Het kasteel te Hattem.

 

 

 

Het Kasteel te Hattem.

 

Naauwelijks is de plaats meer te onderkennen, waar voormaals, aan de westzijde der stad Hattem, het kasteel of hertogelijk slot verrees. Een open ruimte, ten deele nog door een bouwvalligen muur omringd, geeft nog eenig denkbeeld van den vorm en den omvang van twee der vier zware torens, die het hoofdgebouw uitmaakten.

Dikke_tinne

Toch verdient dat kasteel in aandenken te blijven, om de herinnering die daarmede verbonden zijn; geen herinneringen zoo zeer van kloeke daden of heldhaftige bedrijven, die den roem van ’t voorgeslacht verhoogen, maar van snoode list en woest geweld, overblijfselen der middeleeuwsche barbaarschheid, die het hart tot dankbaarheid stemmen dat een eeuw van meerder beschaafdheid aangebroken en de vooruitgang in Nederland onmiskenbaar is.

Wanneer en bij welke gelegenheid het slot te Hattem gesticht is, zullen wij thans niet onderzoeken, den lezers van dit jaarboekje is het waarschijnlijk ook vrij onverschillig, genoeg zij het, dat het reeds bestond in den aanvang der vijftiende eeuw. De hertog liet het bezwaren door eenen drost, die gehouden was in zijne dienst te hebben zes of zeven ruiters, een kamerknecht, een kapelaan, een regterlijk beambte onder den titel van burggraaf, twee torenwachters, twee portiers, twee dienstmeiden, een bakker, een brouwer, een schrijver en een kok. Het gezin op het slot bestond dus, wanneer men de huisvrouw van den drost en haar kamerjuffer mederekent, uit ruim twintig personen. Soms nam de hertog zelf er zijnen intrek, bij voorb. Wanneer hij een aanslag op het naburige Overijssel in den zin had. Bij de telkens terugkeerende twisten tusschen de Gelderschen en de steden Deventer, Zwol en Kampen was het bezit van Hattem en de gelegenheid welke het slot aanbood, om het vijandelijk gebied daaruit te overvallen en wat buit gemaakt werd daarheen in veiligheid te brengen, van groot gewigt. Daarom werd het drostambt door den hertog doorgaans aan een man van beproefde dapperheid en trouw gegeven. In 1505 werd het bekleed door Johan van Gelder, een der natuurlijke broeders van hertog Karel van Egmond. Voor dezen was dat jaar een der rampspoedigste van zijn leven. Men weet, dat zijn aartsvijand Filips, bijgenaamd de Schoone, als erfgenaam van het huis van Bourgondië, hem het regt op het hertogdom betwistte. Lang had de strijd reeds geduurd, maar noch van de eene noch van de andere zijde was tot dusver een krijgsmagt aangevoerd, die tot beslissing kon leiden. Nu echter, eer Filips zich naar Spanje begaf om de hem onlangs toegevallen koningskroon van Kastilië te aanvaarden, was hij, ondersteund door zijn vader, keizer Maximiliaan, met een aanzienlijk leger in Gelderland gevallen, vast besloten om zich zonder verwijl van den hertogshoed te verzekeren. Reeds was Arnhem gevallen, en

door een bres in den omvergeschoten muur had de koning zijn zegevierenden intogt in de stad gedaan. De kleine steden der Veluwe aarzelden niet, de hoofdstad te volgen, en onderwierpen zich aan den veroveraar. Hattem alleen hield stand, want de kloeke Jan van Gelder voerde daar het bevel en bereidde zich om met de zwakke, maar, zoo hij waande, trouwe bezetting het uiterste tot bewaring van den belangrijken brug te beproeven. Maar hij rekende niet op verraad. Terwijl hij op de tinne van een der torens in persoon kennis nam van de aanstalten des vijands tot het wagen van een storm en maatregelen beraamde om dien af te weren, schoten de leden van zijn eigen gezin en het krijgsvolk der bezetting, tezamen meer dan vijftig man, op hem toe, dwongen hem tot overgaaf en dreigden, bij weigering, hem van de hoogte neder te storten, ontwrongen hem de sleutels en lieten de vijand binnen.

kasteel rosendaal

De nederlaag van den hertog was hiermede bijna voltooid. Het duurde niet lang, of het slot Rozendaal, zijne prachtigste bezitting, zoo menigmaal de getuige van zijn en zijner voorzaten vorstelijken luister, was die van zijne diepe vernedering; hij viel er de koning te voet en onderwierp zich aan de voorwaarden, waarop het zijnen vijand behaagde zijne geheele vernietiging te voorkomen.

Nog dieper vernedering bereidde Karel zich zelven, want hij verbrak den eed dien hij aan Filips had gezworen, wapende zich op nieuw en gordde zich aan om te heroveren wat hij in openbaren krijg verloren en bij wettig verdrag afgestaan had.

500px-Hattem_A_v_Slich_4e312a149e617

In 1511 was, met uitzondering van Arnhem, het slot te Hattem nagenoeg de eenige sterkte, die nog Bourgondische bezetting had en, gelijk de laatstgenoemde door verraad hem ontvallen was, zoo keerde zij nu ook door verraad tot hem terug. Voor het huis van Bourgondië voerde er een vreemdeling, Filips van der Reck van Sommeren, als drost of slotvoogd, het bevel. Hij was lid van een vrijheerlijk geslacht in het graafschap Mark, en leende, gelijk de meeste zijner standgenooten in die eeuw, zijnen arm aan den vorst, die zijne diensten het rijkelijkst beloonde. Op die zwakke zijde werd niet te vergeefs door des hertogs vrienden een aanval beproefd.

Onder de meest vertrouwde raadslieden van hertog Karel was Johan Bentink. Hij was opperjagermeester van de Veluwe en oefende in deze betrekking een groot gezag uit over die geheele landstreek. Nog dteeds was de hooge Veluwe “een wild en bijster land”, zoo als de hertog Arnold, Karels grootvader, haar pleegde te noemen, en vertoonde een aaneenschakeling van digte bosschen en uitgestrekte heidevelden, sterk bevolkt, niet alleen door hazen en konijnen, maar ook door herten en reeën, terwijl zelfs de wilde zwijnen er niet zeldzaam waren. Het bouwland lag als zamengedrongen rondom de kleine kom der dorpen en buiten deze verhief, als uitzondering, hier en daar een der nog zeldzame steenen gebouwen zijn hooger dak of torenspits boven het schaduwrijke geboomte.

Nu gebeurde het eens, dat de opperjagermeester, bij ’t vervolgen van hert of zwijn, door den nacht overvallen, zijn gewone verblijfplaats op het Loo niet meer kon bereiken, maar onder Epe of Heerde onder zoodanig dak, met de zijnen, niet vergeefs gastvrijheid zocht. De genoemde dorpen waren onderhoorig aan den burg te Hattem en dee kerspellieden jegens het slotgezin tot het aanvoeren van brandstoffen en andere diensten verpligt. Den scherpzienden Bentink ontging het niet, dat hij zich in de woning bevond van Johan van Mekeren, voor wiens beeldschoone zuster de drost van Hattem van liefde blaakte, en om welke hij het waagde bij wijlen den hem aanbetrouwden post te verlaten. Zóó door het toeval begunstigd achtte hij het niet beneden zich, Emma voor het belang van zijnen meester te winnen, en inderdaad, niet vergeefs had hij er op gerekend in haar een trouwe bondgenoot en vaardige zaakgelastigde te zullen vinden. Het streed toch met haar gevoel, hart en hand te schenken aan den vijand van haar vaderland, aan den bestrijder van den vorst aan wiens voorzaten haar geslacht de opheffing uit den stand der dienstbaarheid en de regten van vrijgeborenen had te danken. Ware Filips gewonnen voor de zaak van Karel van Gelder, dan bestond er geen hinderpaal meer voor hare liefde en de hertog zelf zou het huwelijk met zijne goedkeuring bekrachtigen. Het middel, dat aan de onderhandeling een goeden uitslag moest verzekeren, gaf Bentink zelf haar aan de hand: niet minder dan 8000 goudguldens, in dien tijd een meer dan vorstelijk geschenk, zou de prijs zijn, waarvoor Filips van der Reck den burg van Hattem voor den hertog van Gelder zou openen. Door de vleijende stem van de beminnelijke Emma aangedrongen vond het voorstel gehoor. Hattem keerde onder de gehoorzaamheid van den hertog terug en de slotvoogd ontving zijn loon ten deele in geld, ten deele in de opdragt van het drostambt van Kreveld met het slot Krakou, dat eenigen tijd te voren aan den hertog uit de erfenis van den graaf van Meurs was toegevallen. Dat zijn huwelijk met Emma van Mekeren voltrokken werd, mag gegist worden, schoon het door de geschiedenis niet uitdrukkelijk wordt gemeld.

Voor hertog Karel intusschen was Hattem een belangrijke aanwinst. Hij ontveinste het niet bij zijn plegtigen intogt, en schonk daarom ook bij die gelegenheid, naar ouder gewoonte, aan allen, die wegens manslag of ander misdrijf uit de stad hadden moeten wijken, voor zoo ver zij zich konden vasthouden aan het touw of de lijn, die aan het zadel op ’s vorsten paard bevestigd was, vergiffenis en kwijtschelding van lijfstraf en boete. Belangrijk was de aanwinst der veste vooral bij den op nieuw ontbranden oorlog met de Overijsselsche steden, want buit, die op den vijand behaald werd, of gevangenen, die den Gelderschen in handen vielen, konden niet veiliger worden bewaard dan op het slot te Hattem, uitmuntende door zwaarte van muren en dikte van torens.

geldersche troepen in Amsterdam 1512

Zoo was het onder anderen in December 1512. Op den dag vóór kersmis trokken omstreeks 1100 Geldersche krijgsknechten, die zich bij Utrecht verzameld hadden, in allerijl naar Amsterdam. Die stad was toen niet grooter, dan de ruimte, welke thans door de burgwallen wordt omgeven, en de poort was op de hoogte van de tegenwoordige St. Antonij- waag. Daarbuiten in de gracht lagen vaartuigen, niet alleen inlansche, maar ook uit Engeland, Frankrijk en van de kusten der Oostzee, volgens sommigen drie honderd in getal. Bij den schrik, door den stouten aanval te weeg gebragt, viel het den Gelderschen ligt, de meeste dier schepen te verbranden. Maar naar de wijs van dien tijd bepaalde zich de onderneming tot roof en plundering; zelden wist men zich in eene genomene stelling te handhaven, en deed men dit werkelijk, het was vaak, gelijk meer dan een halve eeuw later bij de gedenkwaardige inneming van Brielle door de Watergeuzen, zonder vooraf beraamd plan en als tegen wil en dank. Zoo trokken dan ook de Gelderschen, vlammen achter zich latende en buit met zich voerende, naar den kant van Utrecht terug. Maar niet ver van die stad had Jan, heer van Wassenaar, zich met eene niet onaanzienlijke magt in hinderlaag gelegd. Zwaar was de aanval, dien de Gelderschen te verduren hadden, maar door snel toegeschoten hulp ondersteund, wisten zij den Hollanders zoodanig het hoofd te bieden, dat deze een volkomen nederlaag leden en de vijandelijke bevelhebber zelf hun in handen viel. Geen plaats bood toen betere gelegenheid aan, om den aanzienlijken gevangene, een der rijksten en edelsten onder de Hollandsche grooten, om zijn veldheerstalenten bij vorst en volk beiden geacht, veilig te bewaren, dan het sterke slot te Hattem. Daar werd hij opgesloten in een vierkante, van zware houten balken zamengestelde kooi, die bestemd was om, in tijd van beleg, met een of meer bussenschieters beladen, van den muur nedergelaten te worden, maar thans in een der torens geplaatst was. “ Sy had de lenghte,” zegt Slichtenhorst, “ van seven voeten en zulk eene verdiepinge, dat een man daerin overeynd konde staen; hoewel geen grootere breyte, dan om een bedde met een stoel te laeten; doch was rondom met ijzere teenen en buiten niet anders verzorghd, dan of met een leeuw ofte ander wild beest daerin zoude bewaerd hebben: sy had daer behalven een vensterken, waerdoor men een schotel ofte kan konde overlanghen; zijnde in ’t midden van een zeer dicken steenen tooren aldus opgehanghen ende vast gesteld, dat men ze met touwen en wind- aesen aan ’t gewelfsel ophaelen en weder konde nederlaeten, in voegen dat sy, wanneer de gevanghen sijn middagh- ofte avondmael zoude doen, dael geschort wierde, ende daerna weder omhoogh getrocken.” Twee jaren later werd Wassenaar, na langdurige onderhandelingen, tegen betaling van een losgeld van 20.000 gulden, uit zijn jammerlijke gevangenschap ontslagen.

De zestiende eeuw was nog niet ten einde, toen Hattem op nieuw aan verraad ten doel stond, maar ditmaal met anderen uitslag. Twaalf jaren reeds had de oorlog geduurd, die tachtig jaren lang zou moeten volgehouden worden; de oorlog, welks uitkomst aan ’t verbaasd Europa een volk zou vertoonen, dat zich met eigen kracht ontworsteld had aan de dwingelandij en de ketenen afgeworpen van den magtigsten vorst, die met despotiek gezag over de uitgebreidste hulpmiddelen kon beschikken. Twaalf jaren had de oorlog geduurd, en het was een der hagchelijkste oogenblikken van den strijd. Een vijandig legerhoofd, kloeker dan zijne voorgangers, had meer dan de helft der opgestane Nederlanden op nieuw aan Spanje onderworpen. De laatste onderhandelingen waren afgebroken, het zwaard was getrokken en de schede weggeworpen. Eendragt alleen kon de vereischte kracht verleenen; maar eendragt ontbrak, en verraad sloop rond. Rennenberg verliet de zijde der staten en daarmede ging Groningen verloren. Vond zijn voorbeeld navolging; het ware gedaan met de zaak der vrijheid en – het vond navolging. – Het kasteel te Hattem was toevertrouwd aan Lodewijk van Montfoort, een tachtigjarig krijgsman, die in het bevel door zijnen zoon Willem bijgestaan werd. Ander staatsch krijgsvolk, onder den overste Hegeman, lag in de stad. Deze – meende de Spanjaard – kon geen weerstand bieden, zoo maar het slot voor Parma geopend was. Bode op bode werd heimelijk aan den drost gezonden om hem daartoe te bewegen. Eindelijk bezweken vader en zoon, de laatste inzonderheid door de belofte van een aanzienlijk bevelhebberschap gewonnen. In de stilte van den nacht trekt hij naar buiten, een legerafdeeling van Maarten Schenk te gemoet, en brengt die onbemerkt op het kasteel. De staatsche bezetting, door drank overrompeld, Hegeman en de zijne gevangen genomen. – Maar op den geest, die de burgerij bezielde, had het verraad niet gerekend. Met den moed der vertwijfeling bemagtigt zij de poorten; drijft hare bespringers tot binnen het kasteel terug; houdt stand tot dat hulp uit Zwol, Deventer en Elburg en andere naburige plaatsen toegeschoten is; belegert den slotvoogd op het kasteel en beukt zoo hevig met het voorhanden geschut de ijzervaste muren, dat de bezetting genoodzaakt is zich over te geven. Aan haar wordt vrije uittogt vergund; maar voor den drost en zijnen zoon kunnen geen voorwaarden bedongen worden. Geboeid naar Arnhem overgebragt worden zij daar op de St. Johans poort in verzekerde bewaring gesteld en beiden op den 10 Januarij 1581 door het hof veroordeeld om met het zwaard te sterven. De hoofden – zoo luidde het vonnis verder – moesten op staken gesteld worden, dat van den vader op een der poorten van Arnhem, dat van de zoon op het huis te Hattem; de lijken gevierendeeld en de vier deelen van dat des vaders op vier verschillende plaatsen rondom Arnhem, dat des zoons even zoo rondom Hattem gehangen.

Hattem viel niet weer onder Spanje terug, maar ging, terwijl de oorlog voortduurde onder velerlei lotwisselingen, met Gelderland, met het gansche vaderland, een beteren tijd te gemoet, waarin meer heldere denkbeelden de zeden verzachtten, de menschheid hare regten hernam, en ook in zaken van krijgswezen en regtspleging de middeleeuwsche barbaarschheid allengs verdween.

  1. I.A.N.

hendrik van grietjen

 

 

Dit bericht was geplaatst in Verhalen bundel.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *