Hoofdstuk 12(2) Bij “Rooie Sicco”.

 

 

Hoofdstuk 12 (2/2)

Bij “Rooie Sicco”.

 

“Heb jelui geen stuk brood of ander eten bij je?”vraagt Claes aan Sicco, na het wisselen van de eerst woorden. “We vallen haast van de graat”, voegt hij er aan toe,”want we hebben geen half etmaal nat of droog over ons lippen gehad”.

“M’n goeie man, we hebben geen kruimel aan boord. Maar stap in de boot. We kunnen binnen ’t half uur thuis zijn. En dan zal Geerte wel zorgen voor een stevigen brok en een verkwikkende slok.

Sicco raad, waarover hij denkt.

“Je laat het schip niet graag onbeheerd achter, is het wel?”

“Juist”, zegt Claes.

“Maar kerel, je kunt hier toch zoo niet blijven? Je moet je doornatte plunje eerst wat droogen en een goed stuk eten, anders schiet je het hachje er nog bij in. Kom, eerst mee naar huis! Dan gaan we over een paar uur als jelui wat opgeknapt bent, naar’t schip terug. Er vandoor gaan zal’t vast niet, want het zit een mooi eindje in`t zand. En al wat niet vast was is weg”.

Claes begrijpt dat, zijn blijven weinig of geen nut kan hebben en stapt met Derck en Coert in de boot.

Douwe zet het zeil op en als een meeuw doorklieft het ranke schuitje het water. De afstand van’t schip tot de inham bij Sicco’s hut, die zeker een halfuur bedraagd, wordt in de helft van die tijd afgelegd, en met een” Goddank!” zetten Claes, Derck en Coert den voet op vaste bodem.

Het meest waardevolle, lijf en leden n.l., hebben zij er dit maal weer behouden mogen afbrengen.En het geluksgevoel daarover is zoo sterk,dat het voor’t oogenblik hun geheele menschzijn in beslag neemt en zich in den enkelen triomfkreet: “Goddank!”uit.

“Vooruit nu, mannen! Vlug naar binnen, dat de verstijfde ledematen verwarmd worden.`t Is wel geen deftigsteenen huis als van de Harderwijcksche poorte, waar ik je binnen breng, maar de ontvangst zal aan hartelijkheid niets te wenschen overlaten. Daarvoor sta ik borg”.

En werkelijk, ofschoon het ruwe uitzicht van den ouden Friesch de drie schipbreukelingen eenigsinds met bezorgdheid vervulde, deze verdwijnt al spoedig, na de kennismaking met diens dochter. Hare rijzige, slanke gestalte imponeerde in weerwil van het armelijke gewaad, de groote lichtblauwe oogen in’t melkblanke gelaat straalde zulk een zachtheid van zich uit, dat hun blik bij ieder, die er door getroffen werd, terstond elke gedachten aan kwaadwilligheid verdreef.

“Toe, Douwe! Stook jij eens flink het vuur op. En vader wil zeker wel eenige kledingstukken bij elkaar zoeken, die onze gasten zoolang kunnen aantrekken, tot de hunne bij’t vuur gedroogd zijn? Ik zal dadelijk wat schapenmelk warm maken en brood klaarzetten, dan kunnen ze, als ze zich verkleed hebben zoo meteen bij schikken.`t Zal, hoop ik, wel smaken, al kan ik hun niets bijzonders voor zetten”.

“Heb daar maar geen zorg over”, zegt Claes. We zouden al heel tevreden en dankbaar zijn met een stuk droog brood en een slok water”.

“Zoo erg is het gelukkig niet. Al hebben wij’t wel niet rijk, met zoo’n armoedig maal behoeven wij zelf het niet te doen en onze gasten nog minder”, antwoord Geerte.

Meteen komt haar vader uit het nevenvertrekje, waar hij wat kleeren vandaan gehaald heeft en reikt die aan Claes, Coert en Dereck over.

“Ga daar maar door die deur naar’t achterhuis, om je te verkleeden”, zegt hij.

De Harderwijckers laten daar geen gras over groeien en als zij na verloop van enkele minuten in’t woonvertrek terugkeeren, vinden zij voor ieder een groote kom dampende melk en een goede hoeveelheid brood gereed staan.

“Schikt bij, mannen en neemt er je genoegen van. Wie bij Rooie Sicco aan tafel gaat, doet alsof hij thuis is”.

“Dat zullen we”, zegt Claes.”We willen onze gulle gastvrouw geen oneer aan doen”.

Na zich aan het opgediste dugtig tegoed gedaan te hebben, wordt besloten dat men gezamenlijk weer naar`t wrak zal terugkeeren, om nog te bergen, wat er geborgen kan worden.

“Ik zou die ouwe pakjes maar aanhouden, tegen dat we terugkoomen, zullen jullie eigen kleeren wel zoowat opgedroogd zijn”,zegt de oude visscher.

Claes, Derck en Coert vinden dit heel vriendelijk en het vijftal stapt naar buiten.

De oude rot van een Sicco, die wel van harte de drie Harderwijckers van dienst is geweest, maar des niettemin uit hun ongeluk voor zichzelf een fortuintje hoopt te slaan, richt dadelijk het oog op de zee.

“Bij alle heiligen- Gezwind mannen! In de boot! Er zijn kapers aan boord. Er liggen een paar booten langszij!” roept hij met een vloek.

Nu zien de anderen het ook en dravend bereiken ze de boot. In een ommezien is deze in open water gebracht het zeil bijgezet en voort gaat het, met korte gangetjes laveerend.

Maar eer zij goed halfweg zijn,zien zij de twee andere booten van het wrak weg varen en koers zetten in de richting van Vollenhoven.

“k Wed er ziel onder, dat het Blankenhammers zijn!’zegt Sicco. “De schelmen zijn ons te gauw af geweest. Ze hebben hun buit binnen, weest daar zeker van!”

De oude raast en tiert van geweld. Niet, dat hij zulk een rooverij slecht vindt, maar omdat er nu voor hem minder te stroopen over blijft, want heimelijk heeft hij al met Douwe overlegt om in den aanstaande nacht van het touwwerk en de zeilen zooveel weg te moffelen als maar mogelijk is.

En ziedaar! Nog eer zij een voet aan boord gezet hebben, weten de rooie en Douwe nu, dat de anderen hun deze moeite hebben bespaard. Al het loopend wand is uit den mast gehaald en wat er nog van de zeilen overgebleven was is eveneens weg.

“t Is den hemel geklaagd”, zegt Claes.”Of iemand al niet ongelukkig genoeg is, als hij zoo te pas komt. Zou daar geen verhaal op te krijgen zijn?”

“Je kunt je beklag gaan indienen bij den Heer van Kuinre”, antwoord Sicco,”Maar of ’t baten zal, is een andere vraag. De lui die dat zaakje opgeknapt hebben, zullen bij navraag wel dood zijn en naar ’t geroofde kun je lang fluiten”.

“En met de weggedreven lading zal ’t wel net eender gaan”, meent Claes.

“Och ja. Het eene stuk blijft hier en het andere daar. Gewoonlijk komt er maar een klein gedeelte er van in handen van den strandvoogd”.

“Ik meen, maar hoe eerder hoe beter naar huis zien te koomen”, antwoordt Derck.

“Ik geloof het ook. Want het schip mee thuis brengen kunnen we toch niet. En onze schipsvrouw moet meegedeeld worden,wat dubbele ramp haar getroffen heeft. Mijn hemel, wat een toestand! `t Is om het te besterven!”

“Zeg dat wel! Hoe `t haar te vertellen?”

“Dat moeten we maar aan de familie overlaten. Ik durf het niet op mij te nemen”, verzekert Claes.

“Nou”, zegt Sicco, “Ik zou met mijn notedop ja net zoo lief een storm in de open zee afliggen, dan zoo’n boodschap aan dat vrouwtje te brengen”.

Alvorens van boord te gaan, onderzoeken Claes, Derck en Coert eerst het vooronder, waarin hun kisten met onder – en bovenkleedinggeplaatst was geweest. Geen spoor er van is te ontdekken.

“Neen, dat kan toch niet”, roept Claes, “hadden wij ze vanmorgen maar mee naar den wal genomen. Gelukkig, dat we vannacht ons beetje geld bij ons gestoken hebben, anders waren we dat ook kwijt geweest”.

Vervuld met treurige gedachten, waar ze denken aan de verdronken schipper en diens jonge vrouw, spreken Claes, Derck en Coert onder het wegvaren maar heel weinig.

Als ze weer in de hut komen, is het middag geworden. Geerte heeft reeds een schotel pannekoeken klaar staan en noodigt hen mee uit aan te schikken. Doch Claes, Derck en Coert gevoelen thans weinig eetlust. Alleen om haar genoegen te doen, nemen zij ieder één pannekoek.

Onder het eten wordt besloten, dat zij naar Kampen zullen loopen. Als zij wat haast maken, kunnen zij morgenochtend met het beurtschip, dat vandaar dagelijks op Harderwijck vaart, naar huis gaan.

“Weet je,wat je doen moest, vader?”zegt Geerte.

“Nou, laat eens horen”.

“Je moest deze menschen even met de boot naar Vollenhoven brengen. De wind is gunstig. Je bent er in een ommezientje, en voor hen wint het heel wat uit”.

Sicco staat eenige oogenblikken in gedachten. Zijn dochter kijkt hem met vragende blik aan. Wonderlijk, de ruwe kerel, die zich wel eens beroemd heeft,dat hij”hel nog duivels vreest”, slaat zijn scherpe kijkers neer voor de zachte meisjesoogen.

“Ik zal het doen, Geerte”, zegt hij.

Claes, Coert en Derck verwisselen de geleende kleeding weer voor hun eigene, die door zorg van Geerte,nu zoo goed als droog is, waarna ze gereed zijn om af te reizen.

Met warmte drukken zij Geerte de hand en betuigen haar hartelijk dank voor de vriendelijkheid en gulheid, waarmee zij onvangen en behandeld zijn.

Ën doe ons ook het genoegen ook een tastbaar bewijs van onze erkentelijkheid aan te nemen”, voegt Claes er aan toe, haar meteen een geldstuk in de hand te drukkende.

Een trek van misnoegen komt er eenklaps op het lieve gelaat en streng bijna klinkt Geerte’s stem, als zij zegt:”wil je als vriend vertrekken, neemdit dan terug. Het is beleedigend voor een Friezin, wanneer men haar voor haar gastvrijheid geld in den hand stopt. Hier, steek het weer bij je”.

“’k Vraag vergeving”, zegt Claes.”Ik heb er niets vernederends mee bedoeld, wees daar verzekerd van”.

“k Geloof je”, is Geerte’s wederwoord. En hem voor de tweede keer de hand toestekende, zegt ze, “vaartwel, vrienden! – Gelukkige reize!”

Het meisje keert zich om en verdwijnt binnen de deur. De drie mannen haasten zich naar den boot, daar Sicco en Douwe reeds vooruit zijn geloopen.

“’t Weer is heel wat opgeknapt. Daarom zal vader jullie wegbrengen. Ik blijf thuis”, verklaard Douwe.

Hij gooit het touw los, gooit het binnenboord en de boot drijft heen, voortgeduwd door den ouden visscher.

Dat Douwe niet mee ging, had zoo zijn redenen.

“Blijf jij bij huis”, had zijn vader gezegd,”en snuffel onder – den hand den zeekant eens langs. Daar zou zo hier en daar wel iets kunnen liggen, dat de moeite van’t oprapen waard is. Begrepen”.

“Jawel, vader! Heb maar geen zorg”, was Douwe’s antwoordt.

XXXXXXXX

Verklaring der diverse woorden.

  1. IJzeren pennen, waaraan de riemen vastgehaakt worden.
  2. Zee = Golf.
  3. Voor den wind.
Dit bericht was geplaatst in Claes van Ermel.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *