Hoe een burgemeester uit groot gevaar gered werd.

 

 

Hoe een burgermeester uit groot gevaar gered werd.

 

Toen Alva, met een stoet van beulen, fel aan ’t woeden,

Den bloedraad aanstelde, en in ’t moorden onverzaad,

’s Lands grooten, als ’t gemeen, opofferde aan zijn haat;

Toen beefde ’t al; ’t geweld sloeg meer en meer aan ’t hollen,

Met roeden, strop en zwaard; men zag de hoofden rollen,

Als hagel in een storm, bij galg, en rad, en staak,

Een brandpaal, ’t eerloos merk der geestelijke wraak.

Stijl.

 

In de geschiedenis van den bloedigen strijd onzer voorvaderen, om zich het prangend juk des wreeden Filips van den hals te schudden, vertoont zich, op bijna elke bladzijde, een tafereel van moed en volharding, van zelfopoffering en dapperheid, hetwelk den beschouwer verbaast en met eerbied gaan over in aanbidding van het magtig Opperwezen, zoodra hij ontdekt, hoe de goddelijke Voorzienigheid in menige onverwachte uitkomst en redding zigtbaar de hand heeft. Hiervan geeft ons het merkwaardig voorval, dat wij willen mededeelen, een treffend bewijs.

In de Hansestad Harderwijk, vroeger begunstigd met eene Hoogeschool en de Geldersche munt, bevond zich ten jare 1568 een oud-burgermeester Wulf of Wulfard van Ommeren genaamd, die de christelijke hervorming, welke toen allerwege begon door te breken, ijverig voorstond, hoeveel levensgevaar daar ook mede verbonden ware.

Kort na de slag van Jemmingen, door de onzen verloren, wegens de moedeloosheid en muitzucht der troepen, onder graaf Lodewijk van Nassau, en de overmagt der Spanjaarden, kwam de wreede bloedhond Alva uit Friesland over Kampen en Elburg te Harderwijk. “Alwaar men hem ( zegt Schrassert) liever zag dan zijn eigen hart, en de nieuwe regenten hem met blijder gelaat dan gemoed, de sleutels der stad, buiten de poort, te gemoet bragten.”

Weldra ontstonden er hevige en bloedige vervolgingen tegen de Luijterden ( gelijk men hen noemde, die de gevoelens van Luther aankleefden). Ook Harderwijk werd door een nieuwen vloed van vervolgingen en ellende overstroomd, en het stond te duchten, dat de voornaamsten der ingezetenen in akelige gevangenissen zouden versmachten, of op schavot en brandstapel den laatsten adem uitblazen. Men vindt bij zulk eene woeling van hartstogten dikwijls onmenschen, die met de vijand heulen, het zij om eer of roem, of tijdelijk voordeel te verwerven, of om zich te wreken.

Dit vond ook hier plaats. De drost van Harderwijk Oth van de Sande, “een groote blaasbalg van oneenigheid,”die, om geledene beleedigingen, van de burgerij inzonderheid, den hervormden geen goed hart toedroeg, wist met listigheid eenige Spanjaarden, door eene verborgene opening in de schans, in de stad te laten, met oogmerk om den adel en de overheid te overvallen en van kant te helpen, hetgeen echter, dank zij zij der liefderijke Voorzienigheid! grootendeels mislukte. De burgemeester van Ommeren des avonds bij het vuur zittende, en met een vroom gemoed een psalm zingende, naar de gebrekkige vertaling van vader Datheen, werd, door eene vrouw uit zijne buurt, gewaarschuwd, dat er Spanjaarden in de stad waren, die hem, zekerlijk niet met de beste oogmerken, zouden komen opzoeken.

Wulf, met schrik bevangen, pakte dadelijk zijn biezen, en begaf zich, uit zijn achterhuis, na eenige muren te zijn overgeklommen, bij een zijner vertrouwde vrienden. Deze, van zijnen nood verwittigd, achtte het van uiterste belang hem, zoo spoedig mogelijk te verbergen, wijl het te verwachten stond, dat er bij hem, als een bekend vriend van van Ommeren, huiszoeking zou plaats grijpen. Doch waar eene schuilplaats gevonden? Men kent de, op zulke zaken afgerigte gasten, die geen sluipwinkel ondoorzocht laten!

Goede raad is duur, maar niet bij de vrouw des huizes; met slim beleid, de sekse in zulke gevallen zoo zeer eigen, heeft zij er spoedig iets op uitgevonden. “Waartoe langer te sammelen? ( zegt zij). Ik weet er wat op. Boven liggen eenige gevulde en ongevulde wolzakken; als nu, onze vriend, een der laatsten te baat neemt, en daarin kruipt, zal men nooit vermoeden, dat er een burgemeester in steekt.” Zij heeft naauwelijks uitgesproken, of haar plan wordt met toejuiching aangenomen, en ten uitvoer gebragt. En niet zoodra heeft onze Wolfert een der zakken met zijnen burgemeesterlijken buik gevuld, en is hij in zulk eenen kerker opgesloten, of de Spanjaarden komen aanstormen, met den drost van de Sande, den laaghartigen verrader, aan het hoofd. Binnen gelaten zijnde, vraagt de vrouw, met het een of ander handwerk ijverig bezig, zoo het scheen, “ Wat is er toch gaande, mijnheer de Drost? Dat gij ons hier zoo ontijdig bezoekt? Waaraan hebben wij die eer te danken? Wat is er afgekondigd?” Waarop zij ten antwoord ontving: “dat het bij lijf en goed verboden was, ketters te verbergen of weg te helpen” De vrouw hernam stoutelijk, zonder blikken noch blozen: “De hemel behoede ons! Gij schijnt dan te vermoeden, dat er hier iets schuilt? Zie daar, mijn huis staat voor u open; gij moogt het vrij van onder en tot boven doorsnuffelen naar uw welgevallen.” Men gaat aan het werk, zoekt en herzoekt, men steekt zelfs met degens in de gevulde wolzakken, zonder echter den beangsten burgemeester te treffen, en niets verdachts vindende, druipt de vijand gramstorig af. Dit ligtte een pak van het hart. Maar daar onze Wolfert het niet langer in den naauwen zak kon uithouden, besloot men, het kostte wat het wilde, uit de stad te helpen.

Andermaal kwam de vrouwen-list te stade. Een bootsmansgewaad, dat voor handen lag, wordt den sidderenden van Ommeren aangetrokken, buiten ’s huis gebragt, en met behulp van eenige andere, toegeschotene vrouwen, langs een touw over de stadsmuren gelaten, hetgeen echter met zoo veel overhaasting geschiede, dat vel en vleesch aan het touw bleven kleven. ( Onder degene, welke in dezen noodlottigen avond gelukkig ontsnapten, behoorde ook een ander burgemeester Ernst Witten, die mede op de lijst der ketters stond. In de kerk gevlugt, terwijl de Spanjaarden hem op de hielen zaten, trok hij de deur met kracht achter zich toe, en kwam, door eene andere, in een, hem bekend huis, in de Vrouwenstraat, alwaar hij zich verborg, op eene plaats, welke men zelden bij den regten naam noemt. De Spanjaards, na de deur der kerk te hebben open geloopen, hem niet vindende, begonnen de nabijgelegene huizen te doorzoeken; ook het huis daat Witten verscholen zat, ja, één hunner lichtte met de kaars zoo digt bij zijn hoofd, dat hij dezelve wel had kunnen uitblazen. Ook hij had daarna zijne redding aan eenige vrouwen te danken, die hem, in vrouwen kleederen vermomd, uit de stad hielpen, van waar hij naar emmerik vertrok.

    Den 23sten November bij klokkengelui op het raadhuis geroepen, met eenige andere uitgewekenen, om den 13den der volgende maand, zich in persoon bij den hertog van Alva, of zijne lasthebbers te vervoegen, ten einde reden van zijne afwezigheid te geven, had hij de voorzigtigheid van niet te verschijnen, wetende wat hem te wachten stond. Zijne goederen verbeurd verklaard zijnde, hield hij zich, met andere vlugtelingen uit Harderwijk, veelal schuil op huis ten Ham, omstreeks Laar, ( dit Laar is waarschijnlijk het kasteel, of heerenhuis van dien naam, bij het dorp Aanstoot, of Otterlo in het schoutambt van Ede, gelegen.) op de Veluwe gelegen. Hoe de neiging tot wraak, getergd door de onmenschelijke wreedheid der Spanjaarden, ook onze Geldersche landgenooten bezielde, wordt onaangenaam bevestigd, door de geschiedenis van dit tijdvak.

Een troep Spanjaarden, op roof uitgegaan, en uitrustende in een bosch, zuidwaarts van het huis ten Ham gelegen, wordt onverhoeds door onze vlugtelingen overvallen, en, zonder genade in de pan gehakt. ( Men verhaalt, dat een zeeuw, bij het ontzetten van de stad Leiden, eenen gedooden Spanjaard het hart uit het lijf rukte, daar in beet, en het met afschuw voor de honden wierp, zeggende: “ Het is te bitter!” Een niet minder barbaarsch bedrijf voerde een vrouwspersoon van Barneveld uit. Een Spanjaard, die, wegens ziekte, was achtergebleven, viel in hare handen. De landtaal niet verstaande, deed hij zijn best medelijden door allerlei gebaarden op te wekken, of smeekende uit te roepen, “Misericorde! Misericorde!”( erbarming! Erbarming!) Met bittere spot beet zij hem toe: “wacht maar! Ik zal uwe bede voldoen, en u eene corde ( koord) bezorgen.” Hierop sleept zij hem naar eene smederij, en wringt hem daar, met een ijzerdraad, de keel zoo geweldig toe, dat de tong hem den mond, een lang eind, uitpuilde, zoo dat de ongelukkige het bestierf. Zoo zeer kan verbittering en wraakzucht ook het vrouwelijk gemoed ontsieren.) Verders vinden wij omtrent van Ommeren weinig vermeldings waardig, behalve dat hij, ten jare 1578, uit zijne ballingschap teruggeroepen, in zijne vorige waardigheid werd hersteld.

Bemmel,

Julij 1840.                                                                                                   J.C. Kobus.

hendrik van grietjen

 

 

Dit bericht was geplaatst in Geldersche Volks-almanak.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *