Hoofdstuk 13 Hoe de Amsterdammers er van langs kregen.

 

Hoofdstuk 13

Hoe de Amsterdammers er van langs kregen.

 

Sinds de gebeurtenissen, in het vorige hoofdstuk vermeld, zijn er enkele jaren verloopen.

De weduwe van Seger Woltersen, is op aanraden en met steun van hare familie, de koopmanschap en schippersaffaire van haar man blijven voortzetten. De kogge, die hecht en sterk gebouwd was, had door de stranding op de “Vlakke plaat”wel geleden, maar nadat men het schip gelicht en naar de werf te Kuinre had gebracht, was het gauw weer zeewaardig gemaakt. Van de lading was zoo goed als niets terecht gekoomen, gelijk wel te denken was. Rooie Sicco en de anderen van zijn slag hadden daarvoor wel gezorgd.

Ofschoon daardoor het geldelijk verlies voor de weduwe wel groot was, kon ze toch met hulp van gegoede familieleden de zaken loopende houden. En in Claes van Ermel die als zetschipper al die tijd voor haar gevaren heeft bezit zij een knecht, op wien in alle omstandigheden te rekenen valt en die hare belangen zoo trouw behartigt, alsof het zijn eigen waren. Aan hem vooral is het te danken, dat de zaken goed gaan, dat er geld wordt oververdiend en dat het geldelijk verlies van voor enkele jaren, weer gedekt is.

Op een mooie voorjaarsdag laat hij voor Enkhuysen het anker vallen.

`t Schip heeft een volle lading koopmansgoederen in, waarvan een gedeelte te Enkhuysen en de rest te Stavoren moet worden gelost.

Terwijl Claes met den beide knechts bezig is met het wegbergen van de zeilen, schiet hem een Amsterdamsch vaartuig opzij, sterk bemand met bootslui en krijgsvolk. In een ommezien hebben zij de drie Harderwijckers overweldigd, het anker gelicht, de zeilen geheschen en zetten zij met het overmeesterde vaartuig koers naar Amsterdam.

Om dit vijandelijk optreden van de Amsterdammers te begrijpen, dient men te weten, dat er in de laatste jaren gedurig strubbelingen en schermutselingen hadden plaats gehad tusschen Amsterdamsche vissers en Harderwijcksche visschers. De eerste waren begonnen met gedurig de laatsten te benadeelen, zoowel door het stelen en vernielen hunner netten als het beschadigen van hunne schuiten.

`t Spreekt haast vanzelf, zouden wij zeggen,dat de Harderwijckers hun dit met gelijke handelingen betaald zetten. En dewijl zij het in sterkte van de Amsterdammers wonnen, hadden deze de grootste verliezen gleden.

Dat zat hun dwars in de maag. Als kwajongens, die nadat ze anderen hebben lastig gevallen, een flink pak slaag hebben opgeloopen,stookten zij het mindere scheepsvolk van hun stad tegen de Harderwijckers op en klaagen bij den Stedelijken Regeering steen en been over de rooverijen en baldadigheden van hun tegenpartij.

Dit had tengevolge,dat er een vaartuig werd uitgezonden om zoo mogelijk de geleden schade en ondervonden beleedigingen op de Hardrwijckers te verhalen. Begrijpelijk dus, dat zoo’n goeie buit, als hun op de Reede van Enkhuysen in handen viel, op geen genade te rekenen had.

Maar de Enkhuysers, die van dit voorval getuigen waren geweest begonnen zich ernstig ongerust temaken over de gevolgen, die hieruit voor hunzelf konden ontstaan.

Want de Regeering van Harderwijck zal er natuurlijk lang niet over tevreden zijn,dat zij lijdelijk hebben aangezien,dat er een schip van hun bondgenooten op klaarlichten dag van de Reede werd weggekaapt. Zonder lang beraad besluit de Overheid om de Amsterdammers te doen achtervolgen en hun het geroofde weer afhandig te maken. Een aantal schuiten en booten verlaten in allerijl de haven en jagen de roovers achterna. Deze, die met het diepgeladen vaartuig niet snel vorderen,worden ingehaald. Bij tientallen klimmen de Enkhuysers aan bak – en stuurboord op het prijs verklaarde schip over en gaan met de Amsterdammers aan den dans.

`t Gaat er bloedig toe. Van weerskanten zijn al spoedig verscheidene buiten gevecht gesteld, enkelen zelfs gedood. Tenslotte delven de Amsterdammers het onderspit en bergen zich hals over kop in hun eigen vaartuig, waarmee ze uit alle macht naar de haven van Edam roeien.

Maar de Enkhuysers,aangevuurd door de behaalde overwinning op opgehitst door de Harderwijckers, die schuimbekken van woede en wraakzucht, zetten hun met alle macht achterna.

“Dieven! Zeeschuimers! Schavuiten!”brullen zij.

Er vallen harde slagen. De Amsterdammers krijgen er ongenadig van langs. En in de nabijheid van Edam gekomen, wordt hun toestand nog hachelijker. Ver klinkt het geschreeuw en getier der Enkhuysers over de kalme watervlakte.

Het geroep van “dieven, zeeschuimers!”wordt duidelijk te Edam gehoord. Het schippers – en visschersvolkje aldaar geraakt er door in opwinding en zoodra zij zekerheid hebben, dat de Enkhuyser vrienden mee van de partij zijn springen een aantal rappe, maar ruwe gasten in de booten en voegen zich bij den vervolgers.

Het is de Amsterdammers nu volstrekt onmogelijk, zich de vijanden van het lijf te houden. Van alle kanten worden zij bestookt. Zij kunnen niet voor – of achteruit. Zij geraken geheel ingesloten. Aan bak – en stuurboord, aan boeg en achterschip, overal duiken de vijanden bij tientallen tegelijk op en jompen aan boord.

Met bijlen, messen, handspaken en knuppels gewapend, stormen zij als zwermen bijen de Amsterdammers op`t lijf. Het wordt een waar bloedbad. In de hitte van de strijd weet niemand van medelijden.`t Zijn geen menschen meer,`t zijn bloeddorstige roofdieren, die op elkaar invliegen en met tanden en klauwen elkander aangrijpen, totdat of de een of de ander reutelend er bij neerzinkt, om niet weer op te staan. Een huivering vaart ons door het lichaam wanneer wij ons er een voorstelling van trachten te maken. En we zeggen:  gezegend zij de tegenwoordige tijd, waarin zulke moordtoneelen – althans tusschen zonen van `t zelfde land – onmogelijk zijn…!

Claes van Ermel, die als kind van zijn tijd, niet beter of slechter was dan de anderen, heeft zich in de strijd geducht geweerd. Menig Amsterdammer is door hem voor altijd buiten gevecht gesteld.

Daar krijgt hij opeens een Amsterdammer, een reus van een kerel, tegenover zich. Als een panter klemt hij zich aan hem vast, maar de ander pakt hem met ijzeren vuist in de borst, slingert hem bonzend tegen het dek en heft den zware ijzeren staaf op, om hem de hersenpan te verpletteren.

Doch blikkemsnel wordt de Harderwijcker aangegrepen en bij de schouders teruggetrokken. De slag mist nu in zooverre zijn doel, dat niet het hoofd, maar een der beenen, ter hoogte van de knie er door getroffen wordt.

“Spring op, kerel, en berg je!”hoort Claes zich toeschreeuwen en instinkmatig geeft hij aan die waarschuwing gehoor doch zou in hetzelfde oogenblik, onder het uitstooten van een pijnlijke schreeuw zijn neergestort, indien een paar krachtige armen hem niet hadden opgevangen en buiten de plaats van het gevecht gedragen.

“Nou,nou, Claes van Ermel! Dat scheelde maar een haartje, of je had de koekkoek niet weer gehoord!”zegt zijn redder, zoodra Claes op een veilig plaatsje is neergelegd.

Die stem klinkt de Harderwijcker bekend in`t oor. Hij ziet den ander aan, maar weet hem niet aanstonds thuis te brengen.

“Of ken je mee niet meer? Zooveel ben ik toch niet in enkele jaren verandert.- Bezin je eens – !”

“De Egmonder, met wien ik bij Hoophuizen op het strand ben geloopen!”roept Claes met blijde verrassing.

“Geraden, kameraad! Toen heb jij mij geholpen, vandaag ik jou, – maar zeg ouwe jongen! Ik geloof, dat die slag op je been raak geweest is.`t Kniegewricht zal toch niet stuk zijn?”

“k Weet het niet. Maar `t doet me afgerazend veel pijn”.

Juist op dit oogenblik gaat er uit wel honderd kelen een oorverdoovend gejuig op.

“Houzee! Houzee! Enkhuysen boven! Amsterdam onder!”davert van rondom.

“Houzee, houzee, Enkhuysen!

“Houzee, sta trefflick pal.

“Veel meer als hondert buysen (1)

“Ghi uyt sendt van U wal.

“Om door die vanhgst op heringhe,

“Te soecken drokte neringhe,

“Houzee,houzee, houzee!

“Enkhuysen – kloeck, houzee!”

Galmend bruisen de klanken de krachtige keelen uit, nu en dan gaat het zingen in schreeuwen over, maar toch grijpt die macht van ongeschoolde stemmen U in de ziel, omdat ge er in voelt schudden en schokken de wondere geestkracht, de voor niets terugdeinzende energie, die bij het nageslacht pas tot volle ontwikkeling zou komen en dan uiten op een wijze, waarover de wereld verstomd zal staan. De nazaten van dit schippers – en visschersvolk zullen eenmaal met metalen kelen aan Europa hun triomfliederen toe donderen. Dan niet meer een verspillen van kostelijke volkskracht aan kibbelarijen en kloppartijen tusschen Hollanders en Gelderschen tusschen Enkhuysers en Amsterdammers, maar een machtig samenstreven in het verzet tegen vreemde dwingelandij. In de aderen van dit schippers – en visschersvolk bruist en gist het bloed reeds van de Nederlandsche waterleeuwen uit de zestiende en zeventiende eeuw.

“Houzee, houzee, houzee!

“Enkhuysen – kloeck, houzee!”

Tergend moeten die woorden wel in de ooren van de Amsterdammers binnen vallen, die, nadat zij zich gewonnen hebben gegeven, aan boord van hun eigen vaartuig gekneveld en in’t scheepshol opgesloten worden. Fluks wordt daarna de steven gewend en in triomf brengt men het teruggenomen Harderwijcker schip met dat van Amsterdam te Enkhuysen binnen.

De gevangenen worden ontscheept en binnen de tuchthuismuren in verzekerde bewaring gezet.

Zoo is Claes van Ermel weer heer en meester op zijn eigen bodem. Doch de vreugde hierover wordt bij hem met geweld verdrongen door de pijn, die hij aan zijn been uitstaat. Hij maakt zich ernstig ongerust, of dit wel goed zal afloopen.

De Egmonder, die hem trouw terzijde gebleven is, zegt: “Als `t mij te doen stond, stuurde ik dadelijk om de barbier uit – De verghulde tandt –“.

Claes vindt deze raad goed en de jongste knecht wordt van boord gezonden om Meester Jurriaen “Baert schrapper en chirurgijn”te ontbieden.

Het duurt evenwel een paar uuren, eer onze esculaap komt opdagen, want hij heeft `t op het moment erg druk met het verbinden en cureeren van wonden, builen en andere kwetsuren, die vandaag in kwistigen overvloed zijn rondgedeeld.

Doch eindelijk verschijnt Zijn Edele Zeer Geleerde. Hij bekijkt en betast het gewonde lichaamsdeel, dat sterk opgezwollen is, van alle kanten, iets, wat den patiënt menigen smartkreet ontperst.

Meester Juriaen komt tot het besluit, dat er op `t oogenblik weinig met zekerheid van te zeggen valt.

Door de gezwollenheid van het been, kan hij er slecht wijs uit worden. Hij zal een smeersel geven, waardoor de dikte wel slenken zal en dan morgen terugkoomen. De schipper moet maar in zijn kooi kruipen en het been volstrekte rust geven.

“Nou, daar zal `t niet aan mankeeren. Ik ben al blij genoeg, dat ik het stil kan neerleggen”, zegt Claes met een gedwongen lachje. “Ik zal er heusch niet op gaan dansen”.

XXXXXXXXX

Verklaring der diverse woorden.

  1. Buysen =  haringbuisen.

 

Dit bericht was geplaatst in Claes van Ermel.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *