hoofdstuk 10 Het geld van de stokvisch terug.

Hoofdstuk 10

Het geld van de stokvisch terug.

Schipper van Erck mocht van geluk spreken, dat zijn vader bij machte was geweest omvoor hem de veertig Rheinsche guldens, die de Naarders als losprijs eischten, te voldoen. Daardoor was hij drie weken na zijn aanhouding weder in vrijheid gesteld en met zijn schip naar Harderwijck teruggekeerd.

Natuurlijk had hij in plaats van goeden winst te maken, bij dit reisje lelijk schade geleden.

Doch van Erck was jong en de jonkheid vergeet makkelijk den leed en teleurstelling, doordat het oog zich bij voorkeur richt naar de toekomst en van deze hoopt en verwacht, dat zij de geleden verliezen dubbel zal vergoeden.

Gelukkig, wel beschouwd, dat dit zoo is. Want het leven bereidt den jongen menschen zooveel teleurstellingen dat hij spoedig als een oude, zwartgallige brombeer moedeloos zich bij de pakken zou neerzetten, indien niet de blijde hoop hem met bemoedigende glimlach bij de hand greep en telkens heen wees naar een gelukkig verschiet.

En zoo hees van Erck weldra weer lustig de zeilen en voer uit naar Oost en West om door het drijven van koopmanschap zich winst te verwerven. Claes en de oude Arent waren daarbij opnieuw zijn trouwe gezellen.

`t Is nu September 1444 en Zaterdagmiddag. Helderblauw, zonder een enkel wolkje, welft zich de lucht boven Friesche wadden en in het gouden middagzonlicht glinsteren Terschellings blonde duintoppen met witten glans. In`t oosten schemert de hoogen zeedijk langs Frieschlands kust als een blauwgrijze lijn op het geelgroene watervlak. Met korte gangetjes tegen den frisschen noordooster in, de talrijke, smalle vaargeulen tusschen de wadden door oplaveerend, is van Erck met zijn vaartuig tot dicht onder de Terschellinger wal gekomen.

“Me dunkt, we moesten maar strijken. We hebben hier een goeden zee. Over een uur, als de eb begint te loopen, moeten we het toch opgeven.`t Is hier een geschikte plaats om den Zondag over te blijven”.

“Ik denk`t ook, schipper! Kom, Arent! Help mij even een handje om`t anker van de boeg te zetten”.

De beiden knechten gaan naar voren en nadat het anker voor den steven is gebracht, worden de zeilen neergehaald en het kaagschip giert weldra rustig en langzaam op den wind over- en weer.

“Ziezoo”, zegt de schipper, als de zeilen en touwwerk beredderd zijn,” nu maar gauw de boonen te vuur en dan na`t eten een paar uur in de kooi”.

“Beter ding zou je op`t oogenblik niet kunnen bedenken, schipper! Als je zoo den heelen nacht in de weer geweest bent, is een paar uur slapen goud waard”, meent Claes.

“Laat je uitlachen”, roept oude Arent.”Een jongkerel als jij, moet er niks om geven, al slaapt hij een nacht niet”.

“Daar geef ik ook niet om, ouwe baas!`t Moet nog de eerste keer worden, dat ik daar over klaag. Maar`t zou onnatuurlijk wezen, als je dan de volgenden dag een paar uur rusten niet lekker vond. Zoo denk ik erover. En jij schipper?”

“Wel zeker, dat zeg ik ook. Maar die ouwe menschen menen altijd dat ze in hun jonge dagen veel meer konden uitrichten dan`t jonge volk van tegenwoordig. Dat is zoo hun zwak en dat moet je ze maar niet kwalijk nemen. Is`t niet zoo, Arent-baas?”

“Ja, ja, de schipper maakt er malligheid mee. Doch ik zeg dat de menschen in vroeger dagen sterker en geharder waren dan`t tegenwoordig geslacht. Mijn vader heeft wel honderd maal verteld, dat hij in zijn jonge jaren winter en zomer niets anders droeg, dan linnen kleren. Ik denk, dat het jonge volkje van tegenwoordig het hoekje omging van de kou. En zoo is`t met alles. Dingen, die ze vroeger heelemaal niet kenden, kunnen ze nu niet meer missen”.

“Dat spreekt vanzelf. Als we b.v. geen kompas hadden, zouden we vaak verlegen staan. Maar zonder kompas zou de zeevaart ook nooit zoo vooruit gekomen zijn. En zoo is het met vele dingen. Als er nieuwe behoeften ontstaan, dan worden ook meteen de middelen gevonden, waardoor wij er in kunnen voorzien”.

“Juist schipper! En ik zie niet in, waarom wij ons behelpen zouden, als het niet nodig is. Waarom zouden wij kou lijden in linnen kleeren, als er gelegenheid is om zich het lichaam warm te houden door middel van wol? Ik zie zooiets geen achter- maar wel vooruitgang”, zegt Claes.

“Best mogelijk, dat je gelijk hebt”, begint de oude Arent weer,”doch ik denk er`t mijne van”.

“Goed, doe dat. En laten we er dan ook maar niet langer over redekavelen. De boonen zijn gaar en`t spek is uitgebakken. We gaan eten”.

Met deze woorden maakt van Erck een eind aan de beschouwingen over ouden en nieuwe tijd.

Ruim zes jaar geleden werden vanErck en Claes eens uit hun slaap wakker geschrikt,door gestommel en gepraat boven hun hoofden. Het was, toen voor Stavoren`s wal, de Yedammers hun op`t lijf vielen.

Iets dergelijks overkomt hun een paar uur later. Terwijl zij rustig in de kajuit liggen te slapen, komt een groot, sterk bemand en gewapend vaartuig, een Bremer uitlegger, voor de wind over`t wad op hen toeloopen en ankert dicht in de nabijheid.

Een sloep wordt buitenboord gezet en daarin nemen een tiental goed bewapende mannen plaats. Zij roeien naar het Harderwijckerschip en klauteren vlug aan dek.

Daar zij volstrekt niet stil en voorzichtig te werk gaan, worden van Erck en Claes dadelijk wakker. Oude Arent die wat hardhorend is, blijft doorslapen.

Maar de schipper opspringend van zijn kooi, roept luid:”Hei,daar! Gauw Claes! Mee naar boven!”

Door dit geroep wordt de bejaarde man ook wakker en zich oprichtende van zijn stroozak, vraagt hij, nog half in den  dommel: “Wa-wat zeg je?”

Doch hij krijgt geen antwoord. De schipper en Claes zijn door het luik reeds verdwenen en bevinden zich op`t dek.

Daar staan zij tegenover een tiental Bremers, die op hoogen toon den schipper vragen stellen omtrent den herkomst en de bestemming zijner lading.

Van Erck antwoord, dat hij deze, bestaande uit vaten haring, voor rekening van twee Harderwijcker kooplieden te Harderwijck heeft ingeladen en er mee op reis naar een paar havenplaatsen in Ditmarschen, waar hij de goederen bij een paar bekende handelaars moet lossen. De verklaring schijnt de kapers slecht te bevredigen.

“Wie en wat geeft ons zekerheid, dat je de waarheid spreekt?”vagen ze.”Best mogelijk, dat je uit een van de Hollandsche steden komt, of dat Hollandsche kooplui de eigenaars van`t goed zijn. En in dat geval wordt`t schip en lading verbeurd verklaard. Want het is je stellig bekend dat de Regeering van onze stad Bremen den raad van Harderwijck heeft gewaarschuwd er voor te zorgen, dat de schippers geen goed van Hollanders, Zeeuwen of Vlamingen inladen, daar zij anders door ons worden aangehouden”.(1)

“Dat weet ik”, antwoord van Erck,”en als je me niet op mijn woord gelooft, zal ik je het bewijs toonen, dat ik de waarheid gesproken heb. Heb slechts even geduld”.

Dit zeggende gaat hij in het achteronder en komt na eenige oogenblikken terug met een gezegeld stuk. Dit reikt hij den Bremers over.

“Daar”,zegt hij.”Als je dit ingezien hebt, zul je wel overtuigd wezen”.

`t Is een verklaring van den Magistraat van Harderwijck, dat schipper Evertvan Erck voor haar met eede heeft gezworen, dat noch Hollander noch Vlaming aan schip of vracht eenig aandeel heeft.

De brief gaat van hand tot hand. Uit het gemompel, dat de Bremers onder elkaar houden en ook aan de uitdrukking van hun gezichten is duidelijk te merken, dat de inhouding teleurstelling bij hen heeft opgewekt.

‘We hebben het gezien. Ditmaal heb je ons niet beet genomen”, zegt degene, die van Erck het stuk weer teruggeeft.

“Maar een paar jaar geleden wel, toen hebben de Harderwijckers oogluikend toegelaten, dat een groote partij stokvisch, die mij door de Amsterdammers was afhandig gemaakt, binnen hun stad werd gebracht, en aldaar is verkocht. Dat geval zit mij nog altijd dwars in de maag en me dunkt, mannen! Dat we de scha, nu de gelegenheid zoo gunstig is, maar moeten verhalen op dezen Harderwijckers”, roept een der Bremers.

Deze voorslag vindt bij den anderen algemeen bijal. Zonder complimenten beginnen zij de luiken open te maken om bij de lading te komen.

Van Erck en zijn knechts zien het aan en staan in het eerst besluitenloos. Zich met hun drieën verzetten tegen tien kerels, die bovendien goed bewapend zijn, daaraan valt niet te denken. Ze dan maar stil laten begaan en kalmpjes aanzien, dat de lading geplunderd wordt dat gaat toch ook niet.

Claes is de eerste, die een besluit neemt. Hij stapt op de Bremers toe en spreekt beleefd,maar met vastberadenheid in zijn stem:

“Mannen, weest niet onbillijk! Jullie denkt, dat de Harderwijckers met die stokvisch niet gehandeld hebben zooals de leden en bondgenooten van de Hanze betaamde.`t Kan zijn. Ik wil daarover thans niet beslissen, maar ge weet, zoo goed als ik, dat de Regeering van onze stad verleden jaar daarvoor aan Bremen eene schadeloosstelling van 110 Rheinsche guldens heeft betaald”.

“En al was dat niet gebeurd, zou het dan nog niet billijk zijn om onze schipper hier, die nergens part nog deel aan gehad heeft er voor aansprakelijk te stellen? Hij kan toch niet helpen, dat zijn medeburgers iets doen, wat afkeuring verdient? Wij verzoeken jullie dus ernstig van je voornemen af te zien en ons ongemoeid te laten”.

Tevergeefs!-

“Preek voor je kinderen en ouwe wijven! Wou jij ons leeren, wat billijk of onbillijk is? Vooruit, mannen! Gooi open die luiken! En als jullie het hart hebt een vinger uit te steken om het te beletten, bij mijn ziel! Je laatste oogenblik is gekomen!”

Van Erck, Claes en Arent staan machteloos.

In een oogwenk is het luik geopend en zij moeten het aanzien hoe verscheidene vaten haring en menig stuk kostelijk laken aan dek wordt gebracht. Daarna halen de roovers de sloep langszijde en met behulp van een takel worden de zware haringvaten er in neergelaten.

Daar de boot naar hun zin niet genoeg kan laden, wordt besloten twee reizen te doen. Vier mannen worden gecommandeert naar het Bremer schip te roeien, den buit daarin over te laden en vervolgens met den boot terug te komen om een tweede vrachtje te halen.

Zoo blijven nog zes man over, die zich in den tusschentijd onledig houden met overal rond te kijken naar hetgeen van hun gading is.

“Zeg, mannen! De Harderwijcker heeft een beste fok aan`t stag, zeker nog geen twee jar gebruikt. De onze heeft zijn beste dagen gehad. We moesten deze maar nemen.

“Welja, waarom niet?”

Meteen zijn een paar al bezig het genoemde stuk zeil van het stag los te maken.

Van Erck voelt zich als een leeuw, die achter zware tralieën opgesloten, zich niet op zijn tergers kan werpen. En als der dieren koning, die zich dol van woede brullend tegen de zware staven stort en met tanden en klauwen die tracht te verbrijzelen, zoo springt de schipper met schuim op den mond naar de roovers om hem zijn eigendom uit de hebzuchtige roofdierpoten te scheuren.

Onmiddellijk schiet ook Claes toe en als tijgers vliegen beide mannen den gebukt staande Bremers op den rug zoodat dezen lang niet zacht met hun koppen tegen het dek bonzen. Dan nijpen zij hun gespierde vingers om de kelen hunner vijanden, dat de nagels door den huid dringen en het bloed tevoorschijn dringt. Zij houden vast met wanhoopskracht, ook dan nog, als de andere Bremers, hun kameraden te hulp snellend, twee aan twee de doldriftige Harderwijckers van hun slachtoffers pogen los te rukken. Doch één tegen drie! Niemand behoeft te gissen, welke partij tenslotte de baas blijft.

Spoedig zijn van Erck en Claes de onderliggenden en kunnen zij er op rekenen, dat zij op hun beurt niet erg zachtzinnig behandeld zullen worden.

“Wacht, venijnige honden! Dat zul je ons een tweede maal niet weer leveren!”bijten de woedende Bremers hun boosaardig grijnslachend toe.

In een ommezien zijn schipper en knecht stevig gekneveld, zoo stevig, dat de polsen en enkels opzwellen om de stijf aangehaalde koorden en zij moeite doen om niet te schreeuwen van pijn.

“Daar,leelijke taaie bukkings!”zegt een der Bremers,die bijna gewurgd is geweest, terwijl hij beide geboeide een schop geeft, zoodat zij van`t midden der plecht tegen het boord aanrollen,”daar blijf je voor mijn part liggen, tot je dood gaat”.

Al wat los is en de moeite van`t meenemen waard, wordt nu op een hoop gegooid, om het straks  met de sloep weg te voeren.

En nadat op`t dek niets meer aanwezig is, dat hun rooflust opwekt, gaan de woestelingen in het achteronder. Daar zal nog wel het een en ander te halen zijn.

`t Eerste vinden zij er den oude Arent, die, op lijfsbehoud bedacht, zich hier schuil heeft gehouden.

“Hola, ouwe baas! Kom eens uit je hoekje

 En vertel eens gauw waar de schipper zijn geld heeft geborgen. Kom heraus mit der sprache! Je hoeft geen leugentjes te vertellen, hoor!”

De oude knecht, die van zijn beweerde flinkheid van vroeger jaren blijkbaar weinig heeft overgehouden, ziet bleek van angst de ruwe klanten aan en bevend zegt hij:”Gelooft mij, goede luyden! Daar kan ik geen antwoord op geven. De schipper heeft mij nooit verteld, waar hij zijn geld bergt”.

“Praatjes, ouwe heer! Jij zoudt niet weten, waar`t geld was? haal eens een stevig touw van boven. Dan zullen we probeeren of onze vriend niet anders kunnen leren praten”.

“Och, brave mannen! Heb meelij met mijn grauwe haren! Op mijn woord, ik heb de waarheid gesproken. Ik weet van`t geld niets af! Geloof mij toch!”

“Mogelijk heeft den ouden schelm zelf wel een aardig spaarpotje bij zich. Laten we dat maar eerst eens onderzoeken”.

Zonder genade wordt de ouden Arent aangegrepen en terwijl een paar van de kerels hem vasthouden, onderzoeken twee anderen hem aan den lijve.

“Ha! Hier heb ik al iets!”roept de een na enkele oogenblikken. Met geweld rukt hij het koord stuk, waaraan de oude onder zijn kleding een leeren zakje heeft hangen, waarin hij zijn spaatduitjes bewaard.

Thans breekt de arme stakker in tranen uit en luid jammerend smeekt hij, dat men hem dit weinige toch zal laten behouden.`t Helpt niet.

Duivelachtig lachend steekt de onmensch het zakje bij zich en zegt op vroolijken toon tot zijn kameraads:”Dat is alvast een begin, mannen! `t Andere zal wel volgen”.

“En weet je nog niet, waar de schipper zijn geld heeft?”vraagt er een voor de tweede maal aan de huilenden en klagenden Arent.

“Op mijn woord niet, mannen! Maar ach! Geef mij`t mijne terug”.

Houd op met je gejank, ouwe kerel! Komt gezellen, we zullen de schipper zelf wel eens polsen!”

Het troepje verlaat ijlings het achteronder en gaat naar het voordek, waar van Erck en Claes pijnlijk liggen te steunen.

“Zeg, Harderwijcker vischboer! Waar heb je je geld verstopt?” De schipper doet of hij de vraag niet gehoord heeft en verwaardigt de kerels geen blik.

“Kom, vrind! Hou je niet dood. Wij vragen, waar je geld geborgen is?”

Weer blijft van Erck zwijgen.

De anderen worden ongeduldig.

“Pakt hem aan, mannen! Mogelijk heeft hij het onder zijn kleeren verborgen, zooals zijn ouwe grijskop van een knecht”, roept er een, en terstond zijn de anderen bezig, met niet alleen bij van Erck maar ook bij Claes, naar geld te zoeken. Zij vinden echter niemandal.

“Spreek, kerel! Waar heb je`t geld verborgen?”bulderen zij den schipper toe. Maar deze geeft geen kik.

“Kun je geluid geven, of anders sla ik den stijven kop te pletter!”schreeuwt driftig een der roovers.

“Wacht maar even”, zegt een andere.”Ik weet wel een beter middel om hem aan`t praten te krijgen”.

Hij verwijdert zich en komt eventjes later met een paar handen vol zout, die hij uit het ruim heeft gehaald. Op zijn verzoek komt een derde spoedig aandragen met een bierpot, gedeeltelijk met water gevuld.`t Zout wordt er bij gevoegd.

“Hier Hasse en Bent! Jullie zorgen er voor, dat de schipper zich niet verroeren kan en Vickie en Jungel kwijten zich op dezelfde manier bij den knecht”.

Terwijl de beklagenswaardige Harderwijckers nu door het genoemde viertal, zoodanig tegen het dek gedrukt worden, knijpt de vijfde Bremer op aanwijzing van dengene, die den pot met pekelwater in de hand houdt, hun achtereenvolgens de neus dicht, zoodat zij eindelijk uit gebrek aan lucht, den mond moeten openen. Dan werpt den andere hun eensklaps een hoeveelheid van het verzadigde zoutoplossing in de keel(2). Doodsbenauwd hoesten en spuwen de ongelukkigen brullend het sterke, prikkelende mengsel stuiptrekkend uit.

“Ha-ha! Nu hebben we jullie lieve stemmetjes toch gehoord”, roept de pekelgieter en schaterend spotgelag van de anderen volgt op zijn woorden.

“Beulen, gauwdieven!”

Buiten zichzelve, vol van afschuw en haat, stooten de mishandelden deze woorden uit. Doch de onverlaten lachen er om.

“We zullen de verborgen schat wel vinden!”grijnzen zij.

Weer keeren ze naar de kajuit terug en zonder nog op den nog immer huilenden en mokkende Arent acht te slaan, beginnen zij de sterkte van de kastdeurtjes met hun strijdbijlen te onderzoeken.

Krakend en splinterend bezwijkt het eikenhout onder de forsche slagen en het eene kastje na het andere kastje wordt onderzocht. Ten laatste vinden zij een gesloten, ijzeren geldkistje.

Aan het rammelend geluid hooren zij, dat er specie in is. Een wild geluid gaat op.

“Het geld van den stokvisch, Bent! Het geld van den stokvisch hebben we terug!”

“Hoera voor Bremen! Zij leven hoog, onze stad van Bremen! Wee, die haar durft krenken!”

`t Is een woest tooneel.

Een geroep aan`t dek maakt aan`t rumoer een einde.

De boot is teruggekeerd, ijlings stormt het zestal naar boven, het geldkistje ongeopend meenemend.

Kort daarop hijschen de Bremers de zeilen en met gevierde schoten zetten zij in westelijke richting koers naar het Vlie, om door dit vaarwater de Noordzee weer te bereiken. De berooide schippers ellendig achterlatende.

XXXXXXXXXX

Verklaring der diverse woorden

 

  1. De Duitsche Hanzesteden verkeerden toenmaals in openlijke vijandschap met Holland, Zeeland en Vlaanderen.

2.  Zuiver Historisch.

Dit bericht was geplaatst in Claes van Ermel.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *