Het koloniale leger

 

Javabode 1888 no 242 

 

Het Koloniale leger

 

Vervolg

 

 

 

III

 

Louis Brown, “der Colonialsoldat”, begint met te zeggen, dat wanneer Edmondo di Amicis ook Harderwijk had leren kennen, zijne ingenomenheid met: “Nederland en zijne bewoners”aanmerkelijk bekoeld zoude zijn geworden.

 

Dit plaatsje is volgens onzen Duitscher een reusachtige mesthoop ( Riesen – Misthaufen), waarvan de stank echter nog meer in Duitschland dan wel in de provinciën van Nederland doordringt. Hij verdeelt het verder in twee gedeelten: 1e. dat der visschers, 2e. dat van menschenvangers, welke laatsten het oogmerk van de “liebenswürdige Regierang”van Nederland, om maar soldaten te vangen, het best begrijpen en nakomen, door met de grootste onverschilligheid jacht te maken. – Wij leeren verder van hem, dat evenals bij Babel’s torenbouw, in dat kleine plaatsje aan de Zuiderzee alle natiën en tongen elkaar ontmoeten; niet alleen de Germanen, Romanen en Slaven in alle variatiën van landstreek en tongval, maar dat zelfs de bewoners van den Maleischen Archipel den Mongolen van China daar rendez – vous geven!! – Op die Harderwijker slavenmarkt is een ieder welkom, die dom genoeg is dáár zijn huid te verkoopen.

 

Als een gevolg van dien harteloozen, ontzettenden handel is Harderwijk dan ookeen plaats van leugen en bedrog, van doodslag en diefstal, van zwelgerij en zedeloosheid – een Commune gelijk, waarin hij de voornaamste is,die er het meest verstand van heeft, zijn slachtoffers te villen. De grootste gauwdieven in die misdadigers – kolonie zijn echter, zegt hij, de Duitschers zelven “zur Ehre Hollands”( !! ) moet hij getuigen.

 

Na zeer onjuiste en onvolledige opgaven te hebben gedaan der eischen, die de reegering stelt voor de intrede in den Indischen krijgsdienst, en evensoo van de voordeelige voorwaarden, die zij aanbiedt, staat de “Colonialsoldat”een oogenblik stil om zijn oordeel te zeggen over het gehalte van het Hollandsche contingent, dat jaarlijks te Harderwijk wordt aangenomen.

harderwijk_oranje-nassau-kazerne-000

 

Het onbeschaafde, luie gespuis, dat uit de groote steden komt, zoo zegt hij, en waarvan een groot aantal lezen nog schrijven kan, is het Koloniaal Werfdepôt vrij wat onverschilliger dan de ontwikkelde dikwijls met academische kennis toegeruste Duitschers; en de zedelijke eischen den eerste tot indienstneming gesteld, zijn zoo gering, dat de grootste schelm uit het Hollandsche hazen – gespuis ( Hasengesindel) wel te Harderwijk in dienst kan treden! En zoo er iemand is, die het hem durft tegenspreken, dat zulk eene onwaardige toegevendheid met den Hollanders, die koloniaal willen worden, bestaat, door b.v. op “Officieele Voorwaarden”of iets van die aard te wijzen (waarbij zulk eene toegevendheid verboden wordt), dan haalt hij als voorbeeld aan: dat, bij het detachement aanvullingstroepen waarmede hij naar Indië vertrok, zich onder de 25 Hollanders 5 gerechtelijk gevonnisde individuën bevonden! De ondergane straffen beliepen ¼ tot 3 ½ jaar en werden niet toegepast voor “vechterij” – ( de C.S. haalt zelf het Hollandsche woord aan) – waarbij de Hollander in een jenever – roes den een of anderen onvriendelijken politieagent den hals afsnijdt, neen! Uit de interessante papieren van die heeren kamaraden waren de zwaarste misdaden te lezen!

 

Dat door het als soldaat aannemen van zulke menschen de Overzeesche Bezittingen van Holland tot een verbanningsoord van misdadigers wordt gestempeld, kan: “die Herren mijnheers weinig schelen”.

 

( De C.S. haalt die woorden zóó aan en herhaalt dikwijls dat “weinig schelen”van de Hollanders en hunne Regeering.)

 

Die vrijwillige deportage heeft echter voor Holland een practische zijde, zegt hij verder, maar voor den Duitschen jongerling met een vlekkeloos verleden, moet het toch interessant zijn, dat al de soldaten van het Nederlandsch Oostindische leger, zoowel in Holland als in de Oost, tot de meest verachte schepselen behooren, die van alle gemeenschap met de burgerwereld stelselmatig zijn uitgesloten; en het is een eigenaardige gewaarwording voor een nog eenigzins fatsoenlijk man, als hij die soldaten, zoowel in de Oost als in de West, door de mooie Nonna’s en door lieve Creoolschen – den rug ziet toegedraaid terwijl zij hen “ausspucken”.

 

In Harderwijk loopt het uitschot van den Nederlandsche proletariër in een voortdurenden jeneverroes rond, en een groot gedeelte daarvan brengt in “de arrestlokalen”, den korten verblijftijd aldaar door. In tegenstelling met dat Hollandsche soldatencontigent, behoort het Duitsche tot de catagorie van oud – gedienden; van handwerkgezellen, die door werklooosheid des winters naar Harderwijk worden gedreven; van gewezen officieren en “verbummelte”studenten.

 

Met weinig uitzonderingen komen al deze lieden arm als kerkratten in Holland en vallen den wervers in handen – ( zooals Herr B. te Groningen) – die hem met de Harderwijker “Herren vom Geschäft”in compagnieschap, tot den laatsten cent van het handgeld afzetten – niet alleen, maar zelfs de burgerkleeding, schoenen, ringen, horloges – van de slachtoffers weten te bemachtigen. Geheel Harderwijk leeft van het Werfdepôt, d.w.z., van het bloedgeld dat de Regeering als koopprijs voor een paar duizend menschenlevens wegwerpt – en dat al lang vóór de uitbetaling van dat handgeld, den hierboven genoemden weg heeft gevonden.

 

Bij nauwkeurige schatting is gebleken, dat er maandelijks 100 tot 120 Duitsche aspiranten voor den Indischen soldatendienst te Harderwijk aankomen, waarvan 60 pCt. Lichamelijk niet beschikt bevondn, wordt afgewezen, om daarna, aan de politie overgegeven, over de grenzen te worden gezet. Het gebeurt zeer zelden, dat een Duitscher zijne papieren, die aan de militaire overheid in Holland moeten worden overlegd, voltallig en volkomen in orde uit Duitschland medebrengt; en daar de Regeering van dat rijk den landverhuizers het verkrijgen der ontbrekende stukken zeer bemoeilijkt en zich met de toezending daarvan niet haast, zoo moeten al die “Harderwijker Weltflüchtinge”in het net vliegen van de logementhouders en “Falschwerbern”. Geen penning van het bloedgeld ( handgeld) vindt zijn weg over de Duitsche grenzen, ’t zijnaar een gebrek lijdende moeder, of naar den schuleischers van handwerkgezellen, studenten en luitenants. De Hollandsche militaire autoriteiten weten dit alles ook zeer goed, en nemen voor hunne aangeworven landgenooten den goeden maatregel, om die jonge soldaten, door hen onder geleide van een onderofficier terstond na de uitbetaling van het handgeld naar het station en met verlof te zenden, aan de roofvogels van Harderwijk te ontrukken.

 

IV

 

Laten wij er thans toe overgaan om het met zulke donkere kleuren geschetste tafereel van Harderwijk, welke stad ons wordt voorgesteld misdadiger en zedeloozer dan een vrijplaats in de middeleeuwen, onder het licht der waarheid te beschouwen.

 

Wanneer de Italiaansche capitano Edmondo di Amicis, de zoo talent – en gevoelvolle schrijver, het kleine Harderwijk met een bezoek had vereerd, dan zou hij – evenmin als Havard dit deed in: “Les villes mortus du zuider – zee” – van dat plaatsje kwaad hebben kunnen spreken.

 

Harderwijk heeft, zoowel in de figuurlijke beteekenis van het woord, evenmin iets van een “Riesen – Misthaufen” als Berlijn. Het behoort, met de p.m. 6000 zielen, die het bewonen, tot de kleine steden van Nederland, en kan als een voorbeeld van Hollandsche netheid en zindelijk dienen. Door de onmiddelijke nabijheid van de zee is de ligging zeer gezond, en de in de nabuurschap zich uitstrekkende Veluwsche bosschen en heidevelden dragen niet weinig daartoe bij. De stad is de garnizoensplaats van het Koloniale Werfdepôt, welk depot gekazerneerd is in de “Oranje – Gelderland”de oude Munt van Gelderland. Het wordt gerecruteerd uit Nederland, Duitschland en België; Als een buitengewoon zeldzaam geval doet het zich wel eens voor, dat een Noor, Italiaan of Franschman kan intreden, ’t zij wanneer de Hollandche taal door hen wordt gesproken en verstaan, of zij reeds vroeger in Indië dienden; maar Maleiers en Mongolen zijn bij menschenheugenis niet in Harderwijk gezien.

 

Ten opzichte van het engagement voor den Indischen militairen dienst is voor Nederlanders o.a. vastgesteld, dat zij moeten overleggen: het bewijs of de bewijzen van goed gedrag, afgegeven door het hoofd (hoofden) der gemeente(n) waar men van zijn 11 jaar af tot het tijdsti der dienstneming heeft gewoond. Zij, die gestraft zijn voor kleine overtredingen of vergrijpen, zonder ooit rechtelijk veroordeeld te zijn geweest wegens diefstal, bedriegelijke oplichting of andere de goede trouw of eerlijkheid kwetsende misdrijven, kunnen worden aangenomen, zoo zij aan de verdere voorwaarden voldoen, op bijzondere machtiging van de Regeering.

 

Wanneer schurken, zooals de C.S. beweert te hebben aangetroffen in het detachement, waarmee hij naar indië ging, zich bij den commandant van het Werfdepôt tot dienstneming aanmelden, worden zij onverbiddelijk afgewezen en terstond uit de kazerne gezet. Wat hij, de C.S., ons dus wil doen gelooven van die 5 “gerichtlich bestrafte Individuen”is onwaarheid; en hij levert, naar onze meening,zelf het bewijs van den leugen, door de omstandigheid, dat hij wel weet te zeggen wat die veroordeelden niet hadden gedaan, maar hunne euveldaden zelve niet weet te noemen.

 

Hij is in een groot feuilleton van 16 nummers zoo gedetailleerd in zijn openbare aanklachten tegen de Nederlanders, dat hij, de misdaden van die vijf landgenooten wetende, die wel met kleuren en geuren zoude hebben opgeteekend.

 

Het is ontegenzeggelijk, dat wij, evenals alle andere natiën, ook uit de laagste volksklasse enrôleeren. De mogelijkheid wordt door ons niet ingezien, en nog veel minder de wenschelijkheid, om die bron, waaruit zooveel uitstekende soldaten – soldaten in het gelid – voortkomen, te stoppen. Daar zijn echter ook slechte sujetten onder hen, die de deugden van ons volk missen en zeer onbeschaafd zijn. Maar waar heeft men die niet? In Duitschland misschien? Dat er een groot getal koloniale soldaten uit die klasse wordt aangenomen, dat lezen noch schrijven kan, is tot op zekere hoogte, met het oog op het universeel onderwijs van onzen tijd waar. Maar dat percent van onze kolonialen verschilt toch heel weinig met dat van de Duitsche; men oordeele. In 1887 werden voor den Indischen kolonialen krijgsdienst aangeworven, totaal 1883 personen, waaronder geteld werden 1462 Nederlanders, 237 Duitschers en de rest eenige andere vertegenwoordigers van vreemde nationaliteiten, die hier niets ter zake doen. Bij die 1472 nu waren 27 menschen, die lezen noch schrijven konden, en onder de 237 vier.

 

Dat het moreel gehalte van het grootste gedeelte van ons nationaal contingent zoodanig zoude zijn, dat het Indië met den naam van “misdadigerskolonie”stempelde, is van den C.S. niets anders dan een booze uitdrukking, die evenmin eenige waarde heeft als bijv. eene beschuldiging zoude hebben, dat de Duitschers, die naar Cameron of Anga – Pequena vertrekken, gelijk gesteld kunnen worden met gedeporteerden naar Cayenne of Siberie.

 

De positie van den Indischen soldaat is in de Hollandsch – Indische maatschappij niet aangenaam. In die maatschappij ontbreken de burgerklasse, waarmee de soldaat in Europa aanraking en omgang heeft; de ambtenaarswereld en die der groothandelaren is natuurlijk voor hem gesloten, en met de Inlandsche en Chineesche bevolking heeft hij niet de minste gemeenschap. Vooral in de laatste jaren is men er op uit dien soldaat, die ons in het bezit van Indië handhaaft, zooveel mogelijk in zijn stand te vergoeden van wat hij daarbuiten mist. Alom verrijzen prachtige cantines, waarin hij zoowel wat eet – en drinkwaren als wat ontspanning betreft, goed en goedkoop alles kan vinden wat hem lijkt. Zoo kan hij bijv. reeds sedert geruimen tijd voor een paar stuivers een flesch Hollandsch bier drinken, waarvoor men vroeger een gulden betaalde.

 

Dat zulke practische inrichtingen, als goede cantines zijn, niet alleen het leven van den soldaat in het kampement, en dus buiten eene voor hem toch ontoegankelijke maatschappij, veraangenamen en er bovendien krachtig toe kunnen medewerken om de jeneverduivel te bestrijden, kan door een ieder worden begrepen. De koloniale Regeering kan dan ook aan dat gedeelte der legerverzorging niet genoeg hare aandacht wijden.

 

Dat nu de soldaat in Indië veracht zoude zijn, beamen wij in zooverre met den C.S., dat zij veracht worden, die zich verachtelijk gedragen; en wat betreft zijn opmerking omtrent de ongevoeligheid der betere helft van het bruine geslacht voor het leger, – nu die schrijven wij aan spijt toe over een blauwtje; het is immers van algemeen bekendheid, dat 9/10e gedeelte der Indische militairen met de tederste banden gehecht zijn aan de donkere dochters des lands.

 

Dat wij den Duitschen recruut zouden prefereeren boven den Hollandschen, is een illusie van den C.S. Waarom zouden wij dat? De omstandigheid, dat hij vreemdeling is en dus een andere taal spreekt, is toch in ieder geval geen aanbeveling, en zeker nog veel minder die “höhere Schul – und Universitätsbildung!” En het zedelijke gehalte van onze oostelijke buren, die wij persoonlijk gedurende vele jaren in het leger leerden kennen, zoowel in Indië als in Nederland, is volstrekt niet beter dan van onze landgenooten; als een bewijs hiervoor merken wij op, dat er zich bij geen enkele nationaliteit zoo veel desertiën voordoen als bij de Duitschers van het Nederl. – Indische leger, en namen zouden kunnen noemen van Duitschlands eerste familiën, wier betrekkingen zich met…..200 gulden handgeld uit de voeten maakten.

 

( A.H.)

freg2

 

     ( bron: Koninklijke Bibliotheek Historische Kranten )

 

 

 

                                                                                         

 

 

 

 

 

 

 

Dit bericht was geplaatst in De kranten over het koloniale leger.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *