Hoofdstuk 2 In`t Schippershuis

  

In`t Schippershuis

 

“Toe schipper! Neem mij mee! Ik zal mij goedhouden en als`t wezen moet, meevechten als de beste”.

“Gekheid, Claes! Je bent nog zoo jong. Ik wil er later geen zelfverwijt van hebben, dat ik jou leven er mee aan gewaagd heb”.

 “Maar dat behoeft ook niet schipper! Ik vraag er immers zelf om”.

“dat staat gelijk. Voor God en mijn geweten tree ik tegenoverjou op als beschermer en mag ik je niet meenemen bij deze gevaarlijke onderneming. Je blijft ditmaal aan de wal en kunt thuis mooi behulpzaam zijn bij de verzending van de partij meel en planken naar Arnhem”.

Claes geeft het op met vragen, doch aan zijn spijtige gezicht is duidelijk te zen, dat de beschikking van den schipper hem in`t geheel niet aanstaat.`t Is vier dagen geleden, dat het schip van Bartolson van Stavorens Reede werd weggekaapt en in de haven van Yedam(Edam) werd binnengebracht. (1)

Nadat de kapers, die ook Edammers bleken te zijn, Evert en Claes omtrent alles en nog wat scherpelijk hadden ondervraagd, zeiden ze:

“Pakt vlug je biezen en zie, dat je te Harderwijck komt. We kunnen het best buiten zoo`n paar kostgangers als jullie bent, stellen. En zeg maar tegen je schipper, dat-ie knap zal moeten zijn, als-ie z`n schip terug krijgt. Iemand die met onze vijanden hendelt, beschouwen wij ook als vijand”.

Zo konden Evert en Claes het weinige, dat hunne was, in een bundeltje binden en den wal opstappen. Zij volgden de zeedijk en kwamen tegen den avond te Amsterdam, dat toendertijd nog in zijn eerste opkomst was, en wat handel en zeevaart betrof, zich nog niet met Enkhuizen en Hoorn kon meten.

Tot hun geuk ontmoetten zij daar een Sardamschen(2) visscher die klaar lag om naar zee te zeilen en bij de Geldersche kust te gaan visschen. Deze had de goedheid hen aan boord te nemen, en zoo zetten zij den volgende morgen te Harderwijck voet aan wal.

`t Gaf een heele opschudding in de stad onder de schippers en kooplui, toen dezen hoorden wat er voorgevallen was. Met den vrijen handel en den scheepvaart toch stond of viel de welvaart van Harderwijck. Geen wonder, dat men zich ernstig ongerust maakte.

Dit was nu al het vijfde schip, dat binnen de tijd van een jaar genomen en prijs verklaard was. Schipper Bartolson had nog niets van zich laten hooren. Zijn vrouw en naaste familieleden klaagden “ach en wee”, toen zij van de knecht en Claes de jobstijding hoorden.

Tegen den avond echter liet een Workumer schip, dat voor een koopman uit Stavoren te Harderwijck lading moest innemen, op de Reede het anker liet vallen. Deze scheepsgelegenheid hadden Bartolson en zijn knecht te baat genomen en zoo arriveerden ze weer in hun vaderstad.

Dat was me die avond een drukte in het huis van den schipper, die zich bevond in den Bruggestraat, dicht bij den poort, die toegang gaf tot de Hooge Zeebrug.(3)

Het ruime voorhuis, waarin langs wanden verschillende koopmans goederen lagen opgestapeld, zat en stond vol menschen, die Bartolson en zijn vrouw hun deelneming kwamen betuigen met den ramp, waardoor zij getroffen waren en tevens nieuwsgierig luisterden naar het meededelen van de ware toedracht van de zaak.

Daar springt Wessel Jansz, een broer van vrouw Bartolson en evenals zijn zwager koopman en schipper, van zijn zitplaats over eind en den gespierden vuist heftig ballende, roept hij:

“Mannen! Dat mogen wij er zoo niet bij laten! We moeten proberen of we die Yedamschen schelmen het schip niet weer uit de klauwen kunnen rukken! Niet, omdat Bartolson mijn zusters man is, maar omdat er gevaar bestaat, dat ons vandaag of morgen hetzelfde zal overkomen. De Hollanders worden met den dag stouter. Als`t zoo doorgaat, komen ze onze schepen nog hier van de ree wegkapen”.

“Recht gesproken, Wessel Jansz! En ik voeg er aan toe: Schande voor Harderwijck, dat het zoo slecht voor den rechten en vrijheden van zijn burgers zorgdraagt”.

“Goed zoo, Peer Gijssen! Goed zoo! Ja, schande is`t, schande voor de regering van onze stad! Maar morgen vóór noen, loopen wij als één man tot Burgermeesters en Schepenen om aan te dringen op`t nemen van flinke maatregelen. Nietwaar, mannen? Burgers van onze oude stad Harderwijck! Je gaat met mij?”

“We gaan met U, Walter Segersen! De Magistraat moet ons helpen, opdat Jan Bartolson zijn schip en koopmansgoederen terug krijge!” klinkt het fier en krachtig uit een tiental mannenkelen.

“Zoo mag ik het hooren”, denkt Claes, Bartolson`s scheepsjongen, die zich een zitplaats heeft verzekerd boven op een stapel meelzakken en vandaar met steeds klimmende belangstelling zwijgend den loop der gesprekken heeft gevolgd.

De woorden van den laatsten spreker hebben hem geheel in vuur en vlam gezet en zich niet langer kunnende bedwingen, noch over het meer of minder gepaste van zijn doen nadenkende, heft hij plotseling aan uit volle borst:

“Tsa, Harderwijck!

Door koopvaert rijck,

Vermaerd van vroeger jaren

Naer Noord en Zuid,

Ge Uw vloot sendt uit,

Om langs di wilde baren

Staeg schatten thuis te vaeren”.

 

“Tsa Harderwijck!

Uw burgers rijck

Weerhouden geen gevaeren;

Naer Oost en West

Zeilt stout hun kroost,

Om langs di wilde baren

Staeg schatten thuis te vaeren”.

 

“Tsa, Harderwijck!

Aan helden rijck,

Verdedigt gi Uw reghten

Di roover snoodt

Vindt vast den doodt,

Waar Uwe dapp`re Kneghten

Di zege gaen beveghten”.

 

Verwondert hebben de mannen bij`t klinken van de eerste woorden, naar de jongezanger opgezien, maar hij heeft nog geen twee regels gezongen, of een drietal stemmen mee in en het tweede en derde couplet wordt door het heele gezelschap meegezongen, dat de zware eikenhouten gebinten van het schippershuis er van schudden en trillen.

 Geestdrift ontvlamt in de borst der fiere, vrije burgers, en zwaaiend met de wollen mutsen en breedgerande hoeden galmen zij de laatste strofen uit.`t Is een lust voor oogen, de krachtige,gespierde en breedgeschouderde gestalten daar te zien staan, zij aan zij,de forsche armen dreigend zwaaiende. Met zulke kerels is wat aan te vangen. Die staan hun mannetje als`t zijn moet.

`t Gevolg van een en ander was, dat de stadsregeering,de noodzakelijkheid er van inziende, den schippers in hun verzoek terwille was, en hun behalve eenig wapentuig, bestaande uit strijdbijlen, pieken en harnassen, ook een twintigtal soldeniers beloofde mee te geven.

 Wessel Jansz, Bartolson`s zwager, stelde zichzelf en zijn schip beschikbaar en zoo zou men, naar gehoopt werd, aan den Yedammers den onrechtmatig verkregen buit wel weer ontnemen. De Geestelijkheid, mede niet onverschillig voor het welzijn der Poorteren, hield in de oude Nicolaaskerk een plechtige kerkdienst, om`s Hemels zegen af te bidden over de onderneming die men stond te beginnen.(4)

 En zoo vinden wij in den namiddag van den volgenden dag schipper Bartolson zich gereed maken voor den tocht. Zijn vrouw Aeltje Jansdochter, is met den dienstmeid druk in den weer, om voor den schipper en beide knechts mondvoorraad klaar te maken en in te pakken.

Claes heeft den vorigen avond al gevraagd om ook mee te mogen gaan, doch Bartolson stond het hem niet toe. Claes vond dat erg verdrietig en heeft er den heelen dag over loopen denken. Thans, nu het uur van de afreis nadert, wil hij nog een laatste poging wagen. Met vrees en hoop in`t hart nadert hij den schipper en zegt:

“Toe schipper neem mij mee!”

Doch`t antwoord kennen we reeds. Bartolson blijft bij zijn weigering.

Tranen van spijt wellen den knaap in den oogen. Maar hij dringt ze met geweld terug, verlaat het woonvertreken begeeft zich door het voorhuis op straat. Een stout plan is plotseling in hem opgekomen en…..hij zal`t uitvoeren ook.

Einde tweede hoofdstuk

Verklaring der diverse woorden

  1. Edam heette oudstijd Yedam, naar een water, waaraan het was gelegen. De Y bestaat niet meer. Het Oorgat, de tegenwoordige haven, is waarschijnlijk een overblijfsel van.
  2. Sardam = Afkorting van Saenredam, het tegenwoordige Zaandam.
  3. De Lage Zeebrug vond men buiten de hedendaagsche Vischpoort,waarboven het havenvuur brand.
  4. Deze kerk, de eerste kerspelkerk van Harderwijk, stond, “omtrent een slingerworp” buiten de Luttekepoort. In 1415 door den bliksem getroffen, werd het grootte gebouw zeer beschadigd, maar nog vele jaren in gebruik gehouden. Hertog Reinoud en de Bisschop van Utrecht, gelastten echter toen reeds,dat zij moest afgebroken worden.
Dit bericht was geplaatst in Claes van Ermel.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *