Hoofdstuk 11 (2/2)

Vervolg.

 

“In elk geval is`t vandaag goed uitgekoomen. En dat zal wel eens meer`t geval geweest zijn.`t Is maar de vraag,of de ketel het niet veel vaker mis gehad heeft”.

“Zoo heb ik er eigenlijk ook over gedacht, schipper”.

“En nu, mannen! Naar beneden. We kunnen hier vooreerst niemandal meer uitvoeren en ik vind het niks lekker om nog langer in wind en regen te blijven staan. Een kan warmbier zal best smaken”.

“Dat zal waar zijn, schipper”.

“Ik lust er best een paar sneden tarwebrood met een plak Hannoversche ham bij. En jullie, jongens?”

“Nou schipper! Dat zou een zieke jager haast lusten. En dan drie zulke gezonde pruimers als wij”, zegt lachend de dikke Derck.

Schippers en knechts laten zich zakken en halen het luik boven zich dicht. De rookwolken, die weldra uit de schoorsteenkoomen, bewijzen, dat beneden het vuur flink wordt opgestookt. Nu kunnen we ons zoo voorstellen,hoe lekker en behaaglijk zij zich gevoelen bij de koesterende vlammen van de beukenblokken, uit de Elspeeter- en Putterbosschen afkomstig, nadat zij uren achtereen in den guuren wind en ijzigen regen hebben doorgebracht.

In den voornacht schiet bij`t breken van de lucht, de wind naar`t zuid- westen uiten gaat over in een vliegende storm.

Claes, die met Coert de wacht is blijven houden, terwijl de schipper en Derck sliepen, maakt ze wakker en zegt:”`t Is stroovend weer, schipper!”(6) Het tweede anker zal er wel vóór moeten.

Oogenblikkelijk springt Woltersen de kooi uit en kleed zich haastig in het oliepak. Derck eveneens. Claes en Coert gaan vast naar voren om den tweedenkabel aan dek te halen.

`t Is inderdaad verschrikkelijk weer.

De storm loeit en buldert met oorverdovend geweld en het brullend geraas der voortgezwiepte golven schijnt daarmeede in hevigheid te wedijveren.

Schuim en waterdroppels worden als door reuzenbezems van de witte kuiven geveegd en stuiven als meel in ijle wolken voort.

De geladen kogge, te zwaar en log om de snelle stormpas der wild hollende golven al rijzend en dalend bij te houden, verdwijnt gedurig geheel onder de zeeën, zoodat het viertal, op`t voordek bezig met het klaarmaken van`t anker, telkens tot halfweg de knieën in`t water komt te staan.

Als ze eindelijk met hun arbeid gereed zijn, gaan ze weer naar`t achterschip terug, maar blijven aan`t dek, omdat er bij zulk noodweer elk oogenblik iets gebeuren kan, dat noodlottigen gevolgen zou kunnen hebben.

Een paar uur misschien, maar die onder deze omstandigheden wel dubbel zoo lang lijken, zullen zij daar bijeen geweest zijn,als Claes opeens doodelijk ontsteld uitroept,”Een schip!…vlak voor den boeg! O God! Nu zijn we verloren!”

“Verloren!”echo-en de anderen hem na en ze staroogen vooruit, met doodsangst op`t gezicht, naar een groot, zwart, wild heen en weer slingerend gevaarte, dat snel nadert.

Hoort, daar klinken noodkreten, af en toe opsteigerend boven`t ijselijk rumoer van den elementenstrijd. Versteend van schrik hoort de bemanning der kogge`t aan. Dicht tegen elkaar gedrongen, de een steun zoekend bij den ander, verwachten zij sprakeloos het aller verschrikkelijkste.

Daar komt het…..

Een hooge golf neemt het ontredderde vaartuig op en smakt het met niet te weerstane kracht tegen de gespannen kabel van`t bakboords anker der kogge.

“Pang!” De dikke strengen knappen af als zijden draden,het afgebroken eind zwiept suizend door de lucht.

Door de schok trillen de dekplaten onder de voeten der opvarenden. Onwillekeurig grijpt den een den ander vast. Hartverscheurende angstkreten aan boord van het andere schip, klinken hun in`t oor.Zoo aanstonds zal dit tegen den boeg der kogge worden geslingerd.

En dan….

Zij sluiten de oogen, zij durven`t niet aanzien. Daar gooit een tweede golf het vaartuig naar links, een derde pakt het achterschip en werpt het met een zwaai tegen den stuurboordskabel.

“Pang!”- Rakelings schiet het schip voor den steven van den kogge over.

“Goddank,`t loopt vrij!”Uit vier monden tegelijk ontsnapt deze ontboezeming.

Dekogge, nu los van haar ankers, zwaait onmiddellijk met den kop voor de zee af.

“Naar voren, jongens! Haalt een klein stukje zeil bij! Claes blijf jij hier bij mij aan`t roer. We moeten het nu in Godsnaam met bijleggen(7) proberen”.

Bij den woedenden storm kost het heel wat inspanning, om het zeil een eindje omhoog te krijgen.`t Kan ook niet ver, want dan zou of de mast moeten breken, of het schip zou omslaan.

Met een zoo stijf mogelijk doorgehaalden schoot en dicht bij den wind en op zee liggend, zakt de kogge weinig achteruit,zoo weinig dat er uuren kunnen verloopen, eer zij last zal krijgen van den lagerwal. Licht, dat voor die tijd de storm uitgeraasd zal zijn. Daarop althans bouwt Woltersen zijn hoop.

Van het andere schip is al geen spoor meer te ondekken. Storm en golven drijven het met een vaart voor zich uit. Stellig zijn roer en zeilen in`t ongerede geraakt, zoodat de bemanning niets kan doen en elke poging heeft moeten opgeven.

Een uur of drie gaat het zoo aardig goed. Wel begint het schip, doordat het bij`t afdrijven gestadig meer water onder de kiel komt, al zwaarder en zwaarder te werken en zijn drie man soms nauwelijks in staat om het roer te houden.

Overigens houdt de kogge zich uitstekend, van lekkage of ander averij is niets te bespeuren. En de lange nacht krimpt al mooi in. Wellicht dat er tegen`t aanbreken van den dag verandering komt.

Zoo denkt de bemanning en in dien geest wisselen zij nu en dan enkele woorden.

Doch opeens, terwijl een nieuwe bui, vergezeld van buitengewoon heftige rukvlagen, komt opzetten, daar bezwijkt het stuk zeildoek, er ontstaat een groote scheur, klapperend rafelt het weefsel los en heele flarden vliegen alras de lucht in.

Het vaartuig, nu de steun van`t zeil missend, is niet te besturen, het wordt een speelbal der golven, die het op haar bruischende kruinen in noord- oostelijke richting meesleuren. Bleek van ontsteltenis, hebben schipper en knechts het ongeval aangezien.

“Nu zijn we machteloos. Geen ankers, geen zeil, we moeten het opgeven en afwachten, waarheen Gods hand ons brengen zal!” zegt Woltersen.

Met vereende krachten krijgen zij het schip met den kop van de zee af en nu gaat het onder hevig slingeren met gang op lagerwal toe.

Gedurig breken hooge stortzeeën van achteren over het schip en zetten dan het gansche dek onder water, zoodat het schijnt, alsof de kogge opeens in de diepte wegzinkt. Maar even later duikt ze weer uit den berg van schuim langzaam op, nieuwe golven beuren het logge gevaarte op haar sterke ruggen, rennen er een eindweegs mee voort en laten het dan, moe van de zware last weer in d diepte glijden. En zoo gaat het maar door.

De bemanning heeft bijwijlen genoeg te doen omzich aan boord en touwwerk vast te klampen en te zorgen, dat zij met den overrollende zeeën niet meegesleurd wordt.

Naar gissing zal het ongeveer vier uur in den morgen zijn, als Claes roept:”Land vooruit!”

“Ja, land vooruit!”herhaald de schipper,”en zijn we er vlak tegen! Denk er om jongens! Houdt je goed vast. Als`t schip met den kop tegen den grond loopt….Past op, daar heb je`t……”

Krampachtig klampen de mannen zich vast, op`t ergste voorbereid.

Dan gelukkig,`t loopt mee. Eerst een zware schok, dan een schuren over den blijkbaar weken bodem, vervolgens bij elken aanrollende golf nieuwe schokken en herhaald langzaam voortschuren, tot eindelijk de gang er heelemaal uit is en`t schip met zijn voorste helft onbeweeglijk vastzit.

“Ik vrees, dat nu het ergste nog aan komt. Zooals ik meen te onderscheiden, zitten we een goeie honderd meter vaam van den eigenlijke wal of dijk. Als`t weer niet opknapt, is er een kans, dat de heele schuit uit elkaar gebeukt wordt en dan zijn we nog verloren”.

“We moeten er het beste maar van hoopen, schipper!”

Verbazend, wat gaat de zee tekeer! De golven springen als wolven binnen boord.”We zullen het op dek onmogelijk kunnen uithouden, schipper”.

“Ik ben er ook bang voor. Als`t water wat wast, wordt hier beneden alles weggeslagen. Daar is geen twijfel aan”.

“Als we eens onze toevlucht zochten in de mast?”

“Ik denk, dat we`t in de boot langer zullen uithouden”.

“Dat geloof ik ook, schipper! Maar hoe komen we op het achterdek, om de touwen los te maken?”

“Nou, dat is een heel waagstuk, want de zeeën rollen vierkant over boord”.

“We moeten het toch proberen. En hoe eer hoe beter. Als`t schip zich in de bodem werkt, is er in`t geheel geen denken meer aan”, zegt Claes.

“`t Is zoo”, antwoord Woltersen.

“Weet je wat we doen moeten, Claes? We nemen ieder een stevig eind touw, dat met het eene eind aan de mast vastzetten, terwijl we het andere eind om ons middel binden. En dan zullen we probeeren om ieder aan een kant door het gangboord naar achteren te komen. Als het lukt, steken we de twee einden op de boottrossen(8) en dan kan de sloep zooveel gevierd worden, dat ze vóór den boeg in de luwte komt te liggen”.

“Vooruit maar, schipper! Ik ga mee. We moeten het wagen”, zegt Claes.

Hand voor hand zich vast grijpend aan elke haak en kram, elk oogenblik tot aan de heupen in`t water, gaan de twee mannen met vastberadenheid voort en komen op het achterdek,waar de boottrossen aan stuur- en bakboord om de bolders zijn vastgelegd. Met de linkerhand zich stevig vasthoudende, maakt Claes met den rechter het touw van zijn middel los en is juist voornemens, dit aan de boottros te verbinden, als een geweldige stortzee bulderend komt aansteigeren, plots als een waterval naar beneden stort en hem plat tegen het dek werpt. Onwillekeurig sluit hij de oogen, maar met ijzeren greep houdt hij het touw omklemd, zet de tanden stijf op elkaar en klaterend, klotsend en borrelend rolt de watermassa hem over`t hoofd.

Dan springt hij ijlings overeind,opent de oogen en zoekt de plek, waar hij zooeven de schipper nog heeft gezien.

“Groote God, wees hem genadig!”krijt hij.

“Derck, help! De schipper is overboord geslagen!”

En zonder te weten, wat hij eigenlijk doen zal, schreeuwt Claes uit alle macht:”Schipper!- schipper!”

De zee en de storm zingen hun lied, overstemmend door kracht van geluid zijn angstroep…Seger Woltersen is weg, op het groote kerkhof is het aantal graven weer met een vermeerdert.

Als zinloos staat Claes te roepen en tuurt dan telkens met inspanning over de huilende waterheuvelen, maar van de schipper geen spoor.

“Kom hier heen, Claes. Om Godswil, kom hier heen. Aanstonds wordt je zelf van`tdek geslagen!”schreeuwt Derck hem toe.

De stem van zijn kameraad brengt hem weer tot bezinning. Hij knoopt het losgemaakte touw opnieuw om zijn middel en bereikt gelukkig de mast, waarachter Derck en Coert eenige beschutting hebben gezocht tegen het geweld der elementen.

“We moeten naar boven! Mogelijk houden we het in den mast enkele uuren uit”, zegt Claes hijgend.

De zeilvallen worden aan een stuk plank bevestigd, schrijlings neemt het drietal er op plaats,waarna zij zich ophijschen tot eenige voeten boven het dek.

“God geve, dat we niet van ellende en kou omkomen, voor we gered worden!”zucht Derck.

“Daarom zullen we bidden en dan…..moed houden. Zoolang er leven is, is er hoop”, zegt Claes.

XXXXXXXXXX

Verklaring der diverse woorden:

   

 

6.  Stroovend komt mogelijk van het Duitsche stäuben = ( de haren ) ten berge te doen rijzen, in elk geval beteekend het: verschrikkelijk stormweer.      

     7.   Bijleggen is onder zeil het schip met den kop dicht op den zee houden, zoodat men ongeveer op dezelfde hoogte blijft.

     8.  Touw waarmee de boot aan`t schip bevestigd is.

Dit bericht was geplaatst in Claes van Ermel.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *