Het Koloniale Leger

 

 Javabode 1888 no 241   5-12

Het Koloniale Leger.

I

 

Een gewezen soldaat van het Ned. – Indische Leger, Duitscher van geboorte, zich noemende Louie Brows, beschrijftin de Kölnische Zeitung, de ervaringen, welke hij tijdens zijn krijgsdienst in Indië heeft verkregen.

Het is niet voor de eerste maal, dat zulk eene beschrijving van Duitsche zijde onder de oogen van het publiek wordt gebracht, zij ’t dan ook wel eens door organen, Die een minder goeden naam genieten dan het Keulsche blad.

In den regel is het oordeel dat zij dan vellen over ouwe Indische militaire toestanden weinig welwillend en zeer dikwijls – nu en dan in kwaadaardige toon geschreven – der waarheid ontrouw. Vooral dit laatste is te betreuren. Werd er toch met bezadigdheid en waarheidsliefde op inderdaad bestaande gebreken en verouderde instellingen gewezen, dan zouden zulke opmerkingen uit den vreemde wel eenig krediet hebben, en wellicht tot verbeteringen medewerken.

Vele lezers leggen nu een feulileton, als dat van den “Colonialsoldat” uit de hand, zoodra zij bemerken, dat er eigenlijk meer beschimpt dan wel “beschreven” wordt. Anderen echter beschouwen de zaak wel eens uit een ander gezichtspunt en achten het wel der moeite waard, om, de eene of andere reden daarvoor hebbende, te wijzen op onjuiste voorstellingen en onware beweringen. Bij die laatsten sluiten wij ons aan, al zou dit ook alleen maar zijn in het belang van den goeden naam der werving voor het Indische leger.

Men weet dat zich jaarlijks vele Duitschers in Harderwijk aanbieden, om als soldaat in het koloniale leger te dienen.

Onder hen zijn velen uit het Duitsche leger herkomstig; verder vertegenwoordigers van alle ambachten en beroepen, en dan nu en dan, vroeger meer dan thans, menschen uit de aanzienlijke standen, die eenmaal een goede maatschappelijke positie innamen, bijv, : officieren waren. Hoe het mogelijk is – dit is ’t voorbijgaan – dat iemand, die vroeger officier was, van voren af aan weer in een kazerne kan beginnen, is ons steeds een onverklaarbaar raadsel geweest. We zagen zoowel Duitsche als Oosterrijksche gewezen officieren, die jaren lang den officierenrang bekleedden, in de meest geachte korpsen, op de binnenplaats der kazerne te Harderwijk”aardappelen jassen” en “plaatscorveëen”verrichten met menschen uit de laagste volsklassen. “De dood is beter dan een bitter leven”,schijnt door hen niet te worden besamd.

Over het algemeen heeft men den Duitscher gaarne als soldaat in het Indische leger. Hij is soldaat geboren. Lichamelijk flink ontwikkeld en krachtig gebouwd, heeft hij vele goede militaire eigenschappen en is zijn zedelijk gedrag beter dan dat van andere nationaliteiten, bijv., om er eene te noemen, van onze buurlui, de Belgen.

Hoe menig Duitscher, die zonder middel van bestaan, uitgehongerd en in lompen gehuld, te Harderwijk aankwam, werd in de kazerne van het Koloniale Werfdepot gevoed, gekleed, en – deserteerde een paar dagen later met de 200 gulden, die hem aan handgeld werden uitbetaald. Familiebetrekkingen, die op de vriendelijkste en onderdanigste wijze smeekte om zoon of neef tot korporaal of sergeant te benoemen ( zoals dat vroeger kon ) alvorens de groote reis naar Indië te aanvaarden, lieten daarna, als zij haar doel hadden bereikt , niets meer van zich hooren. En eindelijk staan wij voor het dikwijls voorkomend geval, dat Duitschers, oud – militairen van het Indische leger, die daarin een laatste toevlucht vonden, nadat hun overal in de maatschappij de deur werd gewezen, en die jaren lang in dat leger betaald, gevoed en gekleed werden, zeker zóó goed als ergens anders een soldaat wordt gedaan,in het vaderland terugkeerd, dikwijls met een Hollandsch pensioen in den zak, de pen opnemen om te gaan schrijven zooals wij thans den persoon van den zich zoonoemden Louis Brows, zagen doen.

800px-Artillerie_van_het_O_I__leger__Groot_tenue__1896

Dat van de Duitsche soldaten, die in ons Indië dienen, de minst goeden, de minst geschikten, die zijn, welke eenmaal op een hoogeren sport van de maatschappelijke ladder staande, gelooven, dat wij ons zullen haasten hen andermaal daarop te plaatsen, maar zich deerlijk in die verwachting zien bedrogen, ligt voor de hand.

De besten, de meest geschikten onder hen in de gelederen van het Indische leger zijn zij, die in het Duitsche leger als soldaat of als gegraduëerde dienden, en verder de mannen uit de lagere volksklasse voortkomende. De hemel beware ons verder voor gedemitteerde officieren, verloopen studenten enz.

Tot de eerste categorie, die minst geschikten, rekenen wij den schrijver van den “Colonialsoldat”. Men kan zien, zijne beschouwingen lezende, dat hij een man is van opvoeding en beschaving. Hij heeft gestudeerd en gelezen en heeft gevoel voor het schoone der natuur.

Zoo iemand hoopt officier te worden, maar is hij Duitscher, dan verwacht hij dat hem in de kortst mogelijke tijd, als een rechtsmatige hulde aan zijn kennis en nationalitijd gebracht, die rang worde aangeboden.

Wij stellen ons voor den “Colonialsoldat”in het opstel der Köln. Zeitung hier en daar te volgen, om na te gaan in hoeverre de beschrijving van zijn otmoetingen en ondervindingen juist zijn; en willen beginnen, om het opmerkelijke van het geval, met mede te deelen hoe hij er toe kwam om Hollandsch – koloniaal soldaat te worden.

Na ten Koningsbergen en Berlijn meer te hebben “gekneipt”en geduëlleerd da gestudeerd, wordt “der fast verbummelte Student”, eensklaps door een paar blauwe oogen zoodanig tot inkeer gebracht, dat hij, eensklaps solide en ijverig, weldra “in den gelebrten Gesellschaften zu Hause war, wie einst auf Kneip und Fechtboden.”

Nu eerst mag hij zich ongageeren met het meisje dat hij lief heeft. Het ongeluk wil echter, dat zij, die hem zoo op het rechte pad terug bracht, sterft, en hij niet willende “dat der gewaltige heilige Schmerz eines, in seinen lebenstiefen erschütterten Herzen zich abniumpie in sfeter Reiburg anger, kleinlicher Normal verhaltaisse…u.s.w. – wordt koloniaal.

Wij geven onze meening voor een beter: Dat iemand die met zooveel vrucht gestudeerd heeft, als die zich noemende Louis Brown, doet voorkomen, dat hij heeft gedaan, en die niets anders op zijn rekening heeft dan als student wat veel geld te hebben verteerd, niet als soldaat in een vreemd leger zal gaan dienen, uit verdriet dat zijn meisje sterft. Dat doet geen fatsoenlijk man. Geloove dit, wie wil!

 

II

 

Zoo wij ons al een oogenblik konden voorstellen dat iemand van den stand en de opvoeding van den “Colonialsoldat”, door verdriet tot een avontuurlijk leven aangetrokken,in onze koloniën als soldaat wil gaan dienen, dan kunnen wij toch niet begrijpen dat hij naar Nederland komt, zonder alvorens eenige inlichtingen, hoe gering dan ook, in te winnen. Wij herhalen het: dit komt ons onbegrijpelijk voor.

In verloop van tijd zijn duizenden Duitschers uit Indië in hun land teruggekeerd, zelfs officieren.( Duitschers, dáár, in Indië, officier geworden). Een groot aantal van hen leeft, geheel of gedeeltelijk, van een Hollandsch pensioen, waarvoor onderofficieren en minderen minstens 12 jaren in de bezittingen moesten dienen. Ons dunkt toch dat zoo’n oudgediende spoedig te vinden is,(wij zagen er b.v. te Leipzig en Mains met het lint van het “Kruis voor belangrijke krijgsverrichtingen”,) die allicht het een en ander kan vertellen van de beste wijze waarop men te Harderwijk in dienst  kan treden, enz.

Maar wat nog van meer belang is, is het volgende. Het contingent der Duitschers van de maatschappelijke positie van den zich noemende Louis Brown, wendt zich nagenoeg zonder onderscheid per brief tot het Ministerie van Oorlog of tot de commandant van het Koloniaal – Werfdepôt te Harderwijk, met het verzoek om de noodige inlichtingen voor den aspirant koloniaal.

Onverwijld worden daarop aan hem de gedrukte: “Bestimmungen die Annahme ausläadischen Freiwilliger bei der Königlich – Niederlandischen Colonial Armee in Ost – Indiën betreffend”, franco toegezonden. Inderdaad is het zeer vreemd, dat geen der beide wegen, die beter en fatsoenlijker tot het doel leiden dan de weg door den schrijver van den “colonialsoldat” gevolgd, door hem zijn ingeslagen. Sedert 15 jaren worden die “bestimmungen” in Duitschland op aanvrage ontvangen, zoo b.v. alleen in het jaar 1887, 900 in de groote steden van dat Rijk. Zij worden nimmer verspreid, noch ongevraagd hier of daar heen gezonden.

De “colonialsoldat”, een der gebruikelijke wegen dus niet volgende, reist op goed geluk naar Holland, komt te Groningen aan, en valt dáár reeds in handen van een schurk. Hij vraagt al aan een politieagent hoe hij ’t moet aanleggen om in koloniale krijgsdienst te treden, en die agent brengt hem naar “Herr B.”

transport kolonialen

Had hij zich de “bestimmungen”weten aan te schaffen, dan zoude paragraaf één daarvan hem voor dat ongeluk hebben gevrijwaard; want die § luidt:

“Ausländer, welche in die K.N. colonial Armée einstreten wüsschen, haben sich zu dem zwecke in Person ansumelden, entweder: Bei dem colonial Werbe – depot in Harderwijk, oder bei einem der garnisons – resp. Platzcommandanten in den Niederlanden ( Amsterdam, Rotterdam, Arnheim, Zutphen, Deventer, Groningen, Maastricht, Venloo) von we aus Beförderung nach Harderwijk auf kosten der K.N. Staatsregierung stattfindet.

Verder staat er onder deze § met groote, vette letters gedrukt te lezen:

Einem jeder wird im eigenen Interesse angerathen sich zelbet an genanste Behörde zu wenden, und nicht mit einum Dritten ( sogenaanten Werbers) in Verbindung zu treten!

Hieruit blijkt, onder meer 1e. dat de Nederlandsche regering niets wil weten van wervers, en er dus ook hoegenaamd geen moeite voor doet om Duitschers te lokken zooals de “colonialsoldat”hier en daar wil doen gelooven; 2e. dat het haar ook niet zoo geheel onverschillig is, zooals hij beweert, hoe zij aan de soldaten komt.

De regering kan er echter niets aan doen dat er personen zijn, die zich een soort van beroep hebben gemaakt van het werven en aanbrengen. Zij betaal voor iederen goedgekeurden, lichamelijk geschikt bevonden, recruut, den aanbrenger van dien recruut: 10 gulden. Stelden die persoon zich met het geld tevreden, zoals fatsoenlijke lieden die aanbrengen dat doen, dan zou er vóór dat beroep van aanbrenger nogwel iets te zeggen zijn; maar wat is het geval? Die personen is het niet te doen om de 10 gulden zoogenaamde “aanbrengpremie”, maar om het hooge handgeld van den aangeworven soldaat. Zij spooren jonge menschen op( maar dan toch altijd Nederlandes wel te verstaan) die door omstandigheden in het nauw gebracht wel koloniaal – soldaat willen worden; zij maken dan die mensen wijsdat er heel veel moeilijkheden aan zijn verbonden, en dat het heel veel geld kost, om de voor de in diensttreding benoodigde papieren bijeen te brengen, en komen ten laatste met die jonge menschen overeen dat zij hen tegen betaling van honderd of tweehonderd gulden, kant en klaar als soldaat zullen afleveren aan het Koloniaal Wefdepôt. Kunnen zij vreemdelingen “snappen”die in ons land komen, blijkbaar met het doel om naar Harderwijk te gaan, dan weten zij dikwijls ook die op te lichten door leugen en bedrog. Bijvoorbeeld: een Duitscher valt in hun handen, die nog zijner papieren uit Duitschland moet ontvangen; zij nemen hem welwillend “op logement en kost”en schrijven inmiddels om het stuk. Wordt dat spoedig door hen ontvangen, dan moet men daarom nog niet gelooven dat het terstond aan den eigenaar wordt uitgereikt. Neen, dat papier wordt zoolang teruggehouden totdat het grootste gedeelte van het handgeld “op logement en handgeld”is verteerd. Houden die aanbrengers zelven geen logement en kosthuis, dan wordt het “boetje”, zoals de onnozele recruut genoemd wordt, naar een compère – collega opgezonden, die dat wel doet. Zóó handelde “Herr B”, die de papieren van den “colonialsoldat”, en spoedig daarna hem zelf, naar Harderwijk opzond.

De plitie – agent te Groningen was agent van “Herr B”, en den inhoud van § 1 der “bestimmungen”, hem zeer goed bekend; maar hij weet dat “Herr B”, hem allicht een rijksdaalder in de hand stopt voor elkaar “Lach ins Netz” die hem wordt aangebracht.

Het verbaast ons verder zeer dat zoo’n fatsoenlijk Duitscher, als waarvoor de schrijver van den C.S. , gaarne wordt gehouden, het huis van dien ronselaar ( zielhond, zegt een Belg), niet verliet, toen hij, met hem aan den disch zittende, duidelijk bemerkte met welk een gemeenen kerel hij te doen had, maar vinden het nog vreemder dat “das Weltkind”goed vond, om geheel vrijwillig naar het station te wandelen tusschen “Wilhelm den deserteur”en “Karl den socialist” den tot gevangenisstraf veroordeelde!

De beschrijving van de reis naar Harderwijk waarin de reiziger gelegenheid vindt om eenige kinderachtige,niets hoegenaamd bewijzende, en hatelijke overdrijvingen van onze landgenooten op te teekenen – en hij zelf zoo “elend” schildert, dat een man van karakter in zijne plaats zijnde, stellig uit den trein zoude zijn gesprongen, gaan we voorbij zooals zij dat waard is, om hem de schrijver na kennismaking met Harderwijk en het Koloniaal – werfdepôt , daarover te hooren.                                                                                                                            ( A.H.)

freg2

( bron: Koninklijke Bibliotheek Historische Kranten )

 

 

 

Dit bericht was geplaatst in De kranten over het koloniale leger.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *