Het koninklijk lusthof te Apeldoorn

 

 

Het koninklijk lusthof te Apeldoorn.

 

Op de Veluwe, zoo eigenaardig schoon in vrije natuurafwisseiing, in de nabijheid van Apeldoorn, te midden van bosschen en heidevelden, werd in de 16de eeuw door heer Johan Bentijnck, maarschalk van den hertog van Gelderland, een jachtslot gebouwd en in zijne handen was toen reeds het huis het Loo, dat thans als vorstelijk buitenverblijf beroemd is, maar waarvan men noch den tijd van stichting noch den stichter kent.

apeldoorn_oude_loo_1932

 

Sommigen hebben gemeend dat het voor dien tijd een lustslot der hertogen van Gelderland zou geweest zijn, doch dit gevoelen schijnt van allen grond ontbloot. In 1537 werd het goed door genoemden heer Bentijnck aan den Gelderschen hertog Karel van Egmond in leen opgedragen. Na den dood van heer Johan ( 1543 ) kwam het Loo in bezit van zijn oudsten zoon Adolf, die echter eerst in 1547 door Karel V , die nu hertog van Gelder was, in dat bezit werd bevestigd. Het volgende jaar stierf hij, en daar hij geen kinderen naliet, bleef het goed in handen van zijne weduwe Margaretha Valck, na wier overlijden het eenigen tijd in bezit der vrouwelijke zijlinie van het geslacht Bentijnck kwam. Daarna vinden wij het slot in handen van de geslachten Van Voorts, Van Isendoorn, Van Sterphradt en Van Doornick, totdat het in 1656 door Prins Willen III, die dikwijls op de Veluwe vertoefde, van heer Johan Carselis van Doornick werd aangekocht. De prins, die een hartstochtelijk jager was, en daarom zich gaarne in die streek ophield, stichtte een nieuw gebouw nabij hetgeen er reeds stond, geheel in den stijl van dien tijd, die niet van smakeloosheid is vrij te pleiten.

't Loo

In 1672, toen de Franschen ons land voor een groot deel in bezit hadden, werd het Loo op eene merkwaardige wijze voor hunnen aanval beveiligd. Een bende kwam in de nabijheid van het loo en had het oogmerk het huis te vermeesteren en te plunderen, toen zekere Jan van Sprang, die zich met een trom achter het struikgewas had verborgen, plotseling een wakker tromgeroffel deed weergalmen, hetgeen den vijand vrees aanjoeg voor een geduchte tegenstand, zoodat hij zoo spoedig hij kon aftrok.

Later, toen prins Willem koning van Engeland was, heeft hij het buitenverblijf aanmerkelijk verfraaid en tot een waardig vorstelijk lustslot verheven. Gebouwen, tuinen en plantsoenen werden verbeterd en uitgebreid en door eene kunstige waterleiding eene fontein daargesteld in een der tuinen.

Het Loo werd nu een geliefkoosd verblijf van den koning, waar hij somwijlen van de staatszorger, kwam uitrusten, en om zich met de jacht te vermaken, waarvoor volop gelegenheid was daar de Veluwe destijds zeer wildrijk was. De zoogenaamde koningseik in het Gardersche bosch wijst de plek aan, waar de vorst als hij op jacht was zijn maaltijd hield.

Niet lang heeft Willem III zich in zijn arbeid mogen verheugen. Reeds vroeg riep de dood hem op, en daar hij geene kinderen had nagelaten, werd het Loo gelijk andere deelen van ’s vorsten nalatenschap een twistappel tusschen den koning van Pruisen en Johan Willem Friso. Dit geschil bleef eenigen tijd hangende. Eerst door Willem Karel Hendrik Friso werd met den koning eene overeenkomst gesloten, waarbij het loo aan den prins kwam, die, toen hij stadhouder werd, het genoegen had, het lustgoed door de Staten van Gelderland met de voorrechten eener hooge heerlijkheid en de bijvoeging van het ambt Apeldoorn en het Udelermeer te zien beschenken. De stadhouder bezocht nu dikwijls het Loo en verzuimde niet er verbeteringen aan te brengen. Zijn opvolger Willem V, die een bijzonder liefhebber van het vischvermaak was, vertoefde om die reden gaarne op het Loo, daar hij op het Udelermeer gelegenheid vond voor zijn geliefkoosde uitspanning.

Nadat de vrijheidskoorts uit Frankrijk ook naar ons land was overgewaaid en Willem V met zijn gezin het land had moeten verlaten, heeft het Loo veel te lijden gehad. Zooals het destijds met nationale eigendommen ging, werd er geplukt van wat er te halen was. De toenmalige regeering onzer nieuwe republiek liet er alle zware boomen vellen en zelfs het lood van de daken verkoopen. Nog erger werd het, toen de Franschen daarna ons land waren binnengetrokken. Toen werd op het Loo een hospitaal ingericht; zesduizend zieken werden er in de prachtige zalen verpleegd, die daardoor veel te lijden hadden, terwijl door eene woeste zorgeloosheid de gebouwen bijna een prooi der vlammen werden.

Toen Lodewijk Napoleon koning van Holland was geworden, herstelde deze het Loo van de aangerichte verwoestingen, maar liet, uit bijgeloof voor het water, alle grachten van het jachtslot dempen. Gedurende zijne kortstondige regeering bevond hij zich zeer dikwijls op het Loo.

In 1810, toen Napoleon door Nederland trok, vertoefde hij een paar dagen op het Loo en bracht er eene kortstondige beweging, als een vluchtige verschijning, maar anders heerschte er eenige jaren eene stille eenzaamheid in de zalen en dreven van het bekoorlijk lustoord.

Doch aan de horizon gloorde reeds de dageraad der vrijheid; de vlammen te Moscou riepen den Corsicaanschen leeuw het “ memento mori” toe en weldra braken er voor het Loo weder gelukkiger dagen aan.

Toen Willem I in 1813 koning der Nederlanden werd, keerde ook op het Loo de rechte levendigheid terug.

Sedert dien tijd was het Loo weder het liefste buitenverblijf der Oranje’s. De koning liet het paleis geheel restaureeren en de groote vijvers graven. De valkenjacht werd als in oude eeuwen weder teruggeroepen en de Veluwe was weder het terrein van vroolijke jachtpartijen.

De koning deed in een der zalen van het paleis in 1840 afstand van de regeering. Koning Willem II, die gaarne te Tilburg vertoefde, bezocht weinig het Loo, maar des te meer zijn zoon Willem III. Deze vorst heeft vele verbeteringen en verfraaiïngen op het Loo aangebracht. Het paleis werd weder aanmerkelijk naar de eischen der tijds gerestaureerd, vijvers werden gegraven, parken aangelegd, wegen verbeterd, zoodat het Loo bloeide in nooit gekende luister.

't Loo 2

Willem III, die zoo gaarne op dit oud buitenverblijf der Oranje’s vertoefde, vond op het Loo zijn stervenssponde.

Ook koningin Emma had een voorliefde voor het Loo en vertoefde er gaarne, terwijl onze koningin Wilhelmina met haar gemaal het grootste gedeelte van het jaar er hun verblijf houden.

De prins, die een voorliefde heeft voor het ontginnen van heidegronden en de bochcultuur krachtig bevordert, heeft op het Loo reeds verscheidene verbeteringen aangebracht, waardoor aan vele handen werk wordt verschaft. De onoogelijke stallen zullen thans verdwijnen en plaats maken voor doelmatige en fraaie nieuwe.

Koning Willen III placht te zeggen: “ er is maar één Loo in Europa”, en hierin had deze vorst gelijk, het landgoed kan gerust wedijveren met de fraaiste vorstelijke verblijven van Europa.

XXXXXXX

Dit bericht was geplaatst in Verhalen bundel.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *