Hoofdstuk 11 (1/2)Van stranden en verdrinken

Hoofdstuk 11 (1/2)

Van stranden en verdrinken.

Het in`t vorige hoofdstuk meegedeelde, gevoegd bij een gelijksoortig geval, waarbij”die van Bremen met hunne Buysen een Harderwijcker bij de Oost-Eems hadden aangeranst ende daerna nog twee maelen denselven meel. Hamburger bier en andere waaren afhandigh gemaeckt”, gaf weer aanleiding tot veel “geschrijf en gewrijf”tusschen de Regeeringen van beide genoemde steden. Laten we onze geschiedschrijver in korte woorden het verloop der zaak doen verhalen.

“Die van Bremen eerst op`t ernstig beklagh van onsen Raad weinig acht en geen bescheit  gevende behielpen zich met dese en gene uyt vlugten; dan sig op hare ongelegentheid der betighte gesellen en schippers, door wien sij sich alvorens van de geschapentheid der saacke moesten laeten onderrigten, beroepende en tegelijk te kennen gevende, sij van`t gepleegde geen aanmaning of verantwoording wilden hebben of doen, dat mede de Harderwijckers daar op betrapt waren, dat sij twee Hollanders, hunne vijanden, op haar bodem hadden ingenomen.

Deze onmin nog een tijdlang duyrende, heeft Vorst Arnold die van Bremen in ernstige gemoede gewaarschuywt sig gevoeglijck aan te stellen, opdat men geen verder verhael op hun mogt soecken, waarop die van Bremen schriftelijk antwoordden, dat sy, met hunne afwesende maats spraack gehouden hebbende, volkomen geneygt waren alles te doen tot genoegen van`s Vorst onderdaenen sonder denselven yts ondescheidelijke te ontholden. Welcken volgende dat disquit geslist en in der minne bijgeleit is geworden”.

Zonder twijfel heeft dus van Erck of in`t geheel niet of slechts zeer onvoldoende schadevergoeding ontvangen. Maar zulke dingen stond in die dagen den schipper en koopman elk oogenblik te wachten. En dit in aanmerking nemende, zien wij bewonderend op tegen de wakkere burgers die eenvoudige luyden, die met een geestkracht en volharding, die eerbied afdwingen, bleven kampen en worstelen zonder te versagen, die met den bijl in den vuist den weg baanden, waarlangs het nageslacht tot rijkdom en aanzien zou komen.

Vergeten zijn hun daden, slechts van heel enkelen heeft de kroniekschrijver de namen opgeteekend…..toch hebben zij meer gedaan voor het wasdom en den opbloei der grooten menschen maatschappij, dan een aantal potentaatjes en potentaten uit vroegeren en lateren tijd, die door hun zoogenaamde”schitterende krijgsbedrijven”de oogen voor de groote menigte hebben blind geschreven.

Na een vijftal jaren, in welken tijd Claes van Ermel een maal of drie van schipper wisselde, vinden wij hem in dienst bij Seger Woltersen, die als schipper en koopman geregeld reizen doet naar Stavoren, Workum, Harlingen en ook handelsbetrekkingen heeft in de Duitsche Hanzesteden Bremen, Hamburg en Lubeck. Hij is een zoon van de in`t begin van ons verhaal genoemde Wolter Seegersen, die met den handel een aardig fortuintje had overwonnen. Van zijn vier zoons, voelde alleen Seeger zich tot den handel aangetrokken, de andere drie dreven koopmanschap over land met Arnhem,Deventer, Zutphen, Tiel, Nijmegen, Doetinchem, Emmerik, Wesel en keulen.

Buiten hetgeen Segelt Seger later uit den nalatenschap zijns vader te wachten had, was hij bij zijn huwelijk, drie jaar geleden aangegaan met Neele Claesdochter, in het bezit gekomen van een mooi kapitaaltje,waarmee hij de zaken op een flinken voet kon bedrijven.

`t Is een ferme kerel, die Seger,verstandig, ondernemend en eerlijk als koopman, vastberaden, kalm en stout als schipper. Ofschoon maar een jaar of vier ouder dan Claes, ziet deze om zijn flinkheid en uitgebreide kennis van`t vak, hoog tegen hem op bezit hij voor zichzelf de overtuiging,dat hij van dezen man veel zal kunnen leren. En omgekeerd staat Claes om zijn degelijk karakter, zijn werkzaamheid, het trouw opkomen voor de belangen van zijn patroon, bij den schipper goed aangeschreven.

`t Is het laatst van November. Woltersen is voor dit jaar op zijn laatste reis van Hamburg naar Harderwijck.

`t Is al weer enkele dagen buiig en stormachtig geweest, zoodat de schipper genoodzaakt is geweest,eerst een paar dagen onder Borkum een schuilplaats te zoeken en vervolgens heeft hij nog drie dagen in de nabijheid van Ameland op`t wad ten anker moeten liggen. Nadat gisternachtde wind uitschoot naar`t noord-westen en met het aanbreken van den dag de lucht werd schoongeveegd, werden de zeilen weer geheschen en met een harde rifskoelte liep de kogge de waddeb af en het werd er tegen donker worden geankerd tusschen Hindeloopen en Staveren, omdat het toen stil werd en de wind weer inkromp binnen`t westen.

Vanmorgen werd er weer vroegtijdig zeil gemaakt, maar daar de wind in de nacht heelemaal teruggeloopen was naar `t zuiden,kreeg men die recht van voren en duurde het verschillende uuren, eer men de engte tusschen Staveren en Enkhuizen was doorgelaveerd en dat temeer, omdat er een zware ebbe ging. En nu, tegen de middag, terwijl Woltersen om den meer en meer naar`t zuid- oosten opkruipende wind gedurig lager moet houden, zoodat hij tenslotte inplaats van naar Urk, maar weinig boven den Frieschen wal kan gaan liggen,begint de lucht weer erg proesterig te staan en wakkert de koelte van lieverlede.

“We krijgen vast onklaar weer. De lucht wordt dik en`t begint er al knapjes aan te trekken. Me dunkt, dat jullie maar een rif in`t zeil moest steken, Claes!”

“Goed schipper! De klamp ligt vast genoeg, die kan`t wel dragen, maar we zouden zoo ongemerkt het tuig overboord kunnen krijgen. Want het gaat er weer lustig aan`t blazen”.

“Daarom, roept Coert en Derck maar even van beneden, dan kun je `t dadelijk doen. Als`t straks harder gaat waaien, heb je er meer werk mee”.

Met hun drieën hebben de knechts het rif spoedig gelegd en de diepliggende kogge stampt nog een poos zoo door, tot de schipper zegt: “We zullen het over de andere boeg gooien, dat we wat in de ruimte komen, want bij boos weer moet je niet zoo dicht op de lagerwal zitten”.

Het roer wordt aan lij gebracht, langzaam en steunend werkt de breede boeg zich tegen de wind en golven in, het buiswater vliegt den knechts, die aan den schoot staan om deze los te gooien of door te halen, in wolken om de ooren. Daar valt de wind van de andere kant in, de golvende, klapperende zeilen staan eenklaps weer gevuld en koersende om den zuid, ligt het vaartuig ongeveer op Urk aan.

Ondertusschen begint het te regenen, een flinke kille motregen, die spoedig naar alle kanten het uitzicht belemmert, zoodat van den Friesche wal, die toch al tamelijk dichtbij is, weldra niets meer et zien valt. En de kracht van den wind groeit steeds aan. Wild stormen de vlagen onder fluitend gieren door het tuig, dat kraakt en piept en steunt met onheilspellende geluiden.

Het schuim,dat opwaait van de bruischende golfkruinen, vermengd met den regen, stuift als een dichte nevel voort. Gedurig steekt de kogge den forschen kop diep in zee. Dan stort een ziedende watermassa zich klaterend uit over het dek, stroomt spattend en klotsend de gangboorden door naar achteren, om tenslotte door de spuigaten heen, weer te verdwijnen.

De schipper en Claes houden met hun beiden het roer en hebben daaraan knapjes de handen vol. Coert en Derck, neergehurkt op`t dek tegen `t loeverboord, waar af en toe een stortbad over hun glimmende oliepakken wordt uitgestort, houden geregeld het oog op zeil en touwwerk, om, als het een en ander mocht breken, terstond bij de hand te zijn. Gesproken wordt er weinig of niet. De twee aan `t roer moeten zich teveel inspannen om dit meester te blijven en de anderen houden zich te veel bezig met de inwendige vraag; hoe`t gaan zal.

Claes van Ermel 2

Langer dan een uur worstelt de kogge zoo tegen de storm in, dan begint plotseling de zee sneller(1) te loopen, hoewel de wind niets van zijn kracht heeft verloren.

“Ik houdt het er voor, schipper! Dat we Urk voor ons krijgen”, merkt Claes op.

“Dat kan wel, maar als ik zie, hoe we aanleggen, zou ik eerder gelooven, dat we achter den Stoodt(2) raken. Tast eens uit, jongens!”

Coert en Derck springen tegelijk overeind en de eerste neemt de plechtgard(3) , waarmee hij de diepte van`t water onderzoekt.

“Een voet of tien!”, roept hij.

“Wat voor grond?”, vraagt de schipper.

“Een beetje week en daaronder hard!”

“We zullen het nog een eindje laten loopen”.

Na ongeveer vijf minuten gelast Woltersen opnieuw uit te steken.

“Acht voet!”zegt Coert,”en hard als steen”.

“Naar voren dan! We zullen de wind houden, om te strijken”.

Zoodra de beide knechts op`t voordek bij de zeilen klaar staan, wordt het roer met kracht naar stuurboord gedrukt en het vaartuig loeft snel op, zoodat de zeilen blind vallen(4).

In`t zelfde oogenblik worden ze neergehaald, waarna het voor den boeg gereedhangende anker ijlings in zee wordt neergelaten en de kabel een dertig vaam wordt gevierd.

“Nou, jongens! Hier hebben we, Goddank, een goede zee, tenminste zoolang de wind binnen`t westen blijft”.

“Ik ben blij, dat we weer achter`t anker liggen. Ik dacht zoo nu en dan, meteen waait het heele spulletje nog buitenboord”, zegt Claes.

“Ja, met een oud spulletje hoef je zooiets niet te proberen, dan waaien al gauw de stukken je om de ooren.Maar gelukkig levert onze zeilmaker goed doek en de touwslager stevige eindjes, waar je het in gevallen als vandaag op aan kunt laten komen. Hei Derck, vier de boot een eindje. Dan rukt hij niet zoo!”

“Jawel schipper”.

Seger Woltersen, staat een poos zwijgend op de grauwe, spookachtig voortijlende wolken te staren.

“Wat denk je er van, schipper?”vraagt Claes.

“`k heb er niet veel hoop op”.

“Ik ook niet, schipper! Vanmorgen vuurde de waterketel zoo. Dat is tegen de wind”.(5)

“Dat wordt tenminste gezegd. Geloof jij er veel van?”

“Ik weet niet wat ik daarop antwoorden moet. Oude visschers en schippers zweren er bij en daarom zou ik haast zeggen:`t zal wel zoo wezen. Maar anders……”.

Wordt vervolgd

Verklaring der diverse woorden

  1. Minder hoog
  2. Smalle zandbank, die ten noord-oosten van Urk, een eind in de zee voortloopt.
  3. In voeten verdeelde peilstok.
  4. De zeilen vallen blind, als de wind er van weerskanten langs waait.
  5. Als het roet,dat onder aan een pot of ketel zit, bij het van`t vuur nemen nog een tijdje blijft doorgloeien, is er winderig weer op til, zoo wordt beweerd.
Dit bericht was geplaatst in Claes van Ermel.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *