Het koolzaad – dorschen.

 

 

Het koolzaad – dorschen.

 

In vroegere eeuwen heerschte er, op het platte land in Gelderland, een over onderscheidene takken van akkerbedrijf zich uitstrekkend gebruik, hetwelk wij hooglijk bejammeren, dat allengskens in onbruik geraakt is. Het was de wederkeerige hulp bij alle groote en moeijelijke werkzaamheden van den landbouw. Al hetgeen veel handen-arbeid vorderde en gerekend werd voordeelig te zijn, wanneer het met spoed geschiedde, werd als door een gansch gehucht gezamenlijk volbragt, ten voordeele van éénen man, die hierom verpligt was, zijne vriendelijke naburen deftig te onthalen. Dit vond plaats bij het schaapscheeren, op de hooge Veluwe, waar nog tegenwoordig sommige niet onaardige gebruiken bij deze feestelijke gelegenheid heerschen, die den beminnaar van Gesner’s Idillen, of Florian’s Estelle, in sommige oogenblikken zouden doen wanen, dat de schoone droomen zijner verbeelding inderdaad hier het leven zelf genoten, ja die zelfs den trouwen lezer van Heemskerk’s Arcadia de schoone herders en herderinnetjes voor den geest zouden kunnen tooveren.

Dit gebruik heerschte, – om de liefelijke Arcadia’s te verlaten, en in de koele werkelijkheid over te treden, – bij het mestrijden, wanneer groote mestvaalten op eenen dag uitgereden werden, waartoe zich al de boeren in de buurt vereenigden, en alle arbeiders insgelijks hielpen, op welken dag een zoo kostelijk maal van rijstenbrij, stokvisch, ham en aardappelen gegeven werd, dat het evenredig aangename geuren opleverde aan de booze dampen, die vroeger de zoo gewillige reuk – zenuwen gekweld hadden.

Dit gebruik, om de anderen voor ditmaal niet aan te stippen, blijft nog in zwang bij het koolzaad – dorschen. Het lust ons, dit feest te beschrijven, niet zoo als het soms ontaart, wanneer de jenever – godheid haren troon in het midden der anders nuchteren landlieden plaatst, en hen allengs door zijn gloeijend vuur zoo ontvlamt, dat men, hen aan den avond ziende, zoude meenen, dat Circé’s tooverstaf alle menschen in dieren, van af het morsige zwijn tot aan den wreeden tijger, had herschapen…. Neen, zoo als het nog plaats vindt: overal waar een verstandig landman aan het hoofd staat, die, als gul bekend, zich het toegenegene hart zijner arbeiders door geenen jenever behoeft te koopen, maar met eene vaste hand het stuur houdt, overvloed van goeden spijs en drank geeft, en nog daarenboven meer door vriendelijkheid en rede regeren wil dan door hoogheid en aanmatiging.

Als dan de tijd van het jaar daar is, dat het koolzaad rijp wordt, ( hetwelk niet, als ander koren, in schoven gebonden kan worden, maar slechts op kleine hoopen op den akker nedergelegd wordt, en daarom zoowel, als ook om de losse polen, aan veel gevaar van wind, hagel, en zelfs zware regen blootgesteld is), begint de landman eenen dag te bepalen, waarop hij zijn gansche veld in eens wenscht af te dorschen, om zoo het rijpe zaad van de vele gevaren, die het bedreigen, te redden. Het eerste wat hij nu doet, is, zijnen staf in de hand te nemen, en huis aan huis rond te gaan, bij den rijken boer zoo wel als bij den arbeider, en hen vriendelijk uit te noodigen, hem, als het goed weder is, op den bepaalden dag, met man en magt bij te staan, om zijn veld te dorschen. Naarmate der grootheid van zijnen akker, strekt zich ook de omvang van zijne uitnoodiging uit: is een gehucht niet voldoende dan wendt hij voegt zich tot het naaste dorp; is het naaste dorp hem nog niet voldoende, – hij heeft vrijheid zijne wandeling in eenen evenredigen kring verder uit te strekken. Niemand weigert ligt. Allen, – bijzonder het jonge volk, – rekenen het zich tot eene eer te mogen deelen in het aangename werk. De bedaarde en bedaagde arbeider weet ook, dat hij op zulk eenen dag meer verdient, dan op elken anderen, omdat hij, boven de kost, ook nog van het stroo zijn billijk aandeel krijgt; welk stroo hem van eenen zulken grooten voorraad brandstof voorziet, dat hij gemeenlijk zijne aardappelpot gedurende de bemesting van zijn varkentje daarop koken, en zich nog tijdens de koele herfstavonden bij een aangenaam vuur verwarmen kan.

Is dan de uitnoodiging ten einde geloopen, die op een vijftal bunders ten minste tachtig man bedraagt; is de hemel helder op den feestelijken arbeidsdag, – dan gaat de landman reeds vroeg in den morgen met zijne dienstknechten uit, om een rond stuk gronds in het midden van den akker, zoo veel mogelijk, tot dorschvloer te bereiden. Tonnen met water en bier worden in overvloed aangevoerd, en men plaatst dezelve, zoo veel mogelijk, in de nabijheid en onder de schaduw van eenig geboomte. Langzamerhand komt het werkvolk aan; een ieder brengt zijn eigen gereedschap mede en geeft door den dorschvlegel of houten gaffel, dien hij op zijne schouders draagt, genoeg te kennen, welk werk in zijne keuze valt. Al wat jong, krachtig en vrolijk is neemt den vlegel op; wie echter meer oud en ernstig gestemd is, treedt langzaam toe met den tweetandigen gavel. De eersten kiezen den dorschvlegel, omdat zij dan het best in het volle gezelschap blijven kunnen; de laatste verspreiden zich over den akker, verdeelen zich van zelve in tweetallen, of werken afzonderlijk aan hetgeen nog voor de hand ligt. Niemand wordt echter tot eenig werk genoodzaakt; een ieder heeft zijne vrije keus; het zoude ook onmogelijk wezen zoo veel hoofden tot één werk te vereenigen, als niet de jeugd van zelve zich bij de jeugd voegde, en de ouderen, van deze afgescheiden, als bij eene vriendelijke overeenkomst, het ligtere werk op zich namen.

koolzaad 2

De plaats nu, op welke zich de dorschers in twee rijen scharen, maakt een volkomen cirkel uit. De jongelingschap verdeelt zich in twee hoopen. Gemeenlijk is iedere ploeg tien man groot; van deze tien gaan er vijf achterwaarts, vijf voorwaarts dorschende, doch alle treden in dezelfde rigting den cirkel rond. De tweede partij volgt eenige schreden later, en is ook, op denzelfde wijze, als de eerste, in achterwaarts en voorwaarts tredende vijftallen verdeeld. Nu treden twee mannen op, die het eerste bed met koolzaad kringvormig spreiden.( De gedaante van den circel, waarop de dorschers rondwandelen is die van een dubbele kring. In het binnenste van dezen cirkel wordt gedurig het onuitgedorschte koolzaad aangebracht.); de dorschers beginnen hun werk en kloppen lustig, allen in eenen slag, op de rijk gevulde koolstelen. Zij gaan steeds voort, maar achter hen volgen twee mannen, die, met de gavels in de hand, gereed staan het eenmaal gedorschte om te wenden. Dit geschied zijnde, volgt het tweede twaalftal dorschers, die thans even lustig voortwandelen en zoo veel mogelijk met de eerste in dezelfde maat het laatste korreltje uit de polen slaan. Hen volgen wederom twee anderen, die het uitgedorschte stroo ter zijde werpen, en op deze het viertal dergenen, die het nieuwe koolzaadbed op dezelfde plaats ter neder spreiden. De grootste kunst bestaat nu hierin, dat nimmer de lijn, ook zelfs niet voor een enkel oogenblik, breekt, zoo dat de steeds voortgaande dorschers hun werk onafgebroken kunnen voortzetten. Wierd de lijn verbroken, dat wil zeggen: kwame het te gebeuren, dat de dorschers hunne vlegels op den grond zelven nog onbedekt met koolzaad moesten nederslaan, dan was het oogenblik daar, waarin alles, wat tot de afgebroken lijn komt, het regt heeft dan den vlegel neder te werpen: en al lagchende over den behaalde triumf, neemt het werkvolk dan een oogenblik rust.

Ook hier echter vordert het oud gebruik eene billijke waarschuwing, en eerst als deze vruchteloos geschied is, werpt de dorscher den vlegel neder.

Immers luid zingende, roept de geheele massa op het oogenblik, dat het werk ophoudt:

Spin aan! Spin aan!

De draad breekt!

Een twee drie! Een twee drie! Een twee drie!

   En met het laatste woord valt de laatste slag van de vlegel: dan zingt alles met luider stemmen over het land heen: rijen! rijen! zaad, zaad!

Deze lijn echter moet om het uur zeker, maar meestal vroeger breken, gedeeltelijk omdat het dorschen een uiterst zwaar werk is en wel eenige verpoozing vereischt, gedeeltelijk om den dorst te kunnen lesschen met eene teug goed bier, of soms ook, als het te pas komt, met een glaasje jenever, dat echter steeds matig dient te worden geschonken. (Men heeft opgemerkt, dat veelal de jenever oorzaak is, dat de meeste feestelijke volksgebruiken en ook het gezamelijke koolzaaddorschen allengskens te niet gaan. Immers bij de geweldige begeerte naar sterke drank, die de meeste dorschers bezielt, gebeurt het vaak, dat zij reeds op den middag zoo krachteloos beginnen te kloppen, dat de helft van het koolzaad in de polen blijft. Deze overgroote schade, verbonden met de groote onaangenaamheid van met een hoop dronken volk te doen te hebben, doen de meeste boeren hunnen koolzaaddorsch op eene andere wijze inrigten. Trouwens men hoort tegenwoordig bijna niets anders, van den morgen tot den avond, zingen, als den treurigen deun:

Ik weet wat! Wat is dat?

De boer heeft nog jenever in het vat,

Ik wou dat ik ze had!

Voorts moet deze lijn van tijd tot tijd breken, om het koolzaad van den dorschvloer te kunnen afslepen, hetwelk meest met eene ladder geschiedt, waarop zich twee knapen plaatsen en waarvan twee touwen gebonden zijn, die door het volle aantal mannen van de voorste of achterste partij dorschers getrokken wordt; deze nemen elk op hare beurt de dienst waar, welke dan aan de dorschvloer geschieden moet. Onder het dorschen zingt men gemeenlijk een liedje, dat met de maat van den vallenden vlegel overeenstemt. Het zijn echter meest slechts korte, afgebroken deuntjes, dewijl het zware werk geen lange zangen toestaat.

300px-Dorsen_(dorsvlegel)

Om deze dorschers gestadig aan het werk te houden, is men met drie sleden, elk met een paard er voor, onophoudelijk bezig het koolzaad aan te rijden. Op het paard zit gemeenlijk een kleine, vlugge knaap, die zingende het land ronddraaft.

Het koolzaad wordt altijd van af de dorschplaats en zoo in wijder en wijder kring naar de dorschvloer gereden. Eenige sterke mannen met gavels vullen er de vierkante kleden mede aan, die op de hoeken met lis en pen voorzien zijn, om dezelve digt te maken; deze worden steeds op nieuw gevuld en weggereden, en in het midden van de dorschvloer uitgeworpen.

Rondom de mannen, die de kleden aanvullen, scharen zich overal kleine knapen en meisjes, die de kleine stronken en verloren steeltjes oprapen en naar het aan te vullen kleed brengen; onderscheidene andere dezer knapen, echter, hebben vast werk aan de kleden, met hen los te maken en uit te leggen, vast te hechten en weder op de slede te plaatsen.

    Aan de dorschvloer zelve staan weder een aantal mannen, die het uitgedorschte stroo wegwerken, en hetzelve allengs heuvelsgewijze ophoopen, doch altijd wordt hetzelve beneden den wind geplaatst, om, zoo veel mogelijk, het luchtig koeltje vrij spel te laten. Maar allengs worden deze hoopen zoo groot, dat de dorschers als in een klein dal aan het oog van de omstanders onttrokken worden. Aan de benedenzijde der dorschvloer, zóó, dat zij in den wind staan, plaatsen zich de zifsters, gemeenlijk ten getale van acht, die het versch gedorschte zaad uitsiften. Deze hebben weder vier inscheppers voor zich, die het koolzaad in de zeven scheppen, terwijl wederom andere bereid staan om het gereinigde zaad in zakken huiswaarts te voeren. Een of twee wagens hebben hiermede gemeenlijk, al naar den grooteren of kleineren afstand van huis, volkomen werk.

koolzaad

    Zoo is nu het gansche werk geordend, en gaat als een vrolijk spel van de hand; ieder weet zijne taak, en de groote kunst is, de gulle vrolijkheid onder de werkende gasten gedurig gaande te houden. Dit hangt gemeenlijk van den landman af, die de zaak bestuurt; bezit deze zoo veel gulheid als beleid, zoo veel vertrouwen als gezag, zoo veel vriendelijkheid als ernst, zoo veel toegeeflijkheid als zedelijke kracht, voorzeker mist het dan niet, of alles gaat vrolijk en ijverig van de hand, en niemand begeert het onredelijke.

Zoodra nu het middaguur slaat, verschijnt de nijvere huismoeder met hare dochters, vergezeld van de speelgenooten uit de buurt en de dienstmaagden, en plaatst, op zakken en kleeden, het eenvoudig landelijk maal ter neder. Het oud gebruik vordert eenen vloed van scheldwoorden bij het zien naderen van de vrouwelijke schaar; deze treedt echter lagchende toe, wetende dat het geschreeuw ophoudt zoo dra zij naderbij komt; elke vreemdeling, wie hij ook zijn moge, ondergaat hetzelfde lot: geen scheldnaam is zoo leelijk, dien hij niet hooren moet, en toch zouden wij hier teregt de spreuk van vader Cats meenen te mogen toepassen:

Gesellen weest gerust, de blaesers bijten niet!

’t Is al maer enkel wint, schoon dat het vinnigh siet.

Twee aan twee zetten zich de werklieden ter neder, meest ten getale van acht of tien om den schotel met room en beschuit, terwijl ham en brood in overvloed rondgediend worden. Nu zwijgt de schare een oogenblik, en ieder ontbloot eerbiedig het hoofd, om in stilte zijn middaggebed te doen. De dochters en dienstmaagden haasten zich om allen te bedienen. Gulle scherts kruidt den maaltijd, en de rust, die allen toekomt wordt gedurende eenige oogenblikken genoten.

Als nu allen den honger gestild hebben, en ook het moede paard eene wijle rust genoten heeft, begint het werk opnieuw. Gemeenlijk treedt nu de dorps – muzijkant tevoorschijn, ( veelal een blinde man met eene viool), zet zich op eenen hoop stroo neder, en begint een vroolijk lied op zijne viool of op den doedelzak te spelen. Het is, alsof de muzijk een nieuw leven in de jeugd doet ontwaken; alles juicht en lacht, of neuriet met de vrolijke toonen mede. Uur op uur gaat het werk voort; steeds levendiger laat de vedelman zijne vrolijke deuntjes hooren, steeds vrolijker zingt de jeugd de bekende zangwijze mede; eindelijk daalt de zon en de laatste schoven worden aangereden. Op de laatsten zak staat, ten teeken dat het werk volbragt is, een groene tak. Het rondom toegenaaide kleed wordt ongeopend en met den meitak in het midden van den cirkel uitgeworpen, waar alle twintig dorschers zich om het laatste werk heen scharen, en, onder een wild en vrolijk hoezee, den tak met het koolzaad zoo plat dorschen als mogelijk is. Nu wordt het laatste zaad, met polen en al, zoo als het ligt, in zakken weggevoerd, alle kleeden op de wagens en sleden geladen, en, met den muzijkant voorop, gaat de vrolijke menigte zingende naar huis. De schare van tachtig menschen neemt nu elk oogenblik toe; de vrouwen en kinderen der arbeiders voegen zich bij dezelve; zij weten dat zij welkom zijn. Op tonnen en vaten zijn planken gelegd, en rondom den rijk beladen disch geplaatst: heerlijke stokvisch met aardappelen werpen hunne geurige dampen omhoog. Naauwelijks zijn deze genuttigd, of er worden ontzaggelijke schotels met rijst, in room gekookt en rijkelijk met suiker bestrooid, opgezet.

Als de maaltijd afgeloopen is, treedt de vedelman nogmaals op, en onder eenen boom of op eene ton noogigt hij het jong volk tot een vrolijk dansje. Gelukkige jongelingschap, die, na eenen zoo werkzamen dag, zich nog sterk en onbeneveld genoeg gevoelt, om zich onder de dansende reijen te kunnen scharen. O! hoe anders moeten de volksfeesten op dezen bodem geweest zijn, toen de sterke dranken nog geene dagelijksche behoeften waren: toen woonde er een edeler en krachtvoller volk in deze landsdouwen.

Keer weder, o jongelingschap! Tot die schoone dagen van weleer. Dan voorzeker zullen de meer beschaafde zeden u met de gematigder levenswijze voeren tot die welvaart, kracht en geluk, die steeds in onze heerlijke streken moge blijven wonen.

Geldersche Volks – Almanak 1839.

hendrik van grietjen

 

 

 

Dit bericht was geplaatst in Verhalen bundel.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *