Hoofdstuk 3 Een mislukte onderneming

  

Een mislukte onderneming

 

 Een vlugge koelte uit het Zuid-Oosten, die af en toe een regenbuitje aanvoert, jaagt de golven schuimend op tegen de boeg en loefzijde der beide schepen, die bij het invallen van de schemering de Harderwijcker Reede verlaten en onder”vol zeil”danig overkant vallen. Maar dit betekent minder. De bemanning weet heel goed, wat het lijden kan en verlangt op dit oogenblik eer méér dan minder wind.

“Als`t met den nacht maar niet gaat stillen”, zegt Wessel Jansz,die aan het roer staat,tot zijn zwager.

“Dat is niet te hoopen”, is het antwoord.

“Als`t goed zal zijn, moeten we tegen één uur voor Yedam wezen”. “En dat kan gemakkelijk, als we deze gelegenheid maar houden”.

“Nu, de lucht ziet er niet naar uit, dat de wind de eerste uuren zal gaan liggen”.

“Als we er tegen één uur zijn, hebben we goed drie uuren voor`t begint te dagen, dat is tijd genoeg”.

“Ja, als we`t dan nog niet klaar gespeeld hebben, is de zaak toch verloren”, is Bartolsons meening.

“`t Zal wel goed gaan, hoor! Als je vooruit al begint te denken, dat iets zal misloopen, dan gebeurt dit in negen van de tien gevallen ook. Daarover moet je heelemaal niet prakkizeeren. Wel, kerel? Kijk eens aan. We zijn veertig man sterk. Ik zeg, die Hollanders moeten heel wat mans zijn, als ze`t tegen ons volhouden. En bovendien, ze zullen er volstrekt niet op verdacht zijn. Licht, dat je schip onbewaakt ligt en in dat geval is`t best mogelijk, dat we het buiten de haven brengen, zonder dat iemand het merkt. We moeten voorzichtig te werk gaan”.

“Ja, dat zal`t verstandigst wezen.`t Beste zal wezen, dat we eerst met een man of vijf naar den wal roeien, om te onderzoeken of er mogelijk ook onraad is”.

“Juist, zoo heb ik er ook over gedacht”.

De wind blijkt de Harderwijckers gunstig gezind. Ze houden den heelen voornacht door een stevigen bries en werpen een poosje na middernacht, dus nog vroeger dan ze hadden gehoopt, het anker uit dicht voor den ingang van de Yedammer haven. Deze maakte toendertijd deel uit van een tamelijk breed water, de Ye, dat later gedicht is en waarvan de tegenwoordige haven het z.g. Oorgat het eenige overblijfsel is.

Bartolson en Wessel Jansz met nog een viertal anderen stappen in de boot en zoo voorzichtig en stil mogelijk roeien zij naar de wal.

Dicht bij den ingang vinden zij een tamelijk groot vaartuig liggen. Daar aan boord schijnt alles in rust. Zij hooren of zien geen levende ziel aan dek. Voortroeiende bereiken zij weldra de eigenlijke haven, waar langs de kade verscheidene grote en kleine schepen vastgemeerd liggen.

`t Is overal rustig en stil. Al het scheepsvolk ligt blijkbaar te kooi. Na eenig zoeken vinden zij eindelijk Bartolson`s schip. De lading is ongetwijveld geheel of bijna gelost, want het vaartuig ligt hoog op`t water.`t Is bij een ander schip opzij gehaald.

“Geluk dient ons mannen”, zegt Bartolson met onderdrukte stem,”We hebben niets anders te doen,dan de touwen los te gooien en behoeven geen voet aan boord van een der anderen schepen te zetten”.

“Zou`t niet verstandig wezen, dat we aan boord gingen en er dadelijk mee weg voeren?”vraagt Wessel Jansz.

“We zijn met ons zessen”, laat hij er op volgen.”We kunnen het schip best regeeren. Door eerst terug te roeien en de anderen te halen verliezen wij nutteloos tijd”.

Zijn voorstel vindt algemeenen bijval en zoo staat enkele oogenblikken later de Harderwijcker schipper weer op zijn eigen bodem.

Stil en geruisloos gaan de mannen te werk bij`t los maken der touwenen`t klaar maken van de zeilen. Na verloop van enkele minuten reeds boomen zij het vaartuig voort in de richting van den havenmond.

“Nu, wat zeg je er van? `t Gaat beter, dan een van ons had durven hoopen”, zegt Wessel Jansz tot zijn zwager.

“Roep maar niet te haastig”, antwoord deze,”we zijn er nog niet”.

“Och wat! Jij bent altijd bang voor een koude winter, die nog komen moet. Als we zoo meteen voorbij die twee groote kagen zijn, haal je`t zeil er maar vast bij, jongens! Dan schieten we beter vaart”.

Nauwelijks heeft wessel uitgesproken, of plotseling klinkt van de voorste kaag een lang aangehouden stoot op de krijgshoorn, onmiddellijk gevolgd door luid geroep: “Te wapen! Te wapen. Op voor Yedam. Te wapen voor Holland”.

“Haal op het zeil! Haal op, mannen!”,heeft Bartolson geroepen, zodra het eerst hoorngeschal weerklonk en in het volgende oogenblik schoot het zeildoek langs de mast opwaarts, klapperend in den nachtwind.

Het vaartuig begint langzaam gang te krijgen, maar reeds zijn de Yedammers, in hun booten gesprongen en vijf, zes sloepen, door krachtige riemslagen voortgedreven, zoeken de Harderwijckers te achterhalen.

Intussen heeft het rumoer dadelijk de op de beide schepen achtergebleven manschappen gewaarschuwd, dat er onraad is. Zonder een oogenblik te dralen zijn ook zij in de gereedliggende booten afgedaald en roeien nu uit alle macht om hun vrienden bij te staan.

“Houd je wakker,mannen! Jaag de aanvallers terug! We zullen beproeven het schip in zee te brengen!”schreeuwt Wessel hen al van verre toe.

 Met verdubbelde inspanning werpen de Harderwijckers zich op de riemen en onder het roepen van:”Vooruit voor Harderwijck! Dood aan de  Hollanders! Te water de zeeschuimers!”, snellen ze de vijanden tegen. Er volgt nu een vreselijk toneel.

Met handspaken, bijlen en pieken gewapend, wordt het een gevecht als leeuwen en staan nergens voor. Maar tot hun ongeluk krijgen de Yedammers nog voortdurend versterking.

Telkens komen andere booten zich bij den eersten voegen en zoodoende begint de kans voor de Gelderschen gaandeweg hachelijker te staan.

Onderwijl stuurt Bartolson zijn schip met vaste hand de haven uit.

Nog enkele oogenblikken en hij zal buiten en in vrijheid zijn.  Maar…..bons! Een hevige schok smakt hem en zijn vijftal helpers tegen het dek. Het schip is plotseling in zijn vaart tegen gehouden(1), het zwaait zijwaarts om en drijft tegen lagerwal. Een vreugdegeschreeuw gaat op uit de sterk bemande sloep, die nu ijlings afsteekt van het schip, dat voor in den havenmond aan den bovenwal ligt. In een ommezien is de geringe afstand afgelegd. De boot klampt Bartolson`s boot aan, twaalf gasten klauteren er tegen op.

Daar klinkt een doffe slag en nog een en nog een. Een paar bespringers tuimelen achterover in de sloep terug, getroffen door de rake slagen van Bartolson en zijn gezellen. Maar onversaagd houden de andere Yedammers stand en terwijl enkele slagen der Harderwijckers met niet minder koelbloedigheid beantwoorden, trachten de anderen tegen het schip op te klauteren. Aan een drietal van hen gelukt dit tenslotte en nu krijgen hun tegenstanders het danig te kwaad. Ze staan nu n.l. tusschen twee vuren, vóór en achter hebben zij de vijanden af te weren. Reeds verflauwen hun slagen. De aanhoudende inspanning mat de gespierde armen af Spoedig zullen zij voor de overmacht moeten zwichten.

“Tsa, Harderwijck!

“Aan helden rijck

“Verdedigt gij u reghten”.

 

Klinkt het onverwacht van dichtbij en er op los slaande met hernieuwde kracht, brullen Bartolson en zijn mannen, meer dan zij zingen:

“De roover snood

“Vindt vast den dood,

“Waar uwe dapp`re knechten

“De zege gaan bevechten.

 

“Valt aan, voor Harderwijck!”galmt het op de wal naast het vaartuig en terstond daarop dreunt de voetstap van een tiental landsluiden op het dek.

“Tsa, Harderwijck!

“Aan helden rijk.

 

“Wat? Jij hier, Claes?”

“Jawel schipper, ik dacht wel, dat er wat voor mij te doen zou vallen. Vooruit mannen! Vooruit voor Bartolson. Valt aan, valt aan!” En de strijdbijl zwaaiend, plaatst Claes van Ermel zich naast zijn schipper. De Yedammers, die zich al haast overwinnaar achtten krijgen het nu danig te kwaad. Door de onverwachte versterking, die de Harderwijckers gekregen hebben, gelukt het dezen, de vijanden tot wijken te drijven.

Bartolson en de zijne herademen.

Want de bemanning der Harderwijcker sloepen heeft het ginds meer naar binnen zóó benauwd gekregen, dat zij beducht werd, door de Yedammers te zullen worden gevangen genomen.

Om dit te voorkomen wendden alle booten den steven en trachten zoo snel mogelijk de schepen voor den haven ingang te bereiken. Doch de vijanden roeiden hen met even groote snelheid achterna. Het wordt nu een wedstrijd tusschen beide partijen, wie het eerst bij den vijanden zal aankomen.

Nog altijd blijven de Harderwijckers voor. Daar passeren zij het schip van Bartolson……daar klinkt opeens een gebons en gekraak, een schreeuw en getier, dat de lucht er van weergalmt.

De voorste twee booten loopen in vollen vaart tegen den boom en blijven eensklaps muurvast zitten. De volgende bonzen er tegenop en worden op haar beurt weder overvaren door de sloepen der Hollanders.

`t Wordt een tooneel van onbeschrijfelijke verwarring.In`t nachtelijk donker is het vaak moeilijk,vriend van vijand te onderscheiden. Ieder slaat er maar op in en van weerskanten vallen verscheidene dooden. Voor de overmacht zwichtend, moeten de Gelderschen zich in`t lest gewonnen geven.

Ook Bartolson, die zijn boord voor een korte poos van vijanden gezuiverd zag, wordt weldra opnieuw besprongen. Met de kracht der wanhoop verdedigen hij en zijn metgezellen het schip, maar spoedig zien zij in, dat de nederlaag onvermijdelijk is.

“Berg je aan boord van onze schepen”, fluisterd de schipper Claes hijgend toe,”en maak dat je wegkomt, anders vallen ook die in handen van de Yedammers”.

Oogenblikkelijk springt Claes van`t dek op den walkant, rent zoo snel als zijn beenen hem dragen kunnen, naar het eind van`t havenhoofd, gooit den bijl van zich en springt te water. Met flinke slagen zwemt hij voort en bereikt in enkele minuten het voorste schip. Op zijn geroep snellen de twee mannen, die aan boord gebleven zijn toe, werpen een lijn uit en halen hem aan dek.

“Hoe staat het er bij?”, is de eerste vraag, die zij hem doen.

“Slecht. De Hollanders pikken ons heele troepje in. Kapt de kabel en laten we maken dat we wegkomen, anders raken we deze twee schepen ook nog kwijt”.In een ommezien is zulks geschied.

De zeilen worden bijgezet en`t vaartuig verwijdert zich in oostelijke richting.

Onder`t voorbijvaren wordt ook de bemanning van het tweede schip gewaarschuwd en hier talmt men evenmin met zee te kiezen, want eventjes later bevindt het zich in`t kielzog van zijn voorganger en beiden schepen doorplassen de Zuiderzeegolven, koersende naar Harderwijck.

Einde hoofdstuk 3

Verklaring der diverse woorden

  1. De bemanning van het voor in de haven liggende schip, had zoodra er onraad bemerkt werd, het vaarwater door middel van een zware boom versperd.

 

 

Dit bericht was geplaatst in Claes van Ermel.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *