Hoofdstuk 14 Hoe Claes van Ermel zijn been verloor en een vrouw won

 Hoofdstuk 14

Hoe Claes van Ermel zijn been verloor en een vrouw won.

 

`t Is October, een half jaar na de schermutseling met de Amsterdammers.

Op de reede van Harderwijck wapperen kleurige vlaggen vrolijk uit in de heldere najaarslucht en geven aan het zich voor de oogen ontrollende tafereeleen recht feestelijk aanzien.

Geen schip of schuit zonder die levendige tooi! En het varensvolk heft hier en ginds een vrolijk liedje aan, waarvan de toonen dartel voorthuppelen over de krulkuiven der met zonnegoud besprenkelende golven. En in de stad hangt van de gevel van `t Sint Joris gildenhuis (1) , almee een groote vlag in breede banen neer. Klaarblijkelijk is er dus vandaag in de schipperswereld iets bijzonders aan de hand. En komen we tegen tien uur in de Bruggestrate, het eigenlijke schipperskwartier, dan zien we aan de menigte menschen,die daar heen en weer drentelen of in groepjes bijeen staan, dat er een niet alledaagsche gebeurtenis te wachten staat.

Het middelpunt, waartoe allen zich voelen aangetrokken, schijnt de woning van de weduwe Woltersen, want onophoudelijk worden oogen daarheen gericht.

Daar gaat op een gegeven oogenblik de breede voordeur van de deftige huizing open.

Onder het samengestroomde publiek ontstaat opeens groote stilte. Allen rekken de halzen en trachten met wijd geopende oogen in het half schemerachtige van `t ruime voorhuis door te dringen.

“Daar komen ze”, gaat het fluisterend van mond tot mond.

Ze komen. Een forsche, statige vrouw van dertigjarige leeftijd, overschrijdt met langzame, maar zekere bewegingen den breeden drempel. Aan haar zijde gaat, met de eene hand leunende op haar arm, met de andere zich steunende op een stok, al hinkend een jonge man, gelijk in jaren ongeveer.

Met een mengelng van blijheid en weemoed op `t gelaat ziet meenigeen den knappen, flinken jonkman aan en hier en ginds gaat een zacht fluisteren door de rij:”Wat jammer toch, dat houten been!”

Ze schrijden voort, de forsche, statige vrouw vrouw en den jonkman met het knappe, flinke gelaat en het houten been. En achter hen beiden volgt een lange rij van bloedverwanten en vrienden, allen in mooie kleedij van welgestelde poorters en poorteressen uit de vijftiende eeuw.

Aan de Vrouwen of Nieuwstrate (2) gekomen, slaan zij deze in en begeven zich naar de Mariakerk om daar voor het altaar door de geestelijke de rechterhand des eenen in die der andere te laten leggen en onder het oog van den alwetend God elkaar trouw en liefde te laten beloven voor heel het leven.

Straks als ze weer uit het heiligdom naar buiten treden, zullen Claes van Ermel en Neele Claesdochter,weduwe van Seger Woltersen, man en vrouw zijn.

Omhet gevaar, van later door weetgierigen lezeressen of lezers te worden lastig gevallen, te ontloopen, willen wij nog even vertellen, dat Claes van Ermel of liever zijn gekwetste been, bij de smeerseltjes en zalven van Meester Jurriaen en meer van diens vakgenooten,heelemaal geen baat had gevonden. Integendeel, de toestand verergerde, inplaats van verbeteren. Tenslotte bleef er niets anders over, dan tot amputatie over te gaan en werd het been bij de knie afgezet.

Weken achtereen leed de kerel hevige pijn en in `t eind sukkelde hij op een houten stomp de wereld in.

Een treurig vooruitzicht voor den jongen, levenskrachtige man.

De stok, waarmee hij zich bij `t gaan steunde, zou zeker een bedelstaf voor hem worden, zoo dacht hij:

“Ja, dat is je voorland, Claes!”zij hij tot zichzelven en hij moest al zijn wilskracht aanwenden om te voorkomen dat hij in tranen uitbarstte.

Dat was anders, dan zijn dromen over een eigen schip, en welvaart en levensgeluk. Voorbij, voorbij, voor immer voorbij!

Dan…..de mensch wikt, maar God is er, die beschikt.

Op zekeren dag, een paar maanden nu geleden, zit hij bij den weduwe Wolterse,zijn weldoenster gedurende zijn beenlijden, die gezorgd had, dat het hem niet aan het noodige ontbrak.

“`k Moet maar den boer op. Licht dat ik bij dezen of genen nog eenige jaren als schaapherder dienst kan doen. Dan behoef ik tenminste geen genadebrood te eten”, zegt Claes mistroostig.

“En is je dat werkelijk meenens?”

“Zoo zeker, als de zon aan de hemel schijnt”.

“Maar Claes! Hoe kom je erbij? Jij schaapherder? En dan op jou leeftijd en met jou inborst?”

“`t Zal wel moeten, vrouwke! `k Kan toch niet van de wind leven”.

Er heerschte eenige minuten stilte.

Claes zinkt weg in treurige overdenkingen, de jonge vrouw is zichtbaar ontroerd en vervuld met verschillende aandoeningen.

Claes merkt het niet, hij ziet mijmerend voor zich heen.

Een middagstraal werpt een breeden band van goeden licht door het schemerdonker van het achtervertrek en treft het hoopeloos treurig mannengelaat.

Neele Claesdochter ziet er op neer met een blik, waarin meer dan medelijden te lezen staat.

“Claes”, zegt ze zacht, maar toch duidelijk.

De aangesprokene schrikt op uit zijn overpijnzingen en kijkt haar vragend aan.

“Claes”, herhaalt ze,”als iemand je eens zei: ondanks je houten been, kun je in je gewonen doen blijven, kun je zelfs in beteren staat komen, dan waarin je tot nu toe heb verkeert,wat zou je dan antwoorden?”

“O, drijf niet de spot met me! Martel me niet met voorstellingen, waaraan zoo weinig mogelijk te denken, voor mij het allerbeste is”, zegt hij half smeekend.

Op springt Neele Claesdochter, buigt zich tot hem over, en zegt:”Zie mij aan, Claes! En zeg dan of ik den spot met je wilt drijven”.

De jonkman heft den door verdriet ontglansde oogen tot zijn gebiedster op, om in haar blik te lezen, wat er omgaat in haar ziel. Een schok vaart eensklaps door den leden, zijn oog schiet stralen en hij roept:

“Bij den hemel, vrouwe!…Neele!….jijzelf biedt mij dat geluk aan? Jij wilt mijn vrouw worden? Mij nemen, zoo hulpgehoevend en ongelukkig als ik ben?”

Ze antwoordt niet, maar grijpt zijn hand en zinkt snikkend met het hoofd op zijn schouder……

En zoo was Claes van Ermel uit de diepste neerslachtigheid op eenmaal tot de hoogste vreugde gekomen.

Dat gaf me echter een opschudding in de stad, toen het bekend werd, dat de weduwe Woltersen zou huwen met haar vroegeren knecht die bovendien nu zoo ongelukkig was! En Neele Claesdochter moest om haar besluit, vooral van de naaste familie van haar eerste man heel wat onaangename dingen hooren. Doch ze was niet tot andere gedachten te krijgen.

“In zijn flinke jaren heeft hij mij trouw gediend, heeft hij voor mijn schip en goed zijn leven gewaagd. In mijn dienst, dus voor mij, heeft hij zijn been gelaten, maar nooit heb ik door een enkel woord kunnen merken, dat hij daarvoor op de een of andere wijze van mij verlangde of verwachte. Integendeel, `t was zijn schrikbeeld, van wie dan ook, genadebrood te moeten eten. Dat heeft mij den man leeren achten en liefhebben boven ieder ander, en dus:

“Al willen jullie me ook niet meer aanzien, hem nemen doe ik!”

Zoo had Neele Claesdochter gesproken en tenslotte legden de anderen zich niet enkel er bij neer, maar keurden haar voornemens zelfs goed.

En zoo waaien vandaag ter eere van het paar, dat we zooeven de kerk zagen binnengaan, van alle masttoppen en van de gevel van `t Gildehuis vroolijk de vlaggen.

Ieder verblijdt zich in `t geluk van den gullen, eerlijke en trouwe Claes, want allen moesten erkennen, dat hij `t verdiende.

Wat wondere zwaai van het lot! Het arme verweesdedorperskind nu opgenomen in de rij der aanzienlijksten en rijkste poorteren!

“Zoo kan `t verkeeren”, zou een dichter uit later eeuw er van gezegd hebben.

EINDE

Verklaring der diverse woorden.

  1. Het St. Jorisgilde, was dat der zeevarenden en kooplieden.
  2. Tegenwoordig de Kerkstraat.
Dit bericht was geplaatst in Claes van Ermel.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *