Het blaauwe kruis

 

 

 

Het Blaauwe Kruis,

Bij den Crijmelhorst onder Doornspijk.

 

Voorzeker hebt gij, lezer, nimmer de plek bezocht, waar oudtijds het Blaauwe Kruis te Doorspijk gestaan heeft, en nog minder u met de geschiedkundige herinneringen, welke deze plaats oplevert, bezig gehouden. Indien gij lust hebt, volg mij dan op een klein uitstapje; te klein om u te vermoeijen, doch rijker aan geschiedkundige bijzonderheden, dan menig lijvige reisbeschrijving.

Hier is de plaats, waar het blaauwe, hartsteenen kruis, met het beeld des Heilands, gestaan heeft; waar het in 1438, door bijzondere vergunning van hertog Arnold, als grensscheiding geplaatst werd, tusschen het gebied van Elburg en den Wessinger kerkdijk onder Doornspijk, bij de destijds plaats gehad hebbende uitbreiding der stadsvrijheid.

Zoodanige kruisteekens kwamen, zoodra het christendom was aangenomen, in de plaats van grenssteenen. De onbegrijpelijke magt, welke men aan dit teeken toeschreef, was toch het krachtigste middel om de grenzen te beveiligen; de overtuiging dat de onverlaat, die om het menschelijk regt niet gaf, nog dikwerf door den eerbied voor dit heilige teeken zou teruggehouden worden, gaf eerst aanleiding tot dit gebruik en om dezelfde reden werden dan ook later de kruizen met het beeld des Heilands voorzien. Deze kruizen stonden evenwel niet alleen daar, om schrik en vrees in te boezemen, zij dienden tevens tot opwekking van het godsdienstig gevoel bij den vreedzamen reiziger, die dan ook niet verzuimen zou, om het kruis, onder het ontdekken van zijn hoofd, met het teeken des kruises en een schietgebed eerbiedig te begroeten.

Bijna anderhalve eeuw had het zoogenaamde Blaauwe Kruis weer en wind getrotseerd, toen in 1573, een Karviel- schip, bemand met 36 hoofden, onder kapitein Greijn van Enkhuizen, over de Zuiderzee, nabij de Doornspijker kerk landde en 19 man aan wal zette, om, o gruwel! Deze kerk van zijne kleinoodien en sierden te berooven; zij naderden het gebouw,…daar valt het oog van eenigen hunner op het beeld des verlossers, dat getuige is van hun snood bestaan, en….zij sidderden terug. Toen traden Jan Nuijen, een Barnevelder, en Johan Gerrits, bijgenaamd de Blaauwe Duivel, een Elburger, toe; zij rukten het kruis uit den grond en wierpen het voorover in eenen nabijzijnden sloot, opdat deze beeldtenis geen getuige van hunne heiligschennis zoude zijn. Deze snoodaards ontgingen evenwel de welverdiende straf niet; zeven maanden later werden de beide booswichten, die, volgens hunne eigene belijdenis, bovendien niet minder dan 103 diefstallen gepleegd hadden, door den burgemeester Johan tho Boecop gevonnisd en veroordeeld: “aen eenen post gestelt om mitten Vuere van den leven ter dood gebracht te worden;” waarop de uitvoering van het gemelde vonnis op de Buitenweerden, in de nabijheid van het Blauwe Kruis, heeft plaats gehad.

Veluwe3

Omtrent de afpaling der grenzen, met kruisen, van het stedelijk gebied, vinden wij hier op de Veluwe nog een voorbeeld in de giftbrief van hertog Reinald IV, van 27 Maart 1413, waarbij aan de ingezetenen van Nijkerk stedelijke regten en vrijheden verleend werden binnen eenen kring, van gelijke grootte als die der vrijheid van Elburg, en rondom door kruisen af te zetten.

De Sint – Nicolaaskerk te Doornspijk.

 

De hoogte, op welke dit Blaauwe Kruis geplaatst was, is daarenboven nog bijzonder merkwaardig, dewijl reeds in het begin der IXde eeuw op dezelve de eerste christentempel is opgerigt geworden, en van welker bouwing nog de navolgende sage in omloop is.

Nadat Lubinus in de laatste helft der VIIIde eeuw op de Veluwe het christendom had verkondigd, en zulks ook door velen was aangenomen, waren de eerste christenen in dezen omtrek er op bedacht, om in het jaar 806 eenen tempel te bouwen, en wel op eene hoogte, den Hull, onder de buurschap Westingen, thans nog bekend onder de benaming van den Kerken- Hull; eene geschikte plaats, door hen aldaar uitgezocht, om, zoo als zij meenden, voor bespottingen en baldadigheden der hier nog overige onbekeerde heidenen en voor de strooperijen der Sassen, de erfvijanden der christenen, gedekt te zijn, om er geruster en veiliger de godsdienst te kunnen verrigten. Toen men echter de benoodigde bouwstoffen daartoe op gemelden Hull verzameld en de opbouw zou beginnen, zie, daar zijn in eenen nacht alle bouwstoffen van den Hull verdwenen en, zoo als men voorgaf, door den boozen geest weggevoerd. Men vond dezelve eindelijk, na veel zoeken, terug, en wel op dezelfde hoogte nabij het gemelde Blaauwe Kruis, hetgeen, naar de bijgeloovigheid dier dagen, voor een teeken gehouden werd, dat men niet op gemelden Hull, maar op de laatstgenoemde plaats moest bouwen, wijl de bouwstoffen als door eene bovenaardsche magt, van daar weggevoerd waren geworden.

Zoodanige kerk was toen nog zeer klein,(1) met slechts één venster en dus vrij duister, opdat ieder zijn gebed zonder stoornis zou kunnen verrigten; overigens ( volgens Schat ) geheel ledig, zonder beelden of sieraden, en op twee kleine altaren lag alle zondagen gebroken brood met een tinnen of glazen kelk, om den wijn aan het volk rond te dienen; dezelve was, volgens toenmalig algemeen gebruik slechts van hout en riet opgetrokken, en werd naderhand naar de behoeften des tijds, meermalen vernieuwd en vergroot, tot dat eindelijk, in het begin der XIV eeuw, drie rijke zusters het besluit namen, dat ieder voor hunne rekening eene steenen kerk zouden bouwen, welke gelijk en gelijkvormig zouden zijn, waardoor dan door ééne derzelve, deze houten kerk in eene steenen is veranderd, alsmede ééne te Oosterwolde en ééne te Kamperveen, welke alle drie in eene regte rigting op gelijke afstanden van elkander geplaatst, en allen aan Sint – Nikolaas, ( den lievelings – patroon der handeldrijvende kustbewoners) toegewijd werden.

 

Zoo stond dezelve tot in het jaar 1584, om welke tijd de landraad aan de stad Elburg de last gaf, om de kerk te Doornspijk af te breken, ten einde de vijand dezelve niet mogt verschansen, en waarbij tevens bepaald werd, van de klokken geschut te gieten en de steenen voor afbraak, ten voordeele der armen, te verkoopen; ten gevolge van dien is toen alleen de toren blijven staan, doch het kerkgebouw tot aan den grond toe gesloopt, welks gebouw echter in 1592 op dezelfde grondslagen wederom is herbouwd en door de gereformeerden is gebruikt, om in dezelve hunne godsdienst te verrigten. De éérste predikant aldaar beroepen was Johannes ten Uitslag, die echter weder verworpen werd, uithoofde hij niet op de Kerkenvergadering verschijnen wilde, en deze werd nog in hetzelfde jaar, 1592, vervangen door W.I. Groningensis, die tot 1607 de dienst bleef waarnemen. Deze kerk werd in 1652 bouwvallig bevonden, uit welke staat zij door de familie van Renesse is gered geworden; welke dezelve voor eigen rekening deed herstellen en met eene gestukadoorde zoldering voorzien. In Augustus 1814 sloeg de bliksem in de kerk, vernielde deze zoldering, terwijl de toren tevens geraakt werd en op het uurwijzer – bord het no. X verbrandde, zonder brandschaden te verwekken. In Februari 1825, werd door eenen buitengewonen watervloed de consistorie of kerkenkamer geheel vernield; uit het, de kerk omringende kerkhof werd eene doodkist en eene menigte doodsbeenderen op eenen aanmerkelijken afstand weggevoerd, en op den 18den October van datzelfde jaar, hoorde men des voormiddags om 11½ uur, onder stormachtig weer éénen donderslag; de bliksem had de spits des torens getroffen, hetwelk niet voor twee uren des namiddags ontdekt werd; ten gevolge daarvan verbrandde toren en kerk, ambtskamer en schuur, de kosterij en eene aanlendende boerenwoning, allen in den omtrek dier kerk gelegen. De kerk is vervolgens niet weder herbouwd, maar werd in 1831 door eene andere vervangen, welke thans aan de Zuiderzeesche straatweg gelegen is en op St. Nikolaasdag werd ingewijd. Zoodat thans op deze merkwaardige hoogte, niets meer van al het gemelde overgebleven is, der aandacht waardig; het Blaauwe Kruis met de St. Nikolaaskerk en omliggende gebouwen zijn verdwenen, en zelfs wordt voor het begraven der dooden, sedert 1841, ook van het kerkhof alhier geen gebruik meer gemaakt.

Indien wij nu van het Blaauwe Kruis, onze blikken landwaarts rigten, dan ontwaart het oog menig schilderachtig plekje, menige bevallige groep en menig aangenaam vergezigt; noordwaarts zien wij Elburg voor ons, en oost- en zuidwaarts de Nieuwstad en den Karmeliten –Hull. Wij verzoeken u echter ons eerst nog weinige schreden meer westwaarts te vergezellen, tot dat wij de Zuiderzee genaderd zijn, wier golven nu den voet van den dijk en het oude kerkhof bespoelen en de schoonste Buitenweerden overdekken, sedert het meer Flevo of het Aalmere, van tijd tot tijd zich tot hiertoe heeft uitgebreid. Daarna zullen wij onzen weg zuidwaarts vervolgen. Van hier ziet men dagelijks de Stoombooten van Kampen komen, wier rookkolommen men tot op verren afstand kan naöogen; op de reede zweven een aantal witte zeilen ginds en herwaarts.

De juiste strekking van het zeestrand in vroegere tijden, is ons met geene naauwkeurige zekerheid bekend; doch dat het land zich weleer veel verder uitstrekte dan tegenwoordig is buiten twijfel, wanneer men in aanmerking neemt de zeer aanzienlijke afnemingen, waaraan men met zekerheid weet, dat het gedurende de laatst verloopende jaren, ja eeuwen, onderhevig is geweest.

Zeer waarschijnlijk sprong vroeger het  land zoo ver noord- westwaarts, dat, eene regte lijn van Kampen op Muiden getrokken, de grensscheiding der Zuiderzee zou aangewezen hebben, wier vraatzucht zulk eene uitgestrektheid gronds heeft verslonden. Wanneer men de volksoverlevering van deze strandbewoners moet gelooven, “dan heeft het buitenland zich zoo ver in zee uitgestrekt, dat, wanneer een boer in de verst afgelegene hooilanden van Doornspijk, het hooi wilde aanhalen, de afstand zoodanig geweest zoude zijn, dat hij slechts twee voeren daags van daar kon aanbrengen.”

Raadpleegt men nu hieromtrent de kaart, en trekt men de bewuste rigtingslijn van Kampen op Muiden, dan heeft deze overlevering veel schijn van waarheid, terwijl alsdan de afstand omtrent drie uren gaans zoude bedragen. Van hier dan mogelijk het regt van visschen, dat uitsluitend aan de Harderwijkers en Elburgers binnen deze grenslijn op de Zuiderzee te allen tijde wass toegekend, en welk regt zoo dikwijls aanleiding gaf om met de Hollandsche visschers in twist te geraken.

Werpen wij van hier eene blik noordwaarts over de oude haven van Elburg, dan hetinnert ons het verschiet aan het aldaar gestaan hebbende ridderslot, waarvan wij gewag gemaakt vinden in het jaar 1307, onder de benaming van Nijenbeek, bij de zee, onder Doornspijk gelegen, van hetwelk thans slechts in de zee nog eenige sporen zijn bewaard, en waarvan ons de geschiedenis het volgende meldt.

  1. Tegen het einde der tiende eeuw heerschte algemeen het gevoelen, dat het einde der wereld naderde; des te meer ook maakten een panische schrik en vertwijfeling, zich van de harten meester. Men vindt nog vele charters uit dezen tijd in vele landen, die alle met de latijnsche woorden beginnen, waarvan de zin is: “daar het einde der wereld op handen is?” Alle gewone drijfveren van handelen waren verlamd, of door anderen uit de plaats gedrongen; elke begeerte was onderdrukt en het tegenwoordige hield zich alleen bezig met het toekomende, de geest zweefde van de aarde naar de hoogere gewesten. Ten laatste echter was de, door de Profeten vastgestelde tijd voorbij en de wereld was niet ten gronde gegaan, zoodat ook langzamerhand de vrees geheel en al verdween en voor edeler gevoelens plaats maakte. In de XIde eeuw wedijverden dan ook een aantal plaatsen, om hunne, aan God gewijde tempels met meerdern luister op te bouwen, en allen trachtten door deze blijken van ijver, hunne godsdienst aan den dag te leggen. Overal rezen nieuwe en prachtige gewrochten van dien aard.

 

Het huis Nijenbeek aan de zee.

 

Ten noorden van Elburg ziet men niets anders dan eene uitgestrektheid van hooilanden, waarvan het buitenland aan de overstroomingen der Zuiderzee is blootgesteld. Geene rotsklippen noch duinen, die de branding trotseren, maar aan den magtigen dwingeland onderworpen, vertoont de vlakte enkel gras, waar gele en paarsche bloempjes tevens ontluiken, tot sieraad van dien eentoonigen, doch weelderigen grond. Schelpen en zeewier, door den storm opgejaagd van den bodem der zee, dekken den zoom van het vruchtbare strand, waarop hier en daar zich alleen eenig groen riet, dat hare wortelen in het slib en het vlottend zand schiet, zich vertoont.

Geen wonder, dat zich in deze streek, nadat het Aalmeer in den verschrikkelijke zeevloed van 1170, zich al verder zuidelijk had uitgebreid, waardoor de Zuiderzee ontstaan is, wier strand zich destijds veel verder uitstrekte dan tegenwoordig, dat, zeg ik, zich hier eenige bevolking neerzette en de edelen van dien tijd hier een kasteel bouwden.

oude kart van Nederland

In het begin der XIV eeuw wordt gewag gemaakt van het kasteel Nijenbeek aan de zee, bestaande in een slot, omringd met eenen tien voet dikken muur, waarin eene valpoort, en op de binnenplaats de woningen dier ridders, die van hun verblijf eene gevangenis maakten en zich niet voor onoverwinnelijk achtten, dan in zoo verre zij ongenaakbaar waren; hetzelve lag in het midden van een bosch met veelvuldig laag hout ten oosten, waarin herten, hinden en reëen zich ophielden, en wier uitgestrekte weilanden en koornakkers van het Oude- Eket, het Oostendorp en de Fakkenorde alle soorten van wild lokten, terwijl in het lage land der Mehen en in het riet, zich eene menigte watervogels verschuilden.

Dit kasteel was de geliefkoosde verblijfplaats van ridder Hubert van Putten, en Lomodis of Lumudus zijne echtgenoote, welke hetzelve in 1307, ten behoeve van Reinald, graaf van Gelre, ten Zutphensche regte beleenden en aan denzelve voor een heerengewaad, ( bestaande in een best strijdros met zadel en tuig) opdroeg. Hier woonden zij met hunnen zoon Herbern, die even als zij, de aangename ligging van dit oord bij uitstek beminde; rijk, aanzienlijk en vermogend door zijne vermaagschapping met andere aanzienlijke huizen was het geslacht der Puttens steeds de natuurlijke beschermer geweest der inwoners van de naburige gehuchten, en alle hoorigen van dien omtrek hadden van vader tot zoon geleerd dien naam te eerbiedigen en te beminnen. Deze schoone erfenis, hem door zijne voorouders nagelaten, wist Herbern niet te bewaren, maar hij was in de achting zijner oude beschermelingen zeer gedaald. Niet dat men hem slecht kon noemen, maar hij bezat al de deugden en ondeugden der middeleeuwsche helden, die beurtelings oorlogslieden, wrekers der verdrukte onschuld, maar tevens straffelooze overtreders der wetten waren; zoo ook scheen hij al de herinneringen aan die eeuw rondom zich te hebben willen oproepen, en, daar het lot hem reeds vroegtijdig en nog jong zijnde, al de uitgestrekte bezittingen als zijn eigendom had toegekend, vond hij in die gewigtige omstandigheden, in zijne trotsche maar flaauwe natuur, de noodige kracht niet om dat goede te doen, dat hij wel zou hebben kunnen stichten.

Alles ging met hem voorspoedig, tot op eenen kouden herfstavond in 1367, een hevige orkaan en verschrikkelijke zeevloed aan alles den ondergang dreigde en de graauwe vloed de eene schuimende golf na den anderen voortjoeg, naar de kust. De lucht was somber en mat, bedekt met loodkleurige wolken, die naar het noordwesten immer zwarter werden: het zuchten van den wind kondigde storm aan. De wind verhief zich meer en meer, de zee bruiste als door den geest der stormen gezweept, en weinige, doch groote regendroppels kletterden bij elke windvlaag tegen de vensters van het slot.

Met den nacht verhief zich het onweer, de regen werd zwaarder en digter, de wind huilde en de voortgejaagde golven, die met een donderend geraas tegen de kust sloegen, schokten zelfs het kolossale gebouw, dat, door het aanhoudend beuken der golven, voor dezelve niet meer bestand was; de muren bezweken, de torens waggelden op hunne grondvesten, stortten in en de golven drongen binnen deze muren door, alwaar vroeger zelfs geen daglicht, dan door naauwe openingen, kon doorschieten, en altijd hooger klommen de opgestuwde golven langs die kanteelen, van waar eenmaal de banieren der edelen van zijn geslacht wapperden, terwijl die torens, welke de stormen zoo lange weerstaan hadden, eindelijk voor den ijzeren arm der golven moesten bezwijken. Eene streek van het vaste land tusschen Elburg en Harderwijk werd losgescheurd, en even als de grondvesten, bosschen en gronden tot dit kasteel behoorende, door den vloed verslonden. Slechts nu en dan bij het voor een oogenblik minder woeden der loslatene elementen, kon men het akelig gelui der naburige klokken, het angstgeschrei en de noodkreten der ongelukkigen onderscheiden. Ontwortelde boomen, huisraad, tilbare have en vee spoelden nevens de enkele lijken op het, zich steeds verbreidend golvend watervlak, en bedekten de laatste met het doorschijnend doodkleed; de ramp was door dezen buitengewonen vloed hier algemeen en tevens verschrikkelijk. Toen met het aanbreken van den dag de donkere wolken voor de eerste zonnestralen vloden en wind en storm geweken waren voor eene liefelijke koelte, die naauw het vlak der wateren beroerde, zond Herbern eenige zijner onderhoorigen uit, om berigten in te winnen omtrent de geledene verliezen aan zijne bezittingen. Groot werden dezelve aan hem opgegeven, maar toch waren deze slechts klein te noemen bij de onmetelijke bezittingen, waarvan hij nog eigenaar bleef, en nu stond hem eene keuze te doen tusschen de kasteelen den Puttenstein, onder Oldebroek, den Verlehorst of Veelhorst onder Nunspeet, of den Hof Old- Putten onder Doornspijk, nabij Elburg, om zijn verblijf te vestigen, en hij koos dit laatste, alwaar hij met zijne drie zonen Pilgrim, Dirk en Herbern zich bleef onthouden. Soms nog raakt een visscher, welke langs de kust omtrent de oude haven, nabij de grensscheiding van het gebied van Elburg en Oosterwolde, onder Doornspijk, en wel tusschen de Eketer- Merk- Sluis en de Lummer- Sluis zijne fuiken uitzet, met zijn boom op eenig paal of muurwerk van gewelven en grondvesten, en dit is alles wat van Nijenbeek is overgebleven; voor het nageslacht heeft de tijd zelfs geene legende bewaard!

Hij, die in zijn boezem eerbied voedt voor het grijze verledene, laat met welgevallen zijne oogen dwalen over de oude gedenkteekenen, die hem daaraan herinneren. Een toren, een stuk muur, ja, zelfs fondamenten of- oneffenheden in den bodem, die de grijze oudheid voor zijne verbeelding terug roepen, zijn heilig in zijne oogen. Doch smartelijk voorzeker wordt zijn hart getroffen, wanneer het oog vruchtloos rondziet naar de overblijfsels van eenig lang verdwenen gebouw; wanneer hij ontwaart, hoe de ploeg des landsman, of de schuimende baren der zee alle sporen hebben uitgewischt.

Wij zullen U deze smartelijke gewaarwordingen besparen, en verzoeken U liever te vergezellen naar

Den Karmeliten – Hull,

 

Welken wij in tien minuten kunnen bereiken; volgt mij dan naar het zuiden, langs de zeedijk, die ons voorbij eene boerenplaats, de Zeeburg, voert. Ziet, daar zit in de haag van akkermaalshout een knaap, bezig om de boombast van een takje te schillen, ten einde er een fluitje van te maken en met een mes op het houtje kloppende, laat hij het werk vergezeld gaan van een daarbij behoorend liedje, dat ons een denkbeeld kan geven van het eigenaardige der Doornspijksche taal. Hoort dan hoe hij zingt:

Sip, sap höltien, ik slao oew met een böltien,

Ik slao oew met een mes of dree, dat i vliegen aover de zee,

Koom i dan weer baoven, ‘k gooi oew in den aoven,

Koom i dan weer op ons laaend, dan gooi ik oew met zwart zaaend.

D’rof! D’rof! D’rof!!

    Ik ben verzekerd, zoo gij hem aanspreekt met de vraag, waar vroeger het Karmelieten – Hull gestaan heeft, het u gaan zal als mij, toen ik voor het eerst deze plaats bezocht. Men scheen mij niet te begrijpen en vroeg?

“ He wat zeij i? meen i ook ’t Kernemelks – Hull? Dat is mer een olik schöffien van hier; zi i daor die wilgen in dat laaend, rün daor mor op an, dan zöi i de dam wel zien, die vör et laaend lig.”

Betreden wij den dam vóór het Hull gelegen, geen enkel spoor vindt men meer der vroegere gebouwen, die op deze hoogte stonden, kerk en klooster zijn verdwenen, de ringmuur is gesloopt en de fondamenten uitgedolven, en in de gracht is alleen nog een groote veldkei aanwezig. Het geheel is in een stuk hooiland herschapen. Zoo zijn dan ook hier de laatste sporen verdwenen! Doch ja, de hooge watervloed van het jaar 1825, heeft het laatste overblijfsel, bestaande in eenen boerenwoning met eenen steenen trapgevel en voor deze eene poort, met nog eene andere naastbijgelegene boerenwoning, de Bonenburg, weggespoeld, en wat de natuur begonnen heeft, hebben de menschen voltooid; zij hebben de overblijfselen van beide voor afbraak verkocht!

Oud en merkwaardig mag echter deze plaats genoemd worden, daar wij opgetekend vinden, dat in het jaar 805 graaf Wracharius, zoon van Brunhaar, aan den bisschop Ludgerus eenige goederen in Dorenspijk, op de Veluwe, schonk, en waarop Otto Magnus in het jaar 950, bij opene brieven van 12 Mei, ten behoeve van den bisschoppelijken stoel, eeuwiglijk en tot eenen vrijen eigendom heeft gegeven het nieuwe klooster binnen Thornspyc, met eene nieuwe steenen kerk aldaar. Hetzelve werd eerst bewoond door andere geestelijken, welke met die van Staveren zijn vertrokken en in het jaar 1270 door de broeders van de Heilige Maagd, die men ook Carmeliten en Vrouwenbroeders noemt, en destijds door geheel Europa en inzonderheid in deze landen verspreid werden, zijn vervangen geworden. Zoo zijn dan nu onlangs ook de laatste overblijfsels van deze gedenkwaardige tijden voor altijd weggevaagd. Doch neen! De naam der plaats is nog bewaars gebleven, en wanneer onze voet dezen grond betreedt, is het alsof eene onzigtbare stem ons toeroept:

Sta stil, o wand’laar! Zie deez’Hull hier rond!

’t Is hier de plek, waarop in ’t grijs voorleden.

Een prachtig en toen heilig klooster stond.

De tijd verwon; hij had het lang bestreden.

 

Der vroomen ijver schiep die muren sterk;

Maar ‘d eeuwen drongen met geweld er tusschen;

Geen pelgrimsschaar trekt langer naar die kerk,

Geen boet’ling komt dien drempelsteen meer kussen.

 

Hoe menig knie, gebogen op deez’ grond,

Hoe menig lied, hier vurig aangeheven,

Terwijl de ziel haar oorsprong weder vond;

Voor ’t aardsche dood, ontgloeid voor eeuwig leven.

 

In eene zuid – oostelijke strekking van hier, ligt, op een vierde uur afstands, de Verlehorst ( tegenwoordig Staalhoeve?), eene aanzienlijke boerenplaats, met bijgebouwen voor eene zomerwoning van den eigenaar, vroeger een kasteel, behoord hebbende aan den ridder van Putten en Nijenbeek hierboven gemeld; waar in Januari van het jaar 1481 een dag bestemd werd( landdag) om de Veluwe te keer te gaan en middelen daartegen te beramen, waarbij tegenwoordig waren: Lieven van Baex, ritmeester en raad van Harderwijk, van wege Maximiliaan, en Diderik van Lintelo, ritmeester van Hattem en Elburg, van wege Schwartzenburg en het land van Zutphen. Hier kwam het verdrag van Nunspeet tot stand.( Later kom ik met een verhaal waarin alles hier omtrent bescheven wordt).

Als tusschenpunten vindt men in eene regte rigting nog vier zeer zware en groote Veldkeien op den grond liggen, hebbende eene gemiddelde grootte van vijf voeten vierkant. Waartoe dezelve hier geplaatst zijn, kunnen wij slechts gissen. Dan zeker is het, dat de bijgeloovige inwoners nog op het laatst der IX eeuw, de steenen, welke de natuur in woeste en boschrijke oorden her- en derwaarts geworpen had, godsdienstige eer bewezen, en men ook op andere plaatsen zoowel aan steenen als aan boomen geloften deed en betaalde. De heiligste eeden nu werden even goed als de plegtigste geloften bij gewijde steenen afgelegd. Toen echter de verlichting al meer en meer hare stralen door de zwarte duisternis schoot, verdwenen deze bijgeloovige denkbeelden al meer en meer, en

Geen voet dringt langer tot het rotsblok door,

Dat d’offersteen in menschenbloed zag stichten,

Want op zijn hamer sluimert ASA- THOR,

En ODIN heeft geen feest meer aan te rigten.

 

Zijn zetel viel, ’t altaar der heil’gen rees,

Die hadden ook hun tijd, als zonnenvlinders;

Nu gaat de ploeg, waar men hun eer bewees,

En met de heil’ge vaten spelen kinders.

    Doch wij hebben u, lezers, beloofd, de wandeling zoo kort te maken, dat gij u niet zoudt vermoeijen; wel nu, weinige schreden slechts en gij hebt den straatweg bereikt, die u naar Elburg voert. Doch neen, uwe eigene benen zouden u daarheen moeten dragen, zoo de vernielende, vraatzuchtige tijd tevens niet met eene milde hand ons zoo veel had geschonken, waaronder ook gindsche dilligence, die gij daar in de verte ziet aankomen, en de kruipende koetskar heeft vervangen, het eenige voertuig, waardoor gij vroeger hortende en stootende van Harderwijk naar Elburg kondt laten transporteren. Een wenk, slechts, en de conducteur houdt stil. Geene plaats meer in de wagen? Wat nood, ga zoo lang op den bok zitten! Het weder is schoon, en ik zal te voet u op een bescheiden afstand volgen.

1845                                                                                                                          G.H.W.

hendrik van grietjen

 

 

Dit bericht was geplaatst in H.G. Haasloop Werner..

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *