne herinnering zegt mij: de heen en weder snellende weverspoel. Ik zag dat zoo gaarne, die gelijkmatige beweging, zoo eenvoudig bestuurd, den vliegende draad en het op- en nedergaande weefsel. Misschien was het de eerste gedachte aan eene mogelijke harmonie, in zooveel verwarring. Die rustelooze vaart van den spoel, zoo glad als een vuursteen, misschien wekte zij in mijne kinderlijke ziele de gedachte op aan eene toekomst, die zich even snel zoude ontwikkelen als dat weefsel op dat weefgetouw. Misschien ontwaakte hier het voorgevoel van eene onbekende kunstwereld, die diep in het hart des kinds verborgen lag. Althans van die ure was het steeds mijn lust werkplaatsen te zien, waar menschelijk vernuft en vlijt kunstgewrochten scheppen; doch menig schildersatelier, [ het ideaal aller kunst] heeft mij naderhand niet zóó kunnen boeijen, als die armoedige woning, bij het eerste ochtendkrieken mijns levens.

csm_weber_b2d8c7b92e

Maar er was nog iets anders, dat mij daar zoo gelukkig maakte. Het was de drooge aarden vloer, met hare verhevenheden en gaten; voor den kleinen wandelaar waren het bergen en dalen. Ach! De koude en altijd vochtige steenen vloer der keuken, of de blankgeschuurde planken der kinderkamer, waren twee lastige en eentoonige oefeningsplaatsen voor den kruipende knaap. Niet aldus de deel van den wever; hier was het de vloer, de vriendelijke aarde zelve, zoo aangenaam altijd voor de kinderwereld. Nu een handvol zand, dan een schitterend keisteentje, hier de mogelijkheid nog iets dieper te kunnen delven, ginds een gat te vullen. Rijk tooneel voor de verbeelding, was het ook tevens een plaats, waar de knaap het eerst leerde arbeiden. Want arbeiden is immers onze natuur; en ach! Als het kind wat zoekt te doen, en de zindelijke bonne, of de, over de kleeding slechts bezorgde moeder bestendig roept: dit niet, kind! En dat niet, kind! Dan wordt de kleine man in al zijne werkplannen gedwarsboomd – en wat blijft hem dan over, dan zich al schreeuwende met tranen te wreken, het eenige tegenadvies, dat hij tot nog toe heeft in te brengen.

In de arme weverswoning stoorde niets den kleinen knaap. Vond hij een houtje, het diende hem tot spade en ploeg te gelijk; vond hij keisteentjes, hij kon zich een huisje bouwen; met een puntig stokje schreef hij teekenen op den grond; de weverspoel snorde bestendig; het vuurtje brandde levendig. Zoo vlogen de uren heen. Rust woonde er in het hart van den kleine man. Dierbaar werd mij van toen af elke stulp, elke armoedige werkplaats. Daar leerde ik het eerst het geluk van den armen man en deszelfs kind waarderen, boven dat des rijken en zijne telgen. Dezen hebben geene moederlijke aarde, die hen opneemt als een tweede schoot, wanneer zij den moederschoot verlaten moeten. Zij hebben geene speelplaats, waar zij zich van hunne wieg af in den arbeid oefenen, zoo dat hij hun een spel wordt. Zij kennen het geluk niet, dat er is, in hetgeen zij gelieven te noemen: “een ontbreken van alles.”

Mijne twee eerste levensjaren leerden mij het reeds anders. Gelukkig het kind, dat in de vrije natuur aan hare hand gaat: gelukkig de hutbewoner, die zich onder hare leiding ontwikkelt! Ik heb dat geluk genoten en prijze de dagen zalig, die ik bij den wever sleet. Zij hebben hunnen indruk behouden; zij ontzinken mij niet.

1846.

 

 

Dit bericht was geplaatst in Verhalen bundel.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *