Hoofdstuk 4 Een kijkje op de jaarmarkt.

 

Hoofdstuk 4

Een kijkje op de jaarmarkt.

Zoo was dus de onderneming tegen Yedam, waarvan zij zoo goede verwachtingen hadden gehad, voor de Harderwijcker burgers al heel slecht afgeloopen. Bartolson en al de anderen die hem geholpen hadden, werden gevangen genomen, van hun wapens en harnassen beroofd en in de boeien gesloten.

Na herhaaldelijk bij den Overheid van Holland aangedrongen te hebben op loslating van hun burgeren en teruggave van`t onrechtmatig in beslag genomen schip en goed, ontving de Raad van Harderwijck onder dagteekening van 29 october 1438 van den Regeering van Holland bescheid, dat den volgende dag Heer Giesebrecht van Vianen namens zijn Landsheer de Harderwijckers te Yedam zou doen ontslaan en “mede doen overleveren`t schip, harnas, kleederen en andere stucken tot hoeren lijve dienende”.

Verder zou gezegde Giesebrecht zes van de voornaamste en rijkste Harderwijckers verordineeren om binnen een bepaalde tijd in Den Haag te verschijnen, om aldaar voor het hof van Holland hunne aanklacht tegen de Yedammers persoonlijk te kunnen toelichten.

En omdat de gunstige of ongunstige afloop van deze zaak ten voor-of ten nadele van Harderwijcks handel en scheepvaart zou kunnen strekken, hebben Schepenen dezer stad zich gewend tot hun Landvoogd Hertog Arnold van Gelre, die een schrijven richtte aan de Heeren van Holland om het goed recht der Harderwijckers tegenover de Yedammers te verdedigen.

Hoe`t verder gegaan is,hebben we niet kunnen opsporen. Wellicht is het zaakje op de lange baan geschoven en later in de troebeling dier tijden geheel in`t vergeetboek geraakt. In elk geval, Bartolson leed er grote schade door.

Van zijn gansche lading kwam niets terecht, zijn schip had belangrijke averij bekomen, doordien het in volle gang geloopen was tegen den zware boom,waarmede de Yedammers den uitgang haddenversperd en bovendien was hij een paar maanden uit zijn zaken geweest, zoodat de verdiensten stil lagen. Doch zooiets was in die dagen van onrust, twist en verdeeldheid, toen elk gewest, ja iedere stad bijna haar privilegiën, voorrechten en vrijheden bezat en de burger van`t eene gewest of de eene stad vaak in volslagen vijandschap stonden tegenover die van een andere provincie of andere stad,volstrekt nog iets ongewoons.

Gedurig verkeerden de ondernemende kooplieden en de nijvere burgers in gevaar, de vruchten van hun arbeid op geweldadige wijze vernield te zien.

Eerst in den volgende eeuw, toen Karel V hier te lande alles onder een en hetzelfde bestuur bracht, kwam hierin langzaamaan verandering en verbetering.

Na deze kleine uitweiding, noodzakelijk om den lezer, die met historische toestanden weinig of niet bekend is, een en ander duidelijk te maken keeren wij ons verhaal terug en verplaatsen ons in gedachten binnen Harderwijck, op een schone juni-dag van`t jaar 1440. 

`t Is er ongemeen druk binnen de muren van oude Hanzestede.`t Is n.l. in de dagen van de tweede der beide vrije jaarmarkten, die ieder gedurende veertien dagen gehouden worden. Deze jaarmarkten, reeds in 1231 door Graaf Otto aan de stad geschonken en in 1348 door Graaf Reinoud opnieuw geregeld, werden indertijd zeer druk bezocht en leverden een niet onaanzienlijke winst aan d Harderwijcker poorteren.

De eerste werd jaarlijks in den vasten gehouden, beginnende den tweede zondag en eindigende den vierde zondag.

De tweede ving tot 1689 aan op den eersten juni en eindigde den 15de dier maand.In genoemd jaar werd de aanvang gesteld op 12 juni en het einde op 26 juni.

Van heinde en ver, te voet, per schip of voertuig, kwamen de vreemde kooplieden toestroomen om op de jaarmarkten handel te drijven in paarden, koeien, ossen, schapen, varkens,”en andere levendige have”,inhuiden en leder, in boter, kaas en “allerlei andere waren, koopmanschap ende keramie”.

Om het bezoek aan de jaar-zoowel als aan de weekmarkten zooveel mogelijk te bevorderen, werd van stadswege aande vreemde bezoekers drie dagen ná elken marktdag,vrijheid van “lijf en goed”verzekerd.

Vechtersbazen verbeurden volgens een oude “willekeur”de rechterhand of anders een bepaalde geldsom.

Het stadsbestuur draagt dus behoorlijk zorg voor het leven en den eigendom der marktbezoekers en de Schout met zijn “Rakkers”bevindt zich aanhoudend op of in de nabijheid van het marktplein, om de mogelijke rustverstoorders dadelijk te kunnen “inpikken”.`t Gaat er daarom- ondanks de groote drukte- vrij rustig en ordelijk toe. Wel treft reeds in de verte een verward geroezemoes van stemmen en geluiden het oor, maar het zijn vreedzame klanken, uitgeroepen in allerlei toonaard, van kooplieden,die hunne waren aan de brave “borgeren en buitenluyden”uitventen. Het gansche marktplein-de tegenwoordige Vischmarkt- van de lange Brugpoort tot aan het Nonnenklooster waar nu het Militair Hospitaal staat- is bezet met kramen en tenten, uitgezonderd aan den noord-kant langs de Kleine-en Grote Oosterwijk, waar een breede strook is vrijgehouden.

Daarop staan in twee dubbele rijen de koeien, ossen, schapen en varkens, door de bewoners van Bouwerschappen Hierden en Tonsel, Ermel, Leuvenum, Hulsthorst en Nunspeet voornamelijk aangevoerd. Doch ook de Harderwijcker huislieden, voor een niet onbelangrijk deel weideboeren, hebben menig stuks rundvee ter markt gebracht.

 `t Gaat tegen den middag en de dieren,die al van`s morgens in de heete zomerzon hebben gestaan, krijgen honger en dorst en vervullen nu en dan de zwoele lucht met hun luid geloei en geblaat. Noch dit, noch de minder aangename geuren, die van zulk een veeverzameling uitgaan, nooden den niet belanghebbende tot een langdurig bezoek. En daarom begeven wij ons liever tusschen de rijen tenten en kramen, waar bovendien onze opmerkzaamheid door de groote verscheidenheid in personen en goederen meer gaande gehouden wordt.

Hier staat een koopman uit Hoorn, naast een uit Enkhuizen. Beiden prijzen om`t hardst den Harderwijcker voerlieden, die met hun karren en wagens naar Arnhem, Nijmegen ja zelfs naar`t land van Kleef, Munster en Keulen rijden, hun pekelharing, zoutevisch en stokvisch aan.

Daarnaast heeft een Workumer zijn verglaasd en onverglaasd aardewerk uitgestald en geeft zich alle moeite om zijn Friesch-Geldersch voor de oren der Over-Veluwsch poorters en dorpers verstaanbaar te maken. Maar beter gelukt dit aan zijn buurman, afkomstig uit het land van Cadzand, die in gulronde Vlaamsche taal de schoonheid en deugdelijkheid van Vlaanderends linnen en Brabants kantwerken huizenhoog verheft. Terwijl hij even poost, moe van`t krachtige betoogen en hees van`t luide sprekenen zich met den mouw van zijn wijd linnen wambuis, het zweet van`t voorhoofd strijkt, bazuint zijn nevenman, een Harderwijcks poorter en mede-eigenaar van een bokkingrookerij, den lof van`t ongeëvenaard heerlijke product zijner rookkunst.

 “Ge kunt het vast gelooven, brave landslui en vreemden, nergens ter wereld weten ze zoo met de visch om te gaan, als bij ons. En dit is geen pocherij en nog veel minder een praatje om de goedgeloovigen te paaien.`t Overtuigend bewijs daarvoor is het buitengewoon privilege, dat onze eerwaarde stad van Harderwijck pas van hoogerhand is geschonken. De meesten uit dezen eerzame vergadering zullen het al kennen. Maar aan degenen, die er nog niet van gehoord hebben, wil ik het even vertellen. Er mag binnen heel het gebied van de Gelderschen landschappen geen andere visch worden verkocht, dan die van Harderwijck komt En ook moet alle visch, die op zee gevangen wordt, van Muiden af tot aan de Kamper Ketel toe, te Harderwijck aan wal gebracht en afgeslagen worden. Heb ik dan te veel gezegd, toen ik beweerde, dat de visch nergens beter gehanteerd wordt dan in onze stad?.Koopt burgers en buitenluyden, koopt onze voortreffelijke Bucking!”

Een eindje verder staat een Amsterdamsch koopman te midden van een heele stapel groote en kleine kazen en doet zijn best om voor het veel geprezen West-Friesche fabrikaat koopers te winnen. Maar ongelukkig is zijn stem niet een van de krachtigste, zoodat hij menigmaal overschreeuwd wordt door het verbazende keelgeluid van den in zijn nabijheid staande rijzigen, goudblonde bewoner van Frieslands meerenstreek, die alle mogelijke en onmogelijke deugden van de Friesche kaas opsomt.

En verder……maar het zou vervelend worden wanneer wij zoo door gingen, de verschillende rijen van de verkoopers langs. We vatten post op den hoogen stoep van een der aan de markt staande huizen en laten voor een kwartiertje de bonte rijen der talrijken marktbezoekers, die gekomen zijn om wat te kopen of om een kijkje te nemen, kalm voor ons heen trekken. Allereerst troepjes en troepen boeren en boerinnen, jongvolk uit de omliggende dorpen en gehuchten.

De jongkerels, ondanks het warme weer, gekleed met gesloten leeren en wollen wambuizen, tot de knie reikende broeken, en uit ruwe, ongebleekte wol vervaardigde kousen de voeten gestoken in groote, lompbewerkte klompen. Het vrouwvolk dragende tamelijk laag uitgesneden linnen jakken, met korte mouwen en kleine stippen, wijde, even over de knie hangende, zwarte of donkerblauwe wollen rokken, dito kousen, zwarte schoenen met stalen gespen, gekleurde halsdoeken, zwarte klapmutsen en daarover van stroo gevlochten groote luifelhoeden. De meisjes, bij tweeën en drieën hand aan hand, werken zich lachend en giegelend door de drukte heen en blijven nu bij deze, dan bij gene kraam staan, trouw gevolgd door haar mannelijke dorps-of stadsgenooten.

De luidjes houden zich nog vrij bedaard en rustig, doch straks na den middag, wanneer zij in herberg en taveerne lustig de bierkan zullen laten rondgaan, zal er wel wat meer leven in komen. En als Gerrit wat schuin kijkt naar Aart, dat deze zich een beetje heel druk maakt met Maartje van Teunis Hendriksz kan het best gebeuren,dat Aart eensklaps naar Gerrit toevliegt en hem een vuistslag in`t gezicht toedient.

En best mogelijk ook, dat dan Gerrit zijn mes trekt om er zijn aanvaller een aai mee over`t gezicht te geven. Dan zullen de anderen opspringen en partij kiezen, de een voor Aart, de andere voor Gerrit, zoodat het een algemeene snij-en kloppartij wordt.

Zulke voorvalletjes zijn haast onafscheidelijk aan de marktpret verbonden. Wat meer is; menigeen heeft geen pret, zoolang het niet op vechten uitloopt.

“Hei,Claes! Jong ben jij ook nog in de stad? Ik dacht, dat je hier of daar op zee zwalkte. Kerel wat ben jij uit de kluiten gewassen”.

Met deze woorden spreekt een der boerenjongens de varengezel toe, die met een viertal schippersgasten, van den kant der zeebrug de markt opkomt loopen.

Ja, Arentbuur! `t Is al een jaar of wat geleden, sinds we samen in de Ermelosche bosschen rondliepen om te sprokkelen. De teer-en zeelucht heeft me goed gedaan. Maar jij bent ook een heele kerel geworden!”

“Och ja, kleine kinders worden groot, hè”.

“Zoo is`t. En wat werk je nu?”

“Ik dien de boer. Ik ben op`t oogenblik bij Peter van Speulde in Tonsel”.

“nou, ieder zijn zin. Maar ik hobbel liever wat op de golven, dan op een plaggenkar over de hei. Ik ben blij, dat`k indertijd er maar tusschenuit getrokken ben”.

“Nu ja, jij kon dat gemakkelijk doen, zonder ouders, moest je toch onder vreemden verkeeren. Er was niks, dat je terughield”.

“Integendeel, er was veel, dat me aanzette er vandoor te gaan. Wanneer je door armmeesters uitbesteed wordt, kan je meestal je plezier wel op”.

“`k wil`t best gelooven. En…..”

“Kom, Claes van Ermel, loop je mee op en anders gaan wij door”.

“Ja,`k ga met je mee. Nu Arent!`t Beste hoor. Misschien kan ik je bij gelegenheid wel eens in Tonsel opzoeken. Dan hebben we wellicht beter tijd om samen te praten”.

Claes steekt den ander de hand ter afscheid toe en stapt met vluggen pas zijn kameraden achterop, die ongeduldig geworden, zich eenige schreden verwijdert hebben.

“Wat maken jullie een jacht! Er is toch geen brand?”,zegt hij, nadat hij ze heeft ingehaald.

“Dat niet, maar wat gaat ons die boer aan?”

“Och nee, dat begrijp ik, maar`t was een oude buurjongen van me en we hadden mekaar in geen jaar of vijf gezien”.

Onderwijl Claes daar zoo met zijn kennissen heen wandelt, valt het ons op, hoeveel flinker en krachtiger hij er nu uitziet, dan twee jaar geleden. Toen was hij nog een jongen, nu is hij een jongenman. Het wijde wambuis van grijs linnen met halve leeren mouwen hangt hem luchtig en los om de krachtige schouders, uit de korte broek met kniegespen steken een paar welgevormde, gespierde beenen waarvan de voeten in een paar lage schoenen zijn gestoken. Op de door de zon en wind geelachtig gebleekte lokken draagt hij de platte muts een weinig overmoedig over het rechter oor geschoven. De lichtblauwe oogen in het door de zon verbrande en gebruinde gelaat, blikken vrolijk en vrij de wereld in en zetten op zijn wezen de stempel van levenslustige blijheid en onbedorven jeugd.

Dezelfde kleeding als hij, dragen ook zijn makkers, en in hoofdzaken zijn de gewone poorters, die ons passeeren, eveneens gekleed.

Hun vrouwen en dochters schijnen wat meer werk van haar toilet te maken, keurslijf, halsdoek, jak en rok zijn of van helder wit linnen, of van effen geverfde, soms ook van gebloemde wollen stof. Sommige van haar hebben over het gevlochten, op het hoofd samen gebonden haar, een los onder de kin dichtgeknoopte witte of blauwe doek, enkelen, die er heel feestelijk willen uitzien, dragen zilveren krulijzers, gouden oorbellen en bovendien uit fijn linnen vervaardigde, met kantwerk versierde kappen. Om de fraaie keurslijven te laten zien, zijn de jakken op de borst en rug, vrij laag uitgesneden. Degenen, die mooi fijn geborduurde of gebloemde nderrokken dragen, houden het opperkleed terzijde opgenomen, om de fraaie onderkleding te laten zien.

Kijk daar nadert een deftige familie, een edelman en edelvrouw die van`t kasteel ”de Speyker”, tusschen Hoophuizen en Elburg gelegen, die zich te paard naar de jaarmarkt hebben begeven.

Na de rijdieren toevertrouwd te hebben aan den zorg van den waard uit “den Sint-Nicolaasz”een herberg in de Luttekestraat, zijn ze naar het marktplein gewandeld, eerbiedig gegroet, door de Harderwijcker poorters, maar vooral door de boerenluiden, afkomstig uit de omgeving van de “de Speyker”.

De kleeding van de voorname personages is prachtig en zeer kostbaar.

De edelman heeft een buis aan van fijn, met goud en zilverdraad doorstikt laken, de mouwen zijn opgepoft tot aan de schouders en aan de polsen voorzien van fijne kant, waardoor de handen gedeeltelijk worden bedekt.

Om het midden heeft hij een breeden fluweelen gordel, waaraan een sierlijke geldbuidel is bevestigd. Zijn opperkleed of tabbaard is eveneens van fluweel, ook met zijden strikken versierde broek, lange kousen van gekleurde zijde, lage puntige schoenen met gouden gespen en kleurige rosetten, benevens een ronde muts, versierd met een wapperende en blinkende vederbos, voltooien zijn kleeding.

Rok en mantel der edelvrouw komen in snit nagenoeg overeen met die van de gegoede poorteressen, alleen is de stof veel kostbaarder.

Zij mag, wat aan de gewone poortervrouwen niet geoorloofd is, gebloemd damast en bontwerk dragen en ook juweelen. Het haar heeft ze in twee lange vlechten op den rug afhangen, terwijl met goud ingelegde ivoren kammen en de sierlijke, van dure stof vervaardigde kaproen, waaraan met zilveren naalden de kostbare sluier is bevestigd, het hoofdtooisel uitmaken.

Een gouden halsketen met een groot kruis van hetzelfde metaal hangt in drie wrongen tot op de borst, om haar middel bevindt zich een gouden keten, waaraan een van juweelen flonkerende haar geldtas en sleutelring zijn verbonden.

Trots schrijdt het tweetal voort, te midden van het drukke marktgewoel en beantwoordt met een genadig hoofdknikken de onderdanige groeten der eerbiedig plaatsmakende marktbezoekers.

Maar zoodra zijn ze niet voorbij, of het gewoel gaat weer zijn gewoonen gang. Een poosje later ontstaat er opnieuw eenige opschudding, gevolgd door een soort eerbiedige stilte.

De beide Burgermeesters, vergezeld van de rechtelijke macht, Baljuw en Schepenen, doen een rondgang over de jaarmarkt.

De kleeding deezer overheidspersonen is vrijwel gelijk. Allen dragen een lange tabbaard van fijne zwart laken, een korte broek met kuitgespen en lage schoenen met lange punten. Alleen onderscheidings-teekenen dienen om ieders rang en waardigheid kenbaar te maken.

De Burgermeesters, die elk jaar gekozen worden uit de leden van Magistraat, zijn in dezen tijd machtige heeren. Zij hebben in hun stad eeb bijna onbeperkt gezag en bekreunen zich weinig om den Landvorst, later zelfs niet om den Bourgondische Hertog, die, hoe machtig ook, zich de handen gebonden ziet door alerlei handvesten en privilegiën, in vroeger tijds door zijn voorgangers aan de bloeiende Hanzestad geschonken. Laat hij niet onderstaan, daaraan te gaan tornen!

Uit de Schepenen, twaalf in getal, worden de oudste en de jongste telkenmale tot Burgermeester gekozen. De Schepenen zelf worden door de poorters uit hun midden door de verkiezing aangewezen. In vroeger tijden wees de Vorst Schepenen aan, maar reeds lang hebben de poorters, die bevoegdheid aan zich weten te krijgen.

De Magistraat, d.i. Burgermeesters en Schepenen, worden ook nog bijgestaan door een raad van zes personen, gekozen uit de afgetreden Schepenen.

Eerder was de Baljuw of Schout het hoofd van de Magistraat, maar gaandeweg, naarmate het gezag van der Hertogen verminderde, nam de macht der Schouten af en is de tegenwoordige titularis alleen de hoogste ambtenaar in het rechterlijk college.

Vol respect voor zijn bewindsmannen, ontstaat er onder het volk een deemoedige stilte, overal waar dezen zich vertonen.

Onder elkaar pratend en ook nu en dan eenige woorden wisselend met dezen of genen poorter of even stilstaand bij de koopwaar van de een of andere handelaar, gaat het achtbaar gezelschap de marktruimte rond.

“Zeg, heb jullui`t gezien? Magere Hein loopt in de schaduw van dikken Gilles Boonen. Hij is stellig bang, dat het kleine beetje vet dat hij bezit, door de zonnewarmte smelten zal”, fluisterd een grappenmaker achter den rug van Henrich Arentsen Haan, den Schout.(1)

“Voor mijn part mag hij helemaal versmelten”, zegt een ander “Hij liep bijna tegen mijn stelling aan.`k wou,dat hij zijn spillebeenen zóó had gestoten, dat hij in geen week ze gebruiken kon”, vervolgt een derde.

Meneer de Schout schijnt dus niet erg gezien bij de poorterij. Dit is trouwens nog nooit anders geweest. Het volk ziet den Schout altijd liever gaan dan komen. Hij is de vertegenwoordiger van den Vorst en van dezen moeten de vrije poorters zoo min mogelijk hebben.

Na het voorbij trekken van den Magistraat verlaten we onze standplaats, slaan de Kleine Marktstraat in, volgen de Hoogstraat en nemen dan rechts de Schoenmakerstraat. Hier hebben de Gildebroeders van Chrispijn(2) op de breede, overluifelde stoepen voor de huizen de producten van hun handwerk uitgestald.

Zij zelf zitten rustig in de openstaande deur en noodigen nu en dan de voorbijgangers met heusche woorden tot koopen uit.

Links afslaande,koomen we door de St.Annen of Wevers strate aan de Vullers-(Vilders) Brink.

Verbazend, wat groote hoeveelheden ruwe en gezuiverde wol zijn hier aangevoerd. De Veluwsche heideboeren zijn met karren en wagens van alle kanten koomen opzetten, volgestapeld met groote pakken pasgeschoren wol. Kooplieden uit Brabant en het noorden van Frankrijk hebben in Fransche, Zeeuwsche of Harderwijcksche schepen uit de havens van Calais en Brugge heele ladingen hier heen gevoerd.

En de talrijke lakenvollers, in de onmiddelijke nabijheid van de Brink wonende, zien wij de markt op en neer kruisen, rondkijkende met kennersblik of druk lovende en biedende.

Om het plein bevinden zich de groote lakenhallen, waarin het afgewerkte laken, na door de keurmeesters of waardeins gekeurd en deugdelijk bevonden en van het stadszegel voorzien te zijn, wordt opgeslagen.

Ook deze hallen worden druk bezocht door vreemde kooplui, die den roem van dezen tak der Harderwijcksche nijverheid in de verschillende landen van Noord-en West Europa helpen verbreiden.

Na hier eenigen tijd vertoeft te hebben, gaan wij denzelfden weg van zoo even terug en komen door de Wullewevers-strate, waar de nijvere mannen van het St. Verus Gild hun best doen om de lakenhallen op den Brink geregeld van nieuwen voorraad te voorzien, weldra op de Broeren, het open terrein voor het Raadhuis.

Een vijftig jaar geleden nog werd iedere belangrijke poorterszaak beslist door de geheele burgerij, die daartoe op de Broeren vóór het raadhuis werd bijeengetrommeld. Tegenwoordig hebben alleen de meer vermogenden poorters mee te spreken in dergelijke aangelegenheden, het eigenlijke volk, de kleine luyden, heeft men van lieverlede opzij weten te schuiven.

We zouden thans gevoeglijk door de Donkerstrate ons kunnen begeven naar de Smeepoorten-Brink en de Smeepoort-strate, het kwartier van de wapen, huis en scheepssmeden. Doch de middagzon straalt ons zulk een overvloedige warmte toe, dat we er danig naar verlangen aan den zeekant een frisch luchtje te scheppen. Daarom loopen wij, vóór het raadhuis langs, de Brugge-strate in en komen zoo door de Bruggepoort aan de Hooge- Zeebrug.

Een zwak windje uit het noorden rimpelt de oppervlakte van`t groote water met kabbelende golfjes, die zachtjes aanklotsen tegen de steenen glooing en verderop tegen het paalwerk van de “Brug”. Slechts bij tusschenpoozen golven de vlaggen aan boord der vele op de reede liggende schepen in langzaam bewegen uit en kronkelen de wimpels, traag door de warmte, even op. Toch brengt het kleine tochtje een aangename frischheid mee, die opwekkend werkt en het afgematte gevoel, dat zich ginds, bij het slenteren tusschen de dichte menschenmassa, van ons meester maakte, verdwijnt al spoedig.

Wat een vaartuigen op de Reede en wat een druk gewoel hier op de Brug!

Daar liggen ze in drukke mengeling bijeen, schepen uit Holland en West-Friesland, uit de Overijselsche steden Kampen, Deventer en Hasselt, uit Stavoren, Hindeloopen en Workum, uit Schouwen, Brugge en Calais en uit de Noord-Duitsche Hanzensteden, naast de Harderwijcker markt-,vracht en visschersschepen. Een heele vloot, van wel honderd kielen. Hier is men bezig met inladen van allerlei, koopmanswaren, die men op de jaarmarkt heeft ingekocht, ginds lost men verschillenden goederen, van elders aangevoerd, om die te Harderwijck te verhandelen. Het vervoeren van en naar de schepen geschiedt met open schuiten, die van mast en zeil voorzien, onophoudelijk af- en aanvaren.

Ook wordt door de “bootschuivers”met kleine booten de verbinding tusschen de schepen en de wal onderhouden. Sjouwerlui en voerlieden zijn van den vroege morgen tot laat in den avond, ja, menigmaal tot diep in den nacht in de weer met het op- en afladen, met aan- en wegvoeren.

XXXXXXX

Verklaring der diversen woorden.

  1. Deze Henrich Arentsen  Haan droeg den scheldnaam Magere Hein.
  2. Gildebroeders van Crispijn, dat zijn schoenmakers.
Dit bericht was geplaatst in Claes van Ermel.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *