Hoe een schipper door de duivel werd gehaald.

 

 

 

Hoe een schipper door de duivel werd gehaald.

 

Stomdronken als gewoonlijk was de schipper weer, tegen de avond, aan boord gekomen, nadat hij eerst een paar uur in de herberg had zitten vloeken en razen. Scheldend en dreigend was hij over de meerplank naar de knecht toe gezwaaid en had hem bevolen, al de zeilen op te zetten, en voort te maken. De knecht had het, zonder iets tegen hem te zeggen, gedaan. De schipper stond waggelend aan het roer. En zo waren ze samen de haven uitgezeild met een flinke Noordooster.

Nauwelijks waren ze in zee of de schipper gaf het roer aan de knecht over, scharrelde naar het achteronder, en liet zich er met veel vloeken in zakken. De knecht schoof het luik boven de schipper toe, minderde het zeil en ging weer kalm aan het roer. “ Dat is vast en zeker de laatste keer,” dacht hij, “ zodra die zatlap z’n roes uitgeslapen heeft, zal ik hem zeggen dat hij maar naar een andere knecht moet uitzien. De mensen in Harderwijk zouden er mij ook op gaan aanzien. Vertellen zij nu al niet overal dat hij zijn ziel aan de duivel heeft verkocht om altijd een goede lading te hebben en als ’t eens zo was, dan….Je moest er niet aan denken. Op zee kon er heel wat gebeuren.”

Hij hoorde praten in het achteronder. Eerst meende hij de stem van de schipper te herkennen, maar nee, er was nog een stem, die hardop lachte en vloekte. Voorzichtig schoof hij het luik wat opzij en gluurde naar beneden. Tot zijn grote ontzetting zag hij daar de schipper met een vreemde zwarte heer aan de tafel zitten, druk bezig met dobbelen, terwijl een grote kruik jenever en twee glazen tussen hen in stonden. Na iedere worp met de stenen sloeg de schipper woedend met de vlakke hand op het kleine tafeltje, zó hard, dat alles rinkelde, en dan lachte de zwarte heer.

In de grootste angst schoof de knecht het luik weer voorzichtig toe, en legde er een zware tros op. Hij voelde zich niets op zijn gemak en begreep maar niet hoe de zwarte heer aan boord gekomen kon zijn.

Nu was het hem of het schip niet meer naar het roer luisterde, maar of het in een grote kring rond zeilde. Intussen hield het schreeuwen en lachen beneden aan, tot het opeens stil werd. Die stilte was voor de knecht onaangenamer, wijl het hem in een onzekerheid bracht en hij moest telkens in de duisternis om zich heen zien. Bij het minste klappen van het zeil schrok hij op en tuurde naar alle kanten in het duister. De oude bekende Zuiderzee leek hem deze nacht zo groot en vreemd en vijandig als nooit te voren. Zij leek een groot zwart gat, gapend om hem heen als een oneindige leegte. En…grote God!… het schip begon te zinken. Verbeeldde hij zich dat nu? Nee, ’t was geen verbeelding. Het schip zonk, zonk zo snel met een eigenaardig suizend geruis. Het moest een lek gekregen hebben.

Zuiderzee_1915

Hij wilde naar beneden gaan om zich te overtuigen, overmande zijn vrees om de tros van de klap te nemen en het luik te lichten. Maar toen hij het op een kier open had kwam er uit de donkere ruimte daaronder een walgelijke stank en een bleke, magere hand, met kromme grijpvingers, wrong zich tussen de opening.

Met bovenmenselijke inspanning gelukte het hem die akelige klauw weer naar binnen te duwen met de rand van het luik, dat hij nu goed sloot. Alles wat maar zwaar was stapelde hij er op.

Opeens floot de wind gierend door het want en al het houtwerk kraakte. Met één sprong was hij weer aan het roer en hield het helmhout met krampachtige greep omkneld; maar daaronder in het duistere water achter hem werd aan het roer gewrongen. Waanzinnig van angst gaf hij een luide gil. “ Almachtige God help! Wij vergaan.”

De wind ging liggen en hij zag weer de schuimkoppen op de donkere zee, waarover het schip kalm voortzeilde. Met zijn zakdoek wiste hij zich het angstzweet van ’t voorhoofd en het duurde lang eer het bonzen van zijn hart wat bedaard was.

In de wijde verte scheerde de morgen als een zwaanblanke vogel over het water. De plaats van bestemming doemde op aan de verre horizon. Kleine speelse golfjes klotsten regelmatig tegen het schip op. Met het terugkerende licht van de jonge dag groeide weer zijn zelfbeheersing. Hij had zich zeker alles slechts verbeeld en de schipper zou wel te kooi liggen slapen. Hij zou hem aan dek roepen om het roer over te nemen.

Hij schoof het luik wat opzij en riep in ‘t achteronder. Geen antwoord. Nog eens en luider riep hij, maar ’t bleef stil. Ongeduldig wierp hij het luik wijdopen en liet zich zakken om de schipper eens flink wakker te schudden uit zijn roes. Met één ruk vloog de kooideur open. De kooi was leeg. Het beddengoed lag zoals hij het de vorige dag had neergelegd. De schipper was verdwenen. Alleen de lege jeneverkruik lag op de vloer en rolde met elke schommeling van het schip heen en weer. Twee gebroken glazen en een dobbelsteen lagen er bij. De andere steen lag op het tafeltje, en nergens was een spoor van de schipper.

Opeens bekroop hem de angst van de afgelopen nacht en dodelijk ontsteld wilde hij weer naar boven; maar opeens zag hij dat het ruitje van een der poortjes eruit was…en…aan het houtwerk kleefde een bosje haar van de schipper en een bloedvlek. Het was dan toch zo, de duivel was hem deze nacht komen halen. Hoe men later ook boende en verfde, die bloedvlek kwam steeds weer tevoorschijn, tot het hele poortje vernieuwd werd.

XXXX

Bron: “Veluwsche sagen”geschreven en verlucht door Gust. Van de Wall Perné. Tweede bundel, 1921.

www.beleven.org

XXX

 

 

Dit bericht was geplaatst in Verhalen bundel.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *