Het huis Hulkestein

 

 

 

Het huis Hulkestein.

 

Er zijn wandelaars geweest, die meenden, dat zij, tusschen Bunschoten en Nijkerk, aan het zuiderzeestrand staande, aan een soort van gezigtsbegoocheling onderhevig waren. Met aandacht starende op de stille blaauwe golfjes, bij laag water, zagen zij duidelijk, nu eens gedeelte van eenen toren, dan weder de overblijfselen van een oude poort, soms ook eene opening als van een venstertje, verscholen in zwaar, maar oud en half vergaan muurwerk.

In hunne verbeelding voortarbeidende, zagen zij reeds een oud kasteel opdagen, met wallen en torens, grachten en bruggen, maar meestal, eer het zoo ver gekomen was, verdween dat tooverslot weder, en de meedoogenlooze golven bedekten, gelijk zij waanden, op ééns, het spel hunner verbeelding.

Was dat een spel hunner verbeelding, of was het werkelijk alzoo? De geschiedenis bewijst, dat, wat zij zagen, werkelijk bestond en gedeeltelijk nog bestaat.

Die oude muurbrokken en die verwoeste torens behoorden eertijds aan het slot Hulkenstein. Vóór vier honderd en meer jaren stond het ongeveer een uur gaans van het stedeke Nijkerk, maar toenmaals op eenigen afstand van het Zuiderzeestrand, en in die dagen was het de schrik van de daar om heen wonende menschen. Van de geschiedenis van dat huis is eigenlijk weinig zekers tot onze kennis gekomen; welligt schuilt er nog veel aangaande dat slot in het duister, dat later ontdekt zal worden. Voorhands biedt het dus, in zijne onzekere oudheid, in zijn spookachtig karakter, waarmede het nu en dan uit de zee oprijst en zich even aan de menschenkinderen vertoont, weder rijke stoffe ter bewerking aan onze legenden- dichters en sprokemakers. Zij, die smaak vinden in zoodanige bewerking onzer geschiedenis, mogen dit ons opstel gerustelijk ter zijde leggen, want wij moeten, als vroeger, getrouw blijven aan ons beginsel: wij geven niets dan geschiedenis en wat wij voor waarheid kunnen verantwoorden.

Maar waarom – zoo vraagt gij – nemen wij nu juist een vergaan en verdronken slot tot onderwerp van onze tegenwoordige beschouwing, en niet liever een, dat nog in ongeschonden pracht voor onze oogen staat, of dat, à la renaissance herbouwd, stof ten overvloed geeft tot allelei breedvoerige bedenkingen? Wij meenen daarvoor verschillende goede redenen te hebben: vooreerst, omdat het verdronken is en dus spoedig vergeten kan zijn; ten andere, omdat het een paar zeer belangrijke punten uit onze Geldersche historie in een helder en opvallend licht stelt; en ook ten derde, omdat het in eene naauwe betrekking staat tot eene bisschopkwestie, en wie is er nu nog onder ons, die daar geen belang in stelt?

Tweemaal zullen wij het oog vestigen op Hulkestein: ééns toen het gebouwd werd, en nog ééns toen het herbouwd werd.

I.

    In het jaar 1423 zat Arnold van Egmomd op den Gelderschen hertogstoel, en ’t was meer aan zijn geluk dan aan zijne wijsheid te danken, dat hij zoo hoog werd verheven. Trouwens, hij was toen dertien jaren oud, en schoon zijn vader, heer Jan van Egmond, als voogd en ruwaard zijne zaken tot aan zijne meerderjarigheid bestuurde, bleven toch de edelen, ridderschap en steden gehandhaafd bij de magt, welke zij zich, eenige jaren vroeger, tegenover of naast den hertog hadden aangematigd. Gerugsteund door dat overwigt in de landszaken, hadden zij met fierheid de aanspraken van twee vorsten, bloedverwanten van Arnold en zijne mededingers naar de heerschappij, van de hand gewezen, vast overtuigd, dat zij gelukkiger, of althans magtiger, zouden zijn onder een jong en onervaren heer, dan onder den heerschzuchtigen Jan van Heinsberg of den kwaadaardigen despoot Adolf van den Berg. Maar hoe de keus ook overigens mogt uitgevallen zijn, zij hadden de rekening buiten den waard gemaakt. Adolf van den Berg bereidde hun eenen bloedigen oorlog, die te gevaarlijk werd, nadat hij ook door den keizer, die door zijn goud was gekocht, met het hertogdom beleend en met kracht ondersteund werd. En Arnold, de man hunner keuze? Zijne gansche volgende geschiedenis droeg de blijken van zijne onervarenheid en wankelmoedigheid in het beleid der zaken, waardoor hij in menigen kostbaren krijg geraakte en menige zware grieve van zijne onderdanen tegen zijn bestuur uitlokte.

Gelijk ook in die dagen meestal het geval was, bragt het openvallen en vervullen van den Utrechtschen bisschopzetel het gansche land in rep en roer. De oude bisschop Frederik van Blankenheim was reeds in 1423 gestorven. Terstond had iedere partij, ieder naburig vorst zijnen kandidaat. Het is geenzins ons voornemen, al die verschillende kandidaten, die ieder hunne bijzondere aanspraken tot dat geestelijk ambt medebragten, hier op te noemen; zelfs hunne namen zullen wij achterwege laten. Genoeg zij het te vermelden, dat er in 1425 nog slechts twee overbleven: Zweder van Culenburg, domproost te Utrecht, en Rudolf van Diepholt, kanonuk te Keulen. De eerste was, op voordragt van vermogende vrienden, door den paus benoemd; hij was een groot vriend van de partij der Lokhorsten te Utrecht en van Jan van Egmond, Arnolds vader, en een der hoofden van de kabeljaauwsche partij in Holland. Rudolf van Diepholt was den Lichtenbergers in Utrecht en den Hoekschen in Holland toegedaan; het volk mogt hem gaarne lijden; hij was knap, wellevend en vol ijver; maar de paus vond hem te wereldsch voor een bischop; ook kende hij geen latijn, hetgeen zeker nog al vreemd luidt voor een hoofd van een bisdom als het Utrechtsche! Hoe het zij, de beide partijen gaven den moed niet verloren: de eene achtte zich niet gehouden aan de pauselijke uitspraak, en de andere gevoelde zich te magtig om haar regt te laten varen. Bisschop Zweder geraakt op het kussen; allen die met rudolf, den postulaat ( d.i. den tot bisschop begeerden), geheuld hadden, worden zonder onderscheid gevangen genomen of ter stad uitgedreven. Nog meer: bisschop Zweder sluit verbopnden met hertog Filips van Bourgondië en met Arnold, hertog van Gelre; hij waant zich thans zeker van zijne zaak en belooft, niettegenstaande zijne geestelijke waardigheid, op aanzoek van hertog Filips, in persoon aan het hoofd zijner gewapenden op te trekken. Maar – wat gebeurt? Naauwelijks had hij even zijne hoofdstad verlaten en zich naar Amersfoort begeven, om daar met zijne Geldersche vrienden eene zamenkomst te houden, of én hier én daar wordt de poort voor hem gesloten! De Lichtenbergers hadden slechts op deze gelegenheid gewacht, om Utrecht te veroveren en Rudolf, hunnen postulaat, ten zetel te verheffen. En nu was het ook gedaan met bisschop Zweder: Amersfoort, dat door Geldersche hulp voor hem veroverd was, moest eerlang hare poorten weder voor Rudolf openen; en – zóó zeer had Zweder zich in den korten tijd van zijn bestuur gehaat gemaakt – slechts zeer weinigen wenschten hem te Utrecht terug. Hij keerde dan ook nimmer derwaarts weder, maar begaf zich eerst naar Culenburg en sleet het overige zijner dagen veelal te Arnhem, waar hij, als bisschop in naam, die weinige kanonikken verzamelde, welke hem nog getrouw gebleven waren.

2-rudolf-van-diepholt

Onder zijn vrienden was onze hertog Arnold: Zijns vaders politiek wees hem geenen anderen weg. Rudolf had van hertog Arnold schadevergoeding geëischt wegens het nadeel, dat zijne Gelderschen te Amersfoort en in het Sticht hadden te weeg gebragt; maar in zijnen jeugdigen overmoed beantwoordde onze hertog dien brief zoo schimpig en bits, en toen vielen er van beide zijden zulke harde woorden, dat er aan geen vrede meer te denken viel. Nog éénmaal poogden de partijen het geschil in der minne bij te leggen en zonden elk hunne gezanten op een dagvaard te Buren, maar ook hadden hier de Gelderschen heeren hunne Stichtsche vijanden bijna in de val laten loopen. Het was in het felst van den winter; de wegen waren onbegaanbaar en de grachten vol ijs. De Utrechtsche gezanten wilden heen, maar de Gelderschen wisten hen door langgerekte beraadslagingen zóó lang op te houden, dat zij tijd wonnen en de Utrechtenaren, wegens het inmiddels ingevallen dooiweder, naauwelijks weder weg konden. Wij zijn hier ( schreven zij) tot Bueren bewedert, dat wij onder noch en moegen, also dat ijs nog leit te cranc over te gaen off te rijden. Ende sijn mogelic begangen ( in den strik geloopen). Ende bidden v raets ende daets, hoe wij beste weder bij u comen sellen, enz.

Gelijk wel van zelf sprak, die onderhandelingen leidden tot niets, en de oorlogsverklaring volgde. Van weerszijden werden groote toerustingen gemaakt. Filips van Bourgondië, Arnolds bondgenoot, zou het sticht van de Hollandsche zijde overvallen. Het slot Ter Horst, aan den voet van den Grebschen berg bij Renen gelegen, het eenige dat den schaduwbisschop Zweder van zijne heerschappij was overgebleven, was door hem aan de Gelderschen ingeruimd, en door hertog Arnold versterkt en van het noodige voorzien, om, zoo hij meende, de Betuwe te kunnen beveiligen. Eén gewigtig punt van  ’s hertogs gebied echter bleef nog onbezet; kon ook dáárin voorzien worden, dan – zoo meende hertog Arnold – zou hij den zich noemenden bisschop, al waren er ook zes, wel uit zijn land kunnen weren. Gelijk ieder weet, behoorde in die dagen ook het groootste gedeelte van het tegenwoordige Overijssel, onder den naam oversticht, tot het gebied van den Utrechtschen bisschop. Nu was Gelderland aan den zeekant, als ’t ware, besloten tusschen het Over- en het Nedersticht, en het was dus in tijd van oorlog van het grootste belang, dáár, aan die zijde, het land tegen elken inval te beveiligen en, zoo mogelijk, de gemeenschap tusschen de beide gedeelten van het Sticht af te snijden. Daarom vatteden hertog Arnold en zijne raden het voornemen op, om aan de Zuiderzee een versterkt slot aan te leggen, dit met mond- en krijgsvoorraad en een aantal manschappen te voorzien, en dáár den vijand op te houden of af te slaan.

Reeds waren hertog Arnold en zijne raden op het huis Rozendaal druk bezig met beraadslagen, wáár en op welke wijze dat kasteel zou moeten gebouwd worden, toen eene gewigtige omstandigheid hun ijlings een besluit deed nemen. De wakkere postulaat namelijk was plotseling in de Veluwe gevallen, hen op een gevoelige wijze vermanende, dat de tijd tot praten voorbij, maar die tot handelen gekomen was. Den 13 Maart 1427, denzelfden dag, waarop Rudolf van Diepholt zijne ontzegbrief, dat is oorlogsverklaring, had ingezonden, deden die van Utrecht van de ééne, die van Overijssel van de andere zijde, met 5000 gewapenden eenen inval in de Veluwe. Dat arme land, dat reeds in zoo menigen vroegeren krijg het tooneel was geweest van jammer en verwoesting, moest ook nu weder de spits afbijten. Tusschen Apeldoorn, Nijkerk en Hattem woedde de vijand op barbaarsche wijs; geen landbouwerswoning, zelfs geen kerk of klooster, werd gespaard; alles werd platgebrand en leeg geplunderd, en beladen met buit keerden de overwinnaars, met den vromen bisschop aan hun hoofd, huiswaarts.

Dat was een harde les, die ook terstond werkte. Men wist nu duidelijk genoeg, waar de sterkte moest aangelegd worden. In allerijl werden maatregelen genomen tot uitvoering van het werk. Timmerlieden en allerlei soort van arbeidsvolk werden ontboden; de landlieden uit den omtrek werden opgeroepen om mede te graven aan wallen en grachten; hout, steen, ijzer en kalk, werd in menigte te land en te water aangevoerd, en de bevelhebber te Nijkerk ontving last, om het werk tegen elke verstoring te beveiligen. Eer het jaar ten einde was, stond het huis Hulkestein bijna voltooid. Het ontving nu ook eenen bevelhebber en een genoegzaam aantal krijgslieden, die dagelijks bezig waren, het slot meer en meer te versterken, die het oog hielden op de bewegingen des vijands aan die zijde, die alles, wat hun maar eenigzins verdacht voorkwam, zelfs koeijen en schapen, prijs maakten, of die ook soms, als de nood hen drong, strooptogten in ’s bisschops gebied ondernamen.

Onbekend-Hulkestein-Fantasieprent

Wij moeten bekennen, dat het punt voor die dagen allergelukkigs gekozen was. Op één uur afstands van Nijkerk, weinige schreden van het zeestrand en in de onmiddelijke nabijheid van de Stichtsche grenzen, was het een punt van belang. Van de ééne zijde hield men bestendig het oog op Amersfoort, aan welke stad nog daarenboven, door een wachtschip, aan den mond van de Eem geplaatst, alle toevoer werd afgesneden. Van de andere zijde onderhield men op Hulkestein, door kleine vaartuigen, gemeenschap met Naarden, Haarlem en andere Hollandsche plaatsen, en die gemeenschap kwam hertog Filips, Arnolds bondgenoot, bijzonder wèl te stade, hoe deerlijk ook overigens hun te zamen beraamde togt tegen Amersfoort mislukte. Ook moeten we bekennen, dat hertog Arnold in die dagen eene meer dan gewone geestkracht en bedrijvigheid toonde. Onophoudelijk reisde hij van het ééne bedreigde punt naar het andere; soms vinden wij hem – en dat duurde een geheel jaar achter elkander – in den tijd van slechts drie dagen, te Lobede, op het slot Ter Horst en op Hulkestein. Hij veroorloofde zich geen rust, behalve op zijn slot Rozendaal, waar hij wekelijks terug keerde, en waar, wanneer hij zijne gemalin daar niet vond, zeker jonkvrouwe van de Wetering en jonkvrouwe Peter hem zoete verpozing schonken. Maar was hij in het veld, dan scheen hij zijne pligten te kennen. Hij vermeerderde zijne strijdkrachten, beloonde, vermaande en bestrafte, en voorzag iedere stad, ieder sterkte, van hetgeen zij noodig had. Behalve voor paarden, ruiters en voetknechten, zorgde hij ook, dat de zijnen geen gebrek aan donrecruit en levensmiddelen kregen. Wij lezen o.a. dat naar Hulkestein en Ter Horst gezonden werd, uit Arnhem, meel, brood, rogge en weit, wijn uit ’s hertogs kelder te Rozendaal, voorts schotelen, kannen, hop om bier te brouwen, stokvisch, die toen ook half- visch werd genoemd, spek, haver, kruiderijen, vijgen, rozijnen, haring, bokking, kaas en boter.

En heeft hertog Arnold met het bouwen van Hulkestein zijn doel bereikt? Is het hem werkelijk gelukt, daarmede de bekommerde Veluwbewoners te beveiligen, en den bisschop of postulaat uit zijn land te houden? Gedeeltelijk ja; want althans gedurende dien oorlog hebben de stichtschen de Veluwe verder met rust gelaten. Ook had hertog Arnold niet nagelaten, voor dien bloedigen strooptogt in 1427 op zijne wijze geduchte wraak te nemen, door het verbranden van Amerongen, Woudenberg en eene menigte omgelegen plaatsen. Maar ook Rudolf zat inmiddels niet stil. De Betuwe lag aan de beurt. Te Renen met eene groote krijgsmagt over den Rijn getrokken, geraakte hij bij Maurik met de Geldersche slaags. Na een allerhevigs gevecht, dat in weergalooze wapenfeiten schaars zijns gelijke moet gehad hebben, begaven de Gelderschen zich met groot verlies op de vlugt. De bisschop trok voort, verwoestte al het land in ’t rond, verbrandde en plunderde het rijke klooster Mariënweert bij Beesd en werd eerst bij Tiel in zijne vaart gestuit. Aan drie poorten beproefde hij die stad te bestormen; maar de Tielenaars begroetten hem zoo nadrukkelijk met kogels en steenen, dat hij, na de dorpen Zandwijk, Drumpt, Zoelen en Wadenooi op de alleronchristelijkste wijze te hebben platgebrand, in allerijl weder over de Rijn naar zijn Sticht trok. Zóó duurde de oorlog nog eenige tijd voort. Brummen en Barneveld, Culenburg en Amersfoort waren beurtelings het tooneel van bloedige strijd, van nederlaag en overwinning. Arnold en Rudolf – want Filips van Bourgondië had reeds eenen afzonderlijken vrede met den postulaat gesloten – stonden ten laatste nog gewapenderhand tegen elkander over, en ook zij verlangden naar vrede. Wél had Rudolf nog grooten zin om den Gelderschen hunne grenssloten, Ter Horst en Hulkestein, afhandig te maken, maar toen de belegering van het slot Ter Horst reeds verre gevorderd was, kwam er gelukkig een voorlopig verdrag tot stand, dat welhaast door eenen duurzamen vrede gevolgd werd. Over de voorwaarden was men het nu spoedig eens. Rudolf erkende Arnold voor hertog en deze van zijn zijde Rudolf voor postulaat; de een noemde den ander zijn lieve neef en beide hechtten met vreugde hun zegel aan het perkamenten staatsstuk, dat bij deze heugelijke gelegenheid ( zoo schreven zij) huden geschreven was, omdat die een huut te cleijne was!

    Nog eenmaal, in Mei 1429, trok Rudolf de postulaat, die eerlang door paus Eugenius als bisschop erkend werd, de Veluwe binnen, maar thans niet als vijand, maar als vriend. Hertog Arnold reed hem met een prachtigen stoet tot Loenen te gemoet, en toen begaven zij zich te zamen naar het vorstelijke Rozendaal, om er hunne verzoening te vieren. Prachtige feesten en gastmalen, opgeluisterd door de aanzienlijkste gasten uit Gelderland, Utrecht en Overijssel, verhoogden de gezelligheid op het vorstelijke lustslot. Muzijk en dans kon toen zelfs een bisschop behagen; ja, toen de Gelderschen muzijk niet toereikend scheen, liet heer Rudolf ten genoege van zijnen lieven neef en diens gasten, zijne pijpers uit Zwolle en Kampen overkomen. Die van Kampen ontvingen daarvoor van ’s hertogs rentmeester twee Arnhemsche guldens, die van Zwolle slecht één gulden. Bij het vertrek van den postulaat ontving deze van den hertog een fraaijen en kostbaar opgetuigden hengst ten geschenke, en de twee gecken van den postulaat kregen met hun beide drie gulden.

Wij voor ons gelooven, dat de postulaat en zijne twee gecken in hunne vuistjes zullen gelagchen hebben; want in die dagen behoefde men niet veel verstand te hebben, om te zien, dat hertog Arnold met dien oorlog meer verspeeld had, dan zijne hengst.

 

II.

 

Wij moeten nu in ons verhaal een sprong doen van nagenoeg honderd jaren ver. Van hetgeen in al dien tijd met Hulkestein gebeurt is, hebben wij niets in de geschiedboeken opgeteekend gevonden, hoe vlijtig wij er ook naar gezocht hebben. Wij mogen onderstellen, dat Arnold’s stichting in dien tijd goede diensten aan hem en aan zijn land bewezen heeft, en in ’t bijzonder weldadig geweest is voor de bewoners der uitgeputte Veluwe. In den zoogenaamden Bourgondischen tijd, toen het tooneel der gebeurtenissen veelal aan de andere zijde van Gelderland verplaatst was, schijnt Hulkestein eenigzins in verval te zijn geraakt. Maar onder Karel van Egmond, den laatste hertog van Geldersch bloed, kreeg alles weder nieuw leven en nieuwe kracht. Van het begin zijner regering tot aan zijnen dood toe was deze merkwaardige vorst onophoudelijk werkzaam ter bereiking van één doel: vernedering van het huis van Oostenrijk, hoe en waar hij zulks ook vermogt. Alle middelen, van de ruwste kracht tot de fijnst geslepen staatskunde toe, werden tot dat einde gretig door hem aangewend. Voor hen, die maar eenigzins ervaren zijn in de geschiedenis van het gewest onzer inwoning, zal het duidelijk zijn, dat, zoo wel zijne oorlogen met Kleef, met het Sticht, met Brabant, met Holland, als zijne herhaalde gewaande vernederingen, en zijne verbintenissen met Frankrijk, allen slechts gerigt waren tegen Oostenrijk, vertegenwoordigd in den persoon van keizer Karel V, zijne erfvijand. Met dit doel voor oogen was hem geen vijand te magtig, geen opoffering te groot, geen menschenleven te gewigtig, soms ook geen eed te heilig. Zijn leven was rijk aan belangrijke gebeurtenissen en blijft hoogst belangrijk voor ieder mensch. Voor ons tegenwoordig doel zullen wij uit al dien rijkdom slechts een kleine greep doen.

karel%20van%20gelre%20500%20

Gesterkt door een nieuw verbond met Frans I, koning van Frankrijk, in 1515, waarbij deze hem zijne hulp tegen Oostenrijk had beloofd, had hertog Karel, met niet ongelukkigen uitslag, weder een jaar lang oorlog met Holland gevoerd. Nimmer radeloos of uitgeput in zijne hulpmiddelen, had hij, met schrander beleid, al zijne grensplaatsen in staat van tegenweer gebragt. Ook Hulkestein, dat, gelijk wij boven zagen, verwaarloosd was, had hij op nieuw doen versterken; de torens en muren werden bijgebouwd en de grachten verbreed. ( Het huis schijnt van nu af niet meer alleen Hulkestein, maar ook Altena genoemd te zijn, dat is al-te-na op den neus der Hollanders, zoo als Slichtenhorst zegt. Sommigen houden Karel om die reden ook wel voor den eersten stichter van Hulkestein of Altena.) Ook had hij er eene haven doen aanleggen, die verscheidenen schepen kon bevatten. In 1504 had hij te Harderwijk eenige vaartuigen uitgerust, om den handel der Hollanders te verontrusten. Het waren kleine schepen, meest seijnschepen, visschersvaartuigen, naar seijne of zegen, visschers treknetten, dus geheeten; maar de manschappen waren onversaagd en begeerig naar buit. Die schepen lagen vlak onder het huis en waren daar veilig voor de Hollandsche vloot, die onophoudelijk in de Zuiderzee kruiste. Begeven wij ons thans voor eene poos en in onze verbeelding naar Friesland!

karel-v-keizer-titiaan-1535

Friesland werd, kort vóór dien tijd, zijns ondaks, bestuurd door hertogen van Saksen, als stadhouders voor de graven van Holland, uit het huis van Bourgondië en Oostenrijk. Zoo lang mannen, als hertog George van Saksen en anderen, het bewind in handen hadden, gingen de zaken goed, want de partijschappen zwegen en het land genoot welvaart, vrede en voorspoed. Maar volgende stadhouders, en daaronder vooral Everwijn, graaf van Benthem, verbitterde de vrije Friesen, door het uitschrijven van drukkende belastingen en door meer andere proeven van oppermagtig geweld. Men haakte naar verandering, men liep ten wapen, men verdreef de Saksische bezettingen en noodigde Karel, hertog van Gelre, uit, om Freislands vrijheid en onafhankelijkheid te beschermen. Natuurlijk, dat onze hertog zich niet lang liet noodigen; zijn aangeboren zucht naar krijgsroem en vooral de gelegenheid, om Oostenrijk, dat geen poging onbeproefd laten zou om zijne heerschappij in Friesland te herwinnen, ook dáár te bestrijden, deed hem gereedelijk aan den wensch der Friezen gehoor geven. Geholpen door Edzard, graaf van Oost- Friesland, wien hij later op onvergeeflijke wijze in den steek liet, gelukte het hertog Karel, in korten tijd bijna gansch Friesland onder zijn magt te brengen. Slechts drie steden en acht grietenijen bleven er over, die zich niet voor hem, maar voor Karel van Oostenrijk, verklaarden. Te Sneek werd de zetel van het Geldersche gezag gevestigd en van daar trokken dagelijks talrijke benden uit, om de andere plaatsen te bemagtigen of de vijandelijke benden, die uit Holland werden overgezonden, te wederstaan. Jaren lang bleef Friesland alzoo de twistappel tusschen twee magtige vorsten. Prins Karel, later keizer Karel V, was de man niet, om dat rijke land zoo maar zonder slag of stoot in de hand van eenen mededinger te laten, die hem en zijn huis daarenboven een eeuwigen haat had gezworen, en onze hertog Karel vond de kans veel te schoon, om nu ook in Friesland eerlang als heer en meester te gebieden, hetgeen hem onlangs in Groningen zoo meesterlijk en boven verwachting was gelukt. De wreedheden, welke de Hollanders dagelijks in Friesland bedreven, verschaften hem, onder anderen voordeelen, ook de hulp en het bondgenootschap van zoogenoemde Lange- en Groote Pier. Deze, een bemiddeld landman, woonde in de nabijheid van het dorp Kimswerd niet ver van Harlingen. Uit have en goed verdreven en met wraakzucht bezield jegens de Hollanders, die zijne woning hadden verbrand en zijne naaste betrekkingen voor zijne oogen hadden vermoord, vormde hij het plan om den vijand al het gewigt van zijne sterken arm te doen gevoelen. Verbonden met velen der zijnen, vormde hij een legertje, dat in korten tijd tot 600 man aangroeide, dreef alles voor zich heen, wat hem tegen stond, en zijn Arumer zwarte- hoop was weldra wijd en zijd gevreesd. Hertog Karel zag spoedig in, dat zulk een man hem onberekenbare diensten bewijzen kon. Door groote beloften wist hij Pier over te halen om het bevel over zijne Geldersche vloot op zich te nemen. Zóó kwam Groote- Pier in Karels dienst onder den weidschen titel van Admiraal der Zuiderzee, waarbij hij weldra spottenderwijs dien van koning van Friesland, hertog van Sneek, graaf van Sloten en vrijheer van Hindelopen voegde. Maar hertog Karel wist wel wat hij deed, en de Hollanders hebben nooit aan vermeteler en gevaarlijker admiraal op de Zuiderzee het hoofd geboden. Een jaar later zag Pier zijne vloot, door al de genomen schepen, tot 150 kielen aangegroeid. Nu waagde hij stouter ondernemingen. Bij Hoorn veroverde hij elf schepen; te Workum bragt hij er 28 op met 400 gevangenen; hij verbrandde de Kuinder; te Hindelopen versloeg hij 300 Hollanders; geen vijandelijk schip ontmoet hij, of het wordt genomen en de manschap onbarmhartig over boord geworpen; in ’t kort, hij was de schrik van zijne vijanden, de geessel van de zee, en de buit, die hij onder de zijnen verdeeldden, was groot, maar het ontzag, dat hij baarde, nog grooter. Eindelijk, in het jaar 1519, zien wij hem op eens het zeeschuim verlaten. Als stil en vergeten burger vestigde hij zich te Sneek, waar hij reeds in het volgende jaar overleed. Hoogst waarschijnlijk zijn hem de oogen opengegaan voor de ware bedoelingen van onze hertog; want het was hem niet te doen geweest, om dezen in zijne eerzuchtige plannen op Friesland te ondersteunen, maar om zijn vaderland de vrijheid en onafhankelijkheid weder te geven. Groote Pier is wel waard, dat wij nog een oogenblik bij hem stilstaan. De nakomelingschap, de toenmalige wijs van oorlogvoeren naar onze meer beschaafde zeden afmetende, heeft hem miskend en hem een dolkop en gemeen zeeschuimer genoemd; maar de kloosterbroeder Peter van Thabor, zijn tijdgenoot, en die dus leefde onder den indruk der verbazende wreedheden welke hij dagelijks bedreef, zegt van hem: “Van dezen Pier was groote spraak in Holland en in Brabant, vooral van zijn kragt en van zijn groote oogen, maar zij maakten het erger dan het eigenlijk was; maar toch was hij een forsch, zwart man, met groote oogen en breede schouders en een ijsselijke baard, gruwelijk om aan te zien, vooral als hij toornig was; ook was hij grof en plomp van spraak, zoodat alle menschen, die hem hoorden, tot lagchen werden bewogen; hij was dapper en fel op de vijanden, maar toch redelijk van hart als een christen, want hij had een goede meening om vrij en friesch te wezen en het land in goeden staat te brengen en te houden. Hij was veel liever bij zijn ploeg gebleven, dan dat hij geoorloogd had; want dat men hem zijn land niet met vrede had laten bebouwen en bewonen, en dat men zijn huis en zijn kerk had verbrand, dát wilde hij wreken, zoo veel hij kon en vermogt. Groote- Pier was altit recht uut ende hy en was gheen pluimstrijcker!”

220px-Dapperheidgrotepier

Keeren wij thans tot hertog Karel terug! Na Pier’s dood begonnen zijne zaken in Friesland achteruit te gaan. Wél voedde hij nog altoos hoop, het land, met Fransche hulp, langzamerhand onder zijn gezag te brengen, maar eendeels zullen er de Friezen gezien hebben, dat zij met de Gelderschen hertog ook het Trojaansche paard hadden binnen gehaald, en anderdeels had zijne tegenpartij in korten tijd zulke beslissende maatregelen genomen, dat hij weldra al zijne kracht moest inspannen om Gelderland zelf te beveiligen. Floris van Egmond, stadhouder van Friesland, en Hendrik van Nassau, stadhouder van Holland, waren weder in de Veluwe gevallen, hadden daar een verschrikkelijke verwoesting aangerigt en eindelijk het beleg voor Arnhen geslagen, waar hertog Karel zelf zich bevond. Middelerwijl vielen de burgers van ’s Hertogenbosch in het Overkwartier van Gelderland en legden daar een paar bloeijende dorpen in de asch. ( Peter van Thabor verhaalt ons deze, tot hiertoe weinig bekende, gebeurtenis, op de navolgende wijze: “ Item, doe waren die van Hartighenbosch in dat Ouerferndel, als bij die stat van Gheller; want daer legghen twie grote sware dorpen, als Nykerck ende Oltkerck. Desse twie dorpen mit hoer omlant is een heel foghedy, recht als hyr in Frieslant is een grieteny. Ende dit eene dorp, als Nykerck, hebben die van den Bosch ganslic op ghebrant, ende hebben die pastoer doot geslaghen by die kerckedoer; ende sie hebben oeck veel huuslueden gheuanghen, ende sie namen oeck mede al dat sie mochten, ende toghen soe weder heen. Ende dit dorp Nykerck is soe groet, dat het wel in heft omtrent XXIIII communicanten, als my gheseit heeft een priester, die daer mede verbrant was!”

En, om de maat vol te meten, kwam ook uit Friesland zelf een onweder opdagen, waar hertog Karel het minst op verdacht was. Gedurende zijne afwezigheid, namelijk, hadden zijne Gelderschen zich daar manmoedig gekweten, en zelfs hielden zij Leeuwarden en Franeker belegerd. Maar thans had Karel van Oostenrijk besloten, Friesland, het koste wat het wilde, onder zijn gezag terug te brengen. Onder het opperbevel van Floris van Egmond, Jan van Wassenaar ( deze was dezelfde, dien Karel kort geleden in een Karthuizerklooster te Utrecht gevangen had genomen en toen in een ijzeren kooi binnen Hattem een tijdlang bewaard had. Nu, in Friesland, oefende hij wraak over den geleden hoon, want het was voornamelijk door zijn toedoen, dat Friesland reeds in 1523 bijna geheel van de Gelderschen bevrijd was, schoon hij zelf die bevrijding met zijn leven had betaald.) en Felix van Oostenrijk, zond hij tot dat einde eene rijk uitgeruste vloot en eene talrijke legermagt naar Friesland. Met groot beleid kweten deze zich van haar taak. Het beleg van Leeuwarden en Franeker werd opgebroken, de Gelderschen weldra uit de meeste plaatsen van Friesland verjaagd, Stavoren, Hinlopen en Workum genomen en hernomen, en zelfs Groote- Pier ondervond, wat het zeggen wil, tegen geregelde troepen te vechten. In het begin van Februari 1517 scheidde Felix van Oostenrijk zich van de zijnen af, trok naar de Kuinder en deed een inval op Geldersch grondgebied. Onverwacht verscheen hij voor Hulkestein. In allerijl werden maatregelen genomen, om hem te wederstaan. De bevelhebber Werner Spiegel, te regt het belang van zulk een punt voor zijne vorst beseffende, wendde alles aan, wat slechts mogelijk was, om het slot te behouden; maar het mogt niet baten. Na menige bestorming drongen de belegeraars naar binnen, namen den bevelhebber en de zijnen gevangen, en met ketenen beladen moesten deze de trouw aan hunne vorst boeten. En nu was ook het lot van Hulkestein beslist. Denzelfde dag, waarop het was overgegaan, deed Felix van Oostenrijk een begin maken met het slechten der wallen en het verbranden der schepen in de de haven. Daarop deed hij den grooten toren met buskruit vullen, en liet zóó het gansche slot in de lucht springen. Na de plaats dus onschadelijk gemaakt te hebben, trok Felix met zijne manschappen naar Brabant.

220px-Hulkenstein

Hertog Karel, gelijk ligt te begrijpen is, was woedend, toen hij de tijding kreeg van Altena’s val. In zijn drift smeet hij zijn hoed tegen den grond en zwoer bloedige wraak te zullen nemen. Die bedreiging heeft echter weinig uitgewerkt. Felix van Oostenrijk kwam niet meer in Gelderland, en de wraak, die Karel door de zijnen op de Oostenrijkers en hunnen aanhang in Friesland liet nemen en waarbij de onschuldige landbewoners het meest te lijden had, was hem als ridder en held gansch onwaard. Wij rekenen het intusschen van meer belang, en te gelijk veel verstandiger, dat hij aanstonds het besluit nam, om Hulkestein te herbouwen. Het moest voor Holland Al- Te- Na blijven. Reeds den 25 Junij 1517 was met dien herbouw een begin gemaakt. Voortvarend in al wat hij deed, wilde hij ook nu, dat het werk met allen bedenkelijken spoed zou voortgezet worden. Op genoemden dag zond hij aan zijnen rentmeester Maurits Mauritii 63 gouden kroonen, de kroon tegen 38 stuiver gerekend, makende te zamen 100 enkele guldens, tot timmering van het huis. Den 28 Julij van dat jaar zond hij nogmaals 63 kroonen en beval daarbij ook zijnen bevelhebber, Dirk van Keppel, om toch mede te zorgen, dat het huis spoedig mogt gereed komen; hij rekende er op, dat het tegen het einde des jaars voltooid zou zijn, als wanneer hij zelf daar dacht te komen om het te zien. Intusschen had hij – zoo schreef hij – ook eenen harde brief afgezonden om de nog verwacht wordende Bentheimer steenen, die hem veel te lang, naar zijnen zin, uitbleven. Het werk ging dan ook spoedig vooruit, maar toch niet zoo snel, als de hertog wenschte. Geldsgebrek schijnt daarvan de oorzaak geweest te zijn. Den 31 Julij zond hij weder 60 angelotten, makende te zamen 50 gulden, en den 8 Augustus voor het laatst nog 200 gulden, benevens eenige timmerlieden, om de staketsels en andere verdedigingsmiddelen op te rigten; maar te gelijk gaf hij te kennen, dat zij niets meer van hem te verwachten hadden, want sich die tijt vast seer verloipt ind onse gelt zeer vermynnert wurdt. Zoo verrees dan Hulkestein nog éénmaal uit zijne asch, en, zeggen de tijdgenooten, veel schooner, sterker en steviger dan weleer, want het was geheel van Bentheimersteen opgetrokken. Bevelhebber over het slot werd nu zekere Marten Pannekoek, een kloek en ondernemend man, die zelf groot belang had bij de veiligheid van dat gedeelte der Veluwe, waar hij gegoed en geërfd was. Men zegt ook, dat hertog Karel, na rijp beraad, het voornemen had opgevat, om van Hulkestein, door de Arcker- gemeente, thans Arkemehen geheeten, een breede vaart te doen graven tot bij Wageningen in de Rijn. Zeker had hij hiermede de handelsbelangen der Gelderschen, tegen die van Utrecht en Holland, kunnen bevorderen. Het was hem echter niet vergund, dat voornemen ten uitvoer te brengen; zijn gedurige oorlogen, die telkens een tekort in zijne kas veroorzaakten, en andere geldverspillingen hebben de verwezenlijking van dit en meer andere lofwaardige plannen verhinderd.

Over Hulkestein’s verdere lotgevallen kunnen wij nu kort zijn. Marten Pannekoek en zijne opvolgers bleven hunne gewigtige betrekking getrouw waarnemen, en meer dan eens bleek het slot den Hollander weder Al- Te- Na te zijn. In 1522 vinden wij vermeld, dat de bezetting eenenn jongen clerck, die zich uit het Beneden- naar het Oversticht wilde begeven en den Gelderschen ietwat verdacht voorkwam, overviel, plunderde en op het slot gevangen zette. Op herhaalde vertoogen van die van Utrecht, gaf de hertog eindelijk bevel, hem weder los te laten. Ook nog in 1528 schijnen de manschappen op het slot een grooten buit aan koeijen en schapen den Utrechtenaren te hebben ontweldigd. Maar ook ditmaal was het hun niet toegestaan, het hart aan dien vetten roof op te halen. Op bevel des hertogs, en zeker ten gevolge van het bekende verdrag, dat in het merkwaardige jaar 1528 tusschen de beide Karels gesloten werd, moesten ook die koeijen ongedeerd naar Utrecht terug gezonden worden. Nog ééne bijzonderheid uit Karels tijd, en Hulkestein betreffende, willen wij mededeelen.

Wij vinden, namelijk, dat in het jaar 1524 Gerrit van Scherpenzeel, drost op de Veluwe, den hertog een opgave of inventaris zond van alle voorwerpen, groot en klein, welke hij bij zijn bezoek op Hulkestein daar gevonden had. Tot welk doel deze opgave aan hem gezonden werd, bekennen wij gaarne, niet met zekerheid te weten. Maar wij gissen, dat hertog Karel, die altijd gewoon was, zelfstandig te handelen en zich van alles rekenschap liet geven, van tijd tot tijd dergelijke opgaven verlangde, om daarnaar zijne berekeningen te maken, welke steden of sloten aan krijgsvoorraad of levensmiddelen gebrek hadden en daarvan op nieuw moesten voorzien worden. Voor de kennis dier tijden is het, dunkt ons, niet onbelangrijk te weten, wat Gerrit van Scherpenzeel dáár toen vond. Zie hier de lijst:

2 ton serpentijnen kruyt(Serpentijnen, slangen, bussen en haken waren verschillende soorten van vuurwapenen: de beide eersten waren de voorouders van onze kanonnen, de beide laatste van onze schietgeweren.); 1 ton haecken kruyt; it. op ten auersten solder is eyn bedde myt laecken ind decken; opten myddelsten solder synt twe bedden myt decken ind laecken; it. omtrynt 4 molder rogge; 6 schouwe torffs; it. beneden in den torn synt twe bedden myt decken ind laecken ind vier gardynen; it. eyn uutgesneden kiste; 3 syde specks; 30 pont stockvysch; 3 tonne salts; eyn alde trysoir( rustbed) ; noch ein spynde ( kast ) van ruwe plancken the hope gemaickt; 8 tynnen schoetelen, kleyn ind groet; 7 moesschotelen; 3 metalen luchters; 5 kopere potte, kleyn ind groet; 1 groten kettell; 2 slachte kettelen; 2 aecker- kettelen, guet ind qwaeth; 3 tynnen kennekes; 1 qwarte kanne; 3 brant- roeden; 1 wijnkanne; 1 roester; 6 dubbel hantbussen; 30 haecken( geweren); 20 scharpentijnen, gelaidt ind ongelaidt; 2 ijseren slangen; 3 tonne vleys, ny ind alt; 1 vat alls (paling); 1 vat boter; 3 virdelvat zweuels; 1 vat herynk; 1 vat Romeny ind bastert, onder malkanderen gemenght; 2 stucken byers; eyn qwerne ( handmolen); 1 iseren spyt; eyn daerdendeell ind kyndje knypkrutz; noch dry beddelaecken; 2 pellen tafellaecken, quet ind qwaet; 1 hantweell; 1 rolle loetz behaluen dye gegaten synnen. Inderdaad, de inventaris van den inboedel van een vorstelijk slot uit onzen tijd is hiermede niet te vergelijken.

Toen, na de dood van hertog Karel, het gebouw zijner heerschappij, dat hij, ten koste van zijn en zijner onderdanen goed en bloed, ten koste van vijtig jaren strijds, had opgetrokken, in één stortte, geraakte ook Hulkestein in verval. Het scheen, dat het den dood van den vorst niet lang overleven kon. Het is bekend, hoe keizer Karel V, als graaf van Holland en Zeeland, na reeds het wereldlijk gebied van Utrecht en Overijssel met zijne heerschappij te hebben vereenigd, ook eerlang friesland, Groningen en Drenthe, en eindelijk in 1543 Gelderland, aan zijn gebied hechtte. De politieke betrekking tusschen de verschillende gewesten was toen aanmerkelijk veranderd; de ijverzucht der gewesten steeg nooit meer tot die hoogte, dat zij het nodig hadden, tegen elkander het zwaard aan te gorden of elkanders steden, kasteelen en sloten te vernielen. Om die reden zal men van dien tijd af voor Hulkestein ook minder zorg hebben gedragen. Waarschijnlijk bleef het slot met Nijkerk onder éénen bevelhebber; maar het kreeg omstreeks dien tijd een nieuwen en wel zeer geduchten vijand: de zee! Dat was een nieuwen vijand, welken men in die dagen nog zoo gemakkelijk niet wederstaan kon, als tegenwoordig; een vijand, die geen vrede maakt en hoogst zelden terug geeft wat hij rooft. Men weet, hoe de Zuiderzee hare wateren steeds verbreed heeft tot nog in onze dagen, en dat was toen evenzeer het geval. Langzamerhand was zij tot digt vóór Hulkestein genaderd; reeds bespoelde zij het buitenste muurwerk met hare golven; maar al verder en verder drong zij daar binnen, ondermijnde de wallen en torens, en maakte die wankelde en onvast. Toen zal, naar wij vermoeden, een deel van het muurwerk voor het geweld van den aanstroomenden vloed zijn bezweken, en toen zal men nog pogingen hebben aangewend om te redden wat anders onhelstelbaar verloren moest gaan. Een gedeelte der steenen bragt men naar Nijkerk en bouwde daarvan binnen die vest een nieuw huis, ook Hulkestein, maar door sommigen, naar de naam des stichters, het Pannekoekshuis genoemd. Maar het oude Hulkestein, dat hertog Arnold gebouwd, hertog Karel herbouwd had, zonk al dieper en dieper weg, tot dat de zee het geheel opnam in haren schoot.

Lezer! Wij weten niet, of de afbeelding, welke wij, onveranderd en zoo als wij ze gevonden hebben, hier weder geven, ons een juist beeld vertoont van Hulkestein, gelijk het thans op den bodem der zee ligt. Wij hebben zelfs reden te veronderstellen, dat het rusteloos geweld van het water die sterke muren wel veel verder zal hebben verwoest. Maar wie weet, en het wonder, aan de Haarlemmermeer gewrocht, geeft een schijn van waarheid aan ons vermoeden, wie weet, of er niet nog een tijd komen zal, dat Hulkestein voor de derde maal uit zijne puinhoopen zal verrijzen?

Sept. 1853                                                                              P. Nijhoff.

hendrik van grietjen

 

 

 

 

 

Dit bericht was geplaatst in Verhalen bundel.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *