Het Udler meir.

 

 

 

Het Udler meir.

( bij Garderen op de Veluwe )

 

Daar, waar het vale heideveld

Een vischrijk meir omsluit,

En ’t oog op de overoude schans

Des woesten Noormans stuit;

Of weder op ’t geboomte rust,

Dat eeuwen heugnis draagt,

En ’t gastvrij dak den wandlaar schut,

Door stormwind voortgejaagd.

Daar komt de blijde landjeugd zaâm,

Wanneer de lente lacht,

En drijft het wollig vee bijeen,

Met rijken dosch bevracht.

Men stoeit en dartelt naar den vloed,

En grijpt het lijdzaan dier,

En werpt het zingend in het nat

Met jubelend getier.

Het meisje dat aan ’t water komt,

En ’t eerste schaapje wascht,

Is koningin van ’t lentefeest,

En wordt in ’t meir geplast.

En schoon zij van den oever vliedt

Gelijk de ree der hei,

Men haalt haar in en doopt haar dan

Tot koningin der Mei.

Zoo kwam ook Keetje zingend aan,

( Het was op haar gemunt )

Want eerder treft gij Daphnis vorm,

Dan gij haar malen kunt;

Al hield zij ’t zachte en blonde hair

In ’t mutsje zaamgevat,

Niet eene, die zoo teedren blos,

Zoo held’re blikken had.

Niet eene, die zoo vlug van voet,

Zoo zedig was van gang,

Haar zoete stem blonk helder uit

Bij ’t feestlijk koorgezang;

En onder duizend jongmans had

Ook één haar slechts bekoord.

De wakkre Herman roemt met regt,

Dat zij hem toebehoort.

Hij draagt haar, hoe zij tegenstreeft,

Met vasten tred naar ’t meir,

’t Wijkt alles voor zijn dierbren last;

Haar wacht de krans der eer.

’t Wijkt alles, ook het golvend nat,

Dat tegen d’oever slaat,

’t Wijkt alles, ook – helaas de grond,

Hij roept; het is te laat.

Hij roept; maar ach, geen redding meer.

Het meir onpeilbaar diep

Verzwelgt op eenmaal ’t jeugdig paar,

Dat God tot liefde schiep.

De landjeugd staat rondom geschaard,

Maar aan den grond als vast,

Tot de ongekende stomme smart

In tranen zich ontlast.

Zoo dikwijls als de lente keert

Is ’t vol aan ’t Udler meir;

De luide rouwklagt is gestild,

De vreugde blinkt daar weer.

Maar ééne, zoo onschuldig, lief,

Met hemelreinen lach,

Blinkt onder duizend maagden niet,

Gelijk men Keetje zag.

Hij, die U in dit klein verhaal

Een droeve waarheid bood,

Dacht wel aan Bellamy”s gedicht,

En Roosjes vroegen dood.

Doch ’t landvolk op het heideveld

Kent Zeelands zanger niet,

Maar noemt als een betreurd geval

Den inhoud van dit lied.

Xxxxx

Geldersche Volks-Almanak 1839.

hendrik van grietjen

Dit bericht was geplaatst in Diverse gedichten.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *