Hoofdstuk 12(1/2) Bij “Rooie Sicco”.

 

 

Hoofdstuk 12 (1/2)

Bij  ”Rooie Sicco”.

 

Ongeveer halverwege Kuinre en Blokzijl, op een plek, waar toendertijd buiten de zeedijk een flink stuk grasland zich uitstrekte, stond op het hoogste gedeelte daarvan, dicht bij den dijk een kleine woning,aan de noord- en de westzijde beschut door eenige oude knoestige vlierbesstruiken. Aan de zuidkant, een honderdtal schreden in die richting, drong een ondiepe, door lang riet en dito biezen omzoomde kreek vanaf den zeekant in het land op en vormde een veilige en natuurlijke haven voor een kleine, tamelijk wrakke visschersboot.

Deze en de woning, die feitelijk uit hoofde van haar geringen omvang en de reddeloozen toestand waarin zij verkeerde, geen betere naam dan die van hun hut verdiende, waren het eigendom van “Rooie Sicco”, van beroep visscher en strandjutter.

De bijvoeging “Rooie”voor zijn naam, dankte Sicco aan zijn Rossigen haardos en dito stoppelbaard.

Hij bewoonde de hut met zijn zoon Douwe en zijn dochter Geerte. Zonderlinge geruchten warener omtrent Sicco in omloop. Zóó zonderling, dat ieder hem links liet liggen en zooveel mogelijk uit zijn nabijheid bleef.

Men fluisterde elkaar in’t oor, dat visscherbedrijf voor hem eigenlijk maar bijzaak was, dat hij zich alleen voor den vorm er mee bezig hield. Hij stond, zei men, in nauwe betrekking met de beruchtste zeeschuimers en struikrovers uit die dagen, voor wie hij als speurder en verkenner werkzaam was. En als hij zijn kans schoon zag, was hij er volstrekt niet afkerig van, om zelf op roof en plundering uit te gaan.

Zelfs deed het verhaal de rond, dat hij er meer dan eenmaal bij donkere nachten, door het ontsteken van een valsch vuur, de zeelui uit koers had gebracht, en dan later, na de stranding op een ondiepte, zijn slag had geslagen, door van de uitgespoelde lading en de losse inventaris te stelen,wat hij kon.

Wat van deze verhalen waar en niet waar was, zou stellig niet uit te maken zijn en wij zullen ons niet met het onderzoek daarvan ophouden.

Liever verbeelden wij ons met het aanbreken van den dag, volgende op den verschrikkelijken stormnacht, ons aan de zeekant, in de nabijheid van Sicco’s hut te bevinden. Nog gieren de windvlagen ons om de ooren, hoewel de storm de laatste twee uuren mooi aan’t afnemen is.

Met driftige gejaagde bewegingen zwerven twee donkere gedaanten het zeestrand langs, met valkenoogen elken inham, elke uitstekende landpunt nauwkeurig onderzoekende. Nu en dan tot de knieën door het water plassende, laen ze geen enkele rietkraag, geen enkel biezenboschje onderzocht.

Daar blijft de voorschte eensklaps stilstaan, brengt de handen als een roeper voor den mond en schreeuwt den ander toe:”Hierheen vader!”

De aangeroepene vangt het geluid op en oogenblikkelijk zet hij er gang in, om gauw bij zijn metgezel te zijn.

“Wat heb je?”vraagt hij al van verre.

“Een hele partij planken!”roept de andere terug.

Met groote sprongen ijlt Sicco- want hij is het- naar zijn zoon toe.

Zijn oogen schitteren in het vale schemerlicht van opgewekten,inwendigen hartstocht.

“Bij alle heiligen! Dat is een buitenkansje! Zegt hij bevend van begeerte naar den buit, die daar tusschen riet, wier en zeeschuim neergesmeten ligt.

“Als de weerga de boot gehaald en het vrachtje in veiligheid gebracht, éér het klaar dag is en de strandvonder er zijn lange vingers naar uitsteekt!”

“Zouden we liever niet eerst kijken of verderop nog meer aangespoeld is?”vraagt Douwe.

“Je bent een sufferd, Douwe! Vooruit, zeg ik! Als de drommel naar de boot!

Douwe maakt geen verdere tegenwerpingen meer, want hij weet wel, dat dit toch niets zou geven. Hij volgt zijn vader, die af en toe op een drafje door het drassige, doorweekte grasland voorthompelt, dat de kleisputters hem om de ooren vliegen.

Spoedig is de boot, die rustig achter een dicht rietbosch in de kreek te wiegelen ligt, bereikt. Rooie Sicco springt er in, grijpt het hoosvat en met een haast alsof zijn leven er vanaf hangt, begint hij de hoeveelheid regenwater, die er in de afgeloopen nacht ingevallen is, uit de oude kraak te scheppen.

Ondertusschen heeft Douwe het touw losgemaakt en door dezelfde drift aangegrepen als zijn vader, grijpt hij den haak en duwt met een kracht en behendigheid, die van dagelijksche oefeningen getuigen, het vaartuigje tusschen de riet- en biezenpollen door, zeewaartsch.

“Al klaar!”roept zijn vader na een poos.

“Dat zal een half uur hard werken zijn, jongen! Er waait nog een dikke bries daar buiten en we hebben hem recht op den kop”.

Douwe zegt daar niets op. Hij gunt zich geen tijd om te praten. De andere neemt de twee paar riemen, die onder in de boot liggen, één voor één op en hangt ze in de dollen (1).

De bosschen riet en biezen wijken gaandeweg verder uiteen,de kreek wordt wijder, naarmate men verder naar zee komt. Reeds wordt de deining, die den mond binnen loopt, voelbaar.

Zoodra de breedte van het water het uitslaan der riemen toestaat, bergt Douwe den haak binnenboord en de twee mannen tijgen aan’t roeien. Nu zijn zij spoedig buiten de wal en gaat het hard om hard. Bonzend bonken de schuimkoppen der golven tegen den boeg der boot op, als hadden ze het er op gezet,haar terug te drijven.

Maar Sicco en zijn zoon hebben gestaalde spieren, die van geen vermoeidheid of van opgeven weten. Wel klinkt er af en toe een verwensching of een vloek tuschen de opeen geklemde lippen, wanneer de hooge zee (2) tegen de boot oploopt, zoodat deze een oogenblik stil ligt en bonken water zich over de roeiers uitstorten.

Ruw, woest en ontembaar als het element, waartegen zij dagelijks den strijd aanbinden, prikkelt de grootste tegenstand hen tot het heftigste verzet en zoude zij het van verkropte woede uitschreien, als zij zich moesten gewonnen geven. En eer’t zoover komt, zou er heel wat meer”Asem”moeten zijn en heel wat zwaarder zeegang moeten loopen dan nu’t geval is.

Druipend van’t zeewater landen ze eindelijk op den plek, waar ’t aangespoelde hout ligt.

Met behulp van een paar lange lijnen worden de planken tot een soort vlot aaneen gesjord en dit achter aan de boot bevestigd.

“Ziezoo, nu’t mastje overeind gezet, een stuk zeil geheschen en dan gaan we voor’t lapje (3) naar onze opslagplaats”, zegt vader Sicco met een vergenoegd gezicht.

“We zullen vandaag nog wel meer te doen krijgen, denk je ook niet vader?”zegt Douwe.

“Hoe meer hoe beter! Zoo raken we voor een kouden winter geborgen”,antwoord grinnekend van inwendig genoegen, de oude strandjutter.

Zee en wind zijn thans hun trouwe bondgenooten. Met een mooie vaart drijven zij den boot, ondanks de vracht die deze te slepen heeft, naar de plaats van bestemming. Dit is een tweede, afgelegen inham, buiten Rooie Sicco en zijn zoon aan niemand bekend, want hij wordt door een moerassigen, bijna altijd onder water staande strook van het overige land gescheiden,terwijl struikgewas, riet en biezen hem voor ’t oog verborgen houden. Maar Sicco weet hem in de donkere nacht wel te vinden, hoeveel te meer dan op dit oogenblik, nu de komende dag zich meer en meer losmaakt uit de grauwe schemering. Hij staat achter in de boot bij ’t roer en fluit opgewekt een oud schippersdeuntje. Douwe heeft zich te loever bij de mast neer gezet. Zijn spiedende oogen in alle richtingen, of ook ergens nieuwe buit te ontdekken valt.

Eensklaps springt hij overeind als een strijdros dat den kruitdamp riekt.

“’k Laat me villen, als ginder tegen den Vlakken Plaat geen schip in de grond zit!”roept hij. En een glimp van vast geen engelenvreugd ontsiert zijn mannelijk,niet onknap gelaat.

Thans richten zich twee paar oogen op het aangeduide punt, waar in de schemering zich een vormloos, donker iets tegen de grijze lucht vaag afteekend.

“Bij Sint Olof! Je hebt gelijk!”roept Sicco, met een trilling van genot in zijn rauwe stem.

“Dat voorspelt goeie dagen, Douwe! We moeten er straks dadelijk op af”.

“Zoo’n buitenkansje hebben we in lang niet gehad, vader! Als die van Blankenham ons maar niet voor zijn”.

“En al was dat zoo,dan zouden we ons toch niet het kaas van ’t brood laten eten. Je hebt immers een paar Friesche knuisten aan je lijf en een Friesche kop op je schouders? Ik wel, hoor! En al zijn die vuisten niet meer zoo sterk als voor vijfentwintig,  dertig jaar, en al heeft die kop heel wat slagen opgevangen, toch zullen de eersten van aanpakken weten, als de laatste dat wil”.

“En mij zul je trouw naast je vinden, vader!”

Nadat ze het geroofde strandgoed zorgvuldig op de aangewezen plaats opgeborgen hebben, steken zij voor de tweede maal in zee. Het is intussen geheel dag geworden,hoewel een dunne, grijze nevel het uitzicht beperkt doet zijn.

Maar het gestrande vaartuig is van zijn plaats, waar zij zich bevinden, niet ver verwijderd, zoodat zij het nu goed kunnen waarnemen.

Gedeeltelijk steekt de romp nog boven water uit en zonder moeite zien zij, dat een drietal personen zich aan boord bevinden.

“Die luitjes zullen blij genoeg zijn, als we ze er af halen. Want ze hebben stellig geen prettige nacht gehad. We moeten hen maar zoo gauw als’t kan naar de wal transporteeren. Dan hebben wij de beste gelegenheid om een slagje te slaan”.

Zoo redeneert Rooie Sicco, onderwijl hij met Douwe bezig is een rif in het bootzeil te leggen, want om zoo’n eind, met een stijve koelte vlak van voren, roeiende af te leggen, daar hebben ze niet veel trek in. Dus zetten ze het zeiltje bij, om laveerende naar het wrak te komen.

In de eene hand het roer, in den andere het zeilschoot, om deze bij een verkeerde vlaag onmiddellijk te kunnen vieren, stuurt de oude zijn boot meesterlijk door de woelige golven. En na ongeveer een uur lang tegen wind en golven te hebben geworsteld, schiet hij in lij langs het groote vaartuig op, terwijl Douwe aan de schepelingen, die zich op ’t voorschip bevinden, een lijn toewerpt. Binnen enkele oogenblikken ligt nu de boot in de luwte van het wrak zoo rustig haast als ginds in de kreek.

Claes, Coert en Derck begroeten de beide aangekomenen met groote blijdschap. Van dat het is beginnen te dagen, hebben ze er reikhalzend naar uit gezien of geen boot of schuit naderde. Hoe verlaten en hopeloos gevoelden zij zich, toen zij daar zaten in de mast temidden van de huilende en loeiende waterwoestenij. En toen later de storm aan ’t afnemen ging en daardoor meteen de opgestuwde vloed ging vallen, zoodat het achterste en voorste gedeelte van het scheepsdek weer watervrij werden, waardoor ze hun zitplaats in de mast konden verlaten, gaf dit hun wel een gevoel van opluchting, doch het ellendige van den toestand verminderde er maar weinig door. Want het is geen eieren eten, als men zonder een droge draad aan ’t lijf, en zonder middel omzich te verwarmen enkele uuren aaneen aan een kouden, met stormkracht blazende luchtstroom staat blootgesteld.

Wordt vervolgd.

 

Dit bericht was geplaatst in Claes van Ermel.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *