Hoofdstuk 5 Geweld der Elementen

 

Geweld der Elementen

Dat brug en Reede meermalen het tournooiveld zijn, waarop partijen hetzij met woorden, hetzij met gevoelige handtastelijkheden tegen elkaar uitkomen, is iets, dat hoort vanzelfsprekend.

Doch op het oogenblik gaat alles vredig toe.

“Smaakt het maat”, vragen wij een der schuitvoerders, die op`t achterboord van zijn vaartuig in de schaduw van`t zeil der naast hem liggende vissersschuit, gretig een stuk grof tarwe brood en een homp kaas zit te verorberen.

“Geen wonder”, zegt de man,”als je van vanmorgen zes uur tot nu toe geen tijd gehad hebt, dan alleen om een paar maal inderhaast een pot bier te legen”.

“Mooi zomerweer, nietwaar?”

“Ja, zoolang als`t duurt”.

“Hoezoo? Meen je dat er verandering op til is?”

“De Heeren hebben in hun leven zeker meer naar andere dingen, dan naar de lucht gekeken. Maar`t is hun niet kwalijk te nemen. Ieder in z`n vak, niet waar? Wij, die het elken dag met wind en weer te stellen hebben, geven vanzelf goed acht op de luchtgesteldheid. Kijk, daar in`t zuiden, onder de zon is het niet pluis. Veel kans, dat we binnen een paar uur een flinke onweersbui krijgen”.

Werkelijk, nu zien wij ook in de aangeduide richting de door de zon beschenen “donderkoppen”als een verwijdert sneeuwgebergte oprijzen.

“Nu,`t is er warm genoeg voor”, antwoorden wij en wandelen meteen verder naar het einde van de Brug, waar wij ons ieder op een meispaal neerzetten, om eenige minuten lang te genieten van het bedrijvige tooneel, dat zich én naar de land-en naar de zeezijde voor ons oog ontrolt.

Daarna stappen we weer stadwaarts en zullen in een der taveernen binnen de Bruggepoort een pint Harderwijcker bier bestellen, want we hebben onder de bedrijven door, mooi dorst gekregen.

In den namiddag van den dag, waarop wij in onze gedachten een bezoek gebracht hebben aan de Harderwijcker jaarmarkt, barstte een onweer los, zóó hevig, als de oudste inwoners zich niet herinnerden ooit beleefd te hebben. Wel twee uren achtereen was het bliksemlicht niet van de lucht en knalden en ratelden, rommelden en dreunden bijna zonder tusschenpoozen de geweldige donderslagen.

De kooplui op de jaarmarkt, het noodweer ziende aankomen, brachten in allerijl hun goederen, voor zoover dit doenlijk was, hier en daar bij poorters onder dak. Maar natuurlijk kan in zoo`n korte tijd niet alles worden geborgen en bovendien maakten velen er zich ook niet zoo druk over.

“`t Is maar een zomerbui”, riepen ze,” `t zal zoo`n vaart niet loopen”.

Het varensvolk echter aan de Hooge-en lage brug en de schippers en de visschers op de Reede, wachten in bange spanning de snel aanrukkende bui af. Zij zagen wel aan”`t gelaat”van de lucht, dat het met geen kleinigheid zou afloopen.

Claes van Ermel zat, toen het eerste gerommel zich van verre liet hooren, met zijn makkers rustig in “Het schippers Kombuys”, een kleine taveerne vlak binnen de Lage-Brugpoort, die- op marktdagen uitgezonderd-  bijna enkel door scheeps- en bootsvolk werd bezocht. Hij tracteerde zijn vrienden op bier en echte Deventer koek. Want vierentwintig uur geleden was hij als knecht aan boord van de kogge van Wessel Jansz met een lading Noorsche balken van de Sont gekomen(1) en de vrienden vonden, dat er wel een potteken bier op de behouden thuiskomst mocht geledigd worden.

Terwijl zij rustig zitten te praten, komt er een schuitenvoerder inloopen en in hunne nabijheid op een lange eikenhouten bank plaatsnemende, zegt hij:”Je mag er wel om denken, maats, er groeit een lelijke lucht in`t zuidwesten en`t donderd knapjes. Als je bijtijds aan boord wilt zijn, dien je op te stappen”.

“De schipper heeft mij vandaag vierdag gegeven. Als ik morgenochtend om vijf uur present ben, is`t goed”, zegt Claes.

“Jij bent een geluksvogel. Maar ik stap op. Mijn schipper staat misschien al op mij te wachten, want hij is er altijd gauw bij, als ie denkt, dat er slecht weer zal komen”.

“Nu, wij gaan met je, Thijs Claessen. Wij moeten ook naar boord”, zeggen de anderen.

“Wacht even, dan loop ik ook mee”, zegt Claes, want hij vind het vervelend alleen achter te blijven. Hij betaald de waard`t gelag en het vijftal gezellen stapt de deur uit.”Nou,nou, de lucht ziet er lelijk uit. Voorwaarts jongens! Loopen wat je kunt anders koomen we niet voor de bui aan boord”, roept Thijs, zoodra hij buiten de poort komt en daar met een oogopslag den toestand heeft opgenomen.

En zonder de anderen in te wachten, zet hij het op een loopen naar`t eind der Lage-Brug. De anderen maken zich klaar, zijn voorbeeld te volgen.

Maar Claes heeft geen zin, zich zonder noodzaak buien adem te loopen.

“Ga jullie je gang, jongens! Ik geloof dat het noodig is, dat je wat voortmaakt. Maar ik doe een beetje langzamer, hoor!”.

“Je hebt gelijk, maat! Nou vermaak je ondertusschen maar wat. Vanavond zien we elkaar wel terug, willen we hoopen”.

Voort snellen zij, terwijl Claes eventjes blijft staan om op z`n gemak de beweging van de aanrukkende bui gade te slaan. Een poosje geleden is de zon al achter de geweldige wolkenstapels verdwenen, maar de warmte is er niet minder om geworden. Integendeel,`t is of al de warmte, die in de voormiddag opgestegen is naar de hoogere luchtlagen, thans weer naar de aarde geretourneerd wordt. Een benauwende, drukkende zwoelte hangt boven land en zee. Niet het minste windzuchtje brengt leven in de strakke onbeweeglijkheid van den dampkring beneden.`t Is bladstil.

Maar ginds in de hoogte voeren de elementen een verschrikkelijke kamp. In woeste wirreling war`len de wolkenmassa`s rond door de hemelruimte, uiteen gescheurd en uiteen gereten ieder keer,als de schittering des bliksems voor een paar seconden het licht van den zomermiddag tot schemering maakt.

Soms kort afgebroken en knallend, dan langzaam doordreunend dof narommelend ver weg tot aan den gezichtseinder en daar verstervende, volgt den eenen donderslag op den anderen en is het luchtruim vol van geluid.

De zee houdt haar adem in, bang voor wat aanstaande is. Het golvende beweeg haars boezems is nauwelijks merkbaar en alleen wanneer het ratelend dondergeluid met ontzettend geweld komt neervallen uit duizelingwekkende hoogte en in ontzaglijke golvingen voortstormt langs het effen watervlak, daar schokken siddderingen rukbewegend het glanzende reuzenlijf.

“Jongens,jongens,wat een zwaar weer! De schipper is aan boord zie`k wel. De sloep ligt tenminste achter`t schip”, zegt Claes in zichzelf, terwijl hij naar de kogge van Wessel Jansz kijkt, die met nog een vijftal andere vaartuigen buiten “het harde”ligt.(2)

Daarna dwaalt zijn oog verder de Reede langs,waar op dit oogenblik een buitengewoone beweging heerscht. Beducht voor het naderend onweer, brengen de visschers en schippers, die aan de palenhoofden der bruggen of dicht in de nabijheid daarvan een ligplaats hadden gekozen,hun vaartuigen zoo gauw ze kunnen naar de Reede, waar ze bij storm of harden wind geen gevaar loopen tegen de palen of stuwen lek geslagen te worden.

Weer anderen, wier schepen te dicht in elkaars nabijheid lagen, hebben ankers gelicht en zijn nu bezig al bomende de vaartuigen van elkaar te verwijderen. Als dan straks de wind ontsteekt en de kabels gevierd moeten worden, hebben zij de ruimte en is er geen gevaar voor noodlottigen botsingen.

En daar tusschendoor schieten een groot aantal bootjes heen en weer, die het varensvolk, dat voor een deel in de stad vertoefde, naar boord brengen of gebracht hebben.

“Hei daar, kameraad! Heb je niets te doen, dat je zoo kalm staat rond te kijken?”

“Neen! Ik ben vandaag mijn eigen baas. Maar wat zou dat?”

“Wil je een knap drinkgeld verdienen?”

“Dat kan er naar zijn. Wat voor werk heb je?”

“Ga mee naar boord. Mijn knecht had het zoo druk de bierkan aangesproken, dat de kerel niet meer op zijn beenen kan staan. Ik voorzie, dat we braaf van langs zullen krijgen uit die bui. Daarom wou ik graag iemand mee hebben. Anders sta ik moederziel alleen”.

“Top!”, zegt Claes “vooruit dan!”

Tusschen gang en draf loopt hij met den ander, die zich door zijn tongval als een Hollander heeft doen kennen, naar het Bruggehoofd.

Een der aanwezige bootschuivers wordt aangeroepen en tien minuten later staat Claes aan boord van een Alkmaarder kaag.

“Heb je hier niet een oliepak van je knecht liggen?,ik heb zoo half en half mijn Zondagsche tuigage aan en heb er weinig mee op om die door regen of zeewater te laten bederven”.

“Wacht, ik zal wel wat voor je opschommelen”, zegt de Hollandsche schipper. Hij gaat in het vooronder en gooit na eenig zoeken een oliebroek en dito pijjekker op de plecht.

“Al klaar,hoor!”

Met verkleeden is Claes spoedig gereed en dat goed ook.

Iets als witte rook komt over de zee snel nader, vooraf gegan door een ruischen en razen, een snuiven en grommen, geschikt om iemand de schrik om`t hart te doen slaan.

Sissend bliksemd het weerlicht, onmiddellijk gevolgd door een krakende slag. En stil, huiveringwekkend stil is het nu opeens weer daarboven. Doch beneden zwellen het ruischen en razen aan tot een vervaarlijk geluid, een geluid als van “vele wateren”,wen zij kokend en schuimend zich werpen tusschen de klippen. Weer bliksemlicht en donderslagen, dan eensklaps het vallen van enkele groote, lauwe regendroppels, die kletterend en spattend neerploffen op`t dek en daarna……..

“Hoemmm!…..Ssszzzz”. Een wervelwind, vergezeld van een plasregen die door zijn hevigheid aan een wolkbreuk doet denken, huilt verschrikkelijk door het want, slaat zich bulderend door een halfopen-liggend luik in de holte van het laadruim, doch het daar te benauwd vindend, slingert hij met reuzenkracht een viertal luiken de lucht in die een twintigtal passen verder in zee terecht komen.

De schipper en Claes worden bij dezen onverwacht hevigen aanval bleek van schrik. Onwillekeurig, met ingeschapen zucht tot zelfbehoud, laten zij zich plat op het dek vallen, de handen vast klemmend aan het boord.

Een geluk, dat zij zich aan de loefkant bevinden. Want hadden zij een der weggeslagen luiken tegen het lichaam gekregen, dan waren zij ontwijvelbaar zeker mee te water gegaan. Eenige oogenblikken blijven beiden bewegenloos liggen. De regen stort in dikke stralen op hen neer, de stormvlagen bulderen hen om de  ooren, de bliksem verblindt hen de oogen en het knetterend knallen van den donder verdooft hen`t gehoor.

Sterker dan ooit tevoren grijpt hen het gevoel van volslagen machteloosheid aan. En dit gevoel doet hen uit hun liggende houding oprijzen, de knieën onder zich op`t dek gebogen, smeeken zij den Almachtigen God, den Beheerscher van den storm, den Koning des donders, om levensbehoud. En daarna- door het gebed bedaarder en kalmer geworden- beginnen zij aan den veiligheid van het schip te denken.

“De kabel moet tot aan het eind uitgevierd worden, anders duurt het te kort, of we gaan daarginds tegen de palen te land”, zegt de schipper.

Op handen en voeten naar voren kruipend, om niet met de rukwinden mee overboord gesleurd te worden, bereiken zij het voorschip, halen den vollen kabel aan dek en laten die uiterst behoedzaam en voorzichtig schieten.

De wind is ongeveer west, het zeewater wordt met razend geweld naar lager wal gestuurd. De waterspiegel rijst van minuut tot minuut, de zeegang(3) wordt van oogenblik tot oogenblik zwaarder. De onbeladen kaag hobbelt weldra danig op en neer, of haalt, wanneer zij bij`t over- en weer gieren min of meer dwars in de zeekant, geducht naar bak- en stuurboord over. Hoe de andere schepen het maken, daarvan is weinig te zien, want de onverpoosd neerstroomende regen maakt, dat men niet verder dan een honderd ellen van zich af iets kan onderscheiden.

“Knap!”- daar breekt wat. Het boord, waarin het ankerspil met zijn uiteinden kan ronddraaien is tegen de geweldige rukken van het op- en neer vliegende schip niet langer bestand. Het houtwerk scheurt en splijt vaneen, het spil wordt van zijn plaats gerukt, tot tegen de steven, de pallen lichten uit haar inkeepingen, het spil vliegt eenige malen snel rond, de windingen van den kabel lopen af…

“O, God! Nu is het met ons gedaan!”roepen de twee mannen. Ontzet staart de een de ander aan. Ontzet, doch slechts voor een oogenblik.

“Haal een stuk fok bij!”schreeuwt de schipper.

Dan, aanstonds met groote sprongen naar`t achterschip vliegend, grijpt hij den slingerende helmstok, en de tanden vast opeengeklemd, brengt hij met een paar wanhoopige rukken het roer te loevert.

Tegelijkertijd heeft Claes den op den steven vastgebonden fok losgemaakt, den schoot aangeslagen en haalt daarmee het slaande en klapperende zeildoek met alle macht naar boven.

Tevergeefs beproeven de hevige rukwinden het sterke weefsel vaneen te rijten en als dat niet lukt, vallen zij er met zulke kracht tegenaan, dat de kaag bijna opzij gesmeten wordt. Doch het schip richt zich weer op, door den drang van`t roer zwaait het enkele streken van den wind af en nu, voortgezweept door`t noodweer, holt het weg te midden van bliksemlicht en stormgeloei, in dollen vaart.

Zodra Claes het fokkeval(4) heeft vastgezet, komt hij naar achteren, want hij ziet, dat de schipper ternauwernood het roer kan meester blijven. Zonder te spreken grijpt hij mee aan en met vereende krachten gelukt het hen het schip recht te houden.

“Als de wind niet gaat ruimen(5), kunnen wij wel uit den wal blijven en dan, als`t weer voor dien  tijd niet bedaard, den IJselmond binnenloopen”, zegt Claes na een poos.

“Ik hoop altijd nog, dat het gauw zal opknappen.`t Is een onweersbui”, antwoord de schipper.

Het eerste halfuur echter komt er weinig verandering. Alleen neemt de hevigheid van de regen geleidelijk af, en schijnt de kracht van het onweer te breken. Wel flitst en rommelt het nog gestadig door de lucht, maar minder krachtig dan in`t begin. Zij zullen zoo ongeveer een goed uur onder zeil geweest zijn, als in het noord-westen de lucht vrij plotseling doorlicht.

“Nu geloof ik, dat het handzamer(6) zal worden”, merkt de schipper op.

“Te loever het roer. We liggen te dicht bij den wind”, zegt Claes. En als om zijn woorden kracht bij te zetten, begint de fokkeschoot te slaan.

Meteen worden de rukwinden weer heviger. Het schuim strijken zij van de toppen der golven, nemen het mee de lucht in en slingeren het de beiden mannen in`t gezicht. De kaag steekt den kop op tot aan de kluisborden in de zeeën en het buiswater(7) wordt tot halverhoogte van de mast geworpen.

“Nu is het mis”, zegt de schipper.”De wind is bot noord-west en we zitten vlak op den lagerwal.

“En als we meer zeil bijzetten, waaien we ondersteboven, anders konden we proberen om in den wind op te laveeren, tot we de ruimte kregen”, herneemt Claes.

“Geen denken aan!- waar zijn we eigenlijk?”vraagt de schipper.

“Ginder achteruit in lij zie je een stuk of wat huizen staan. Kijk achter die hooge boomen. Dat is Hoophuizen. We zullen ongeveer halfweg Elburg zijn”.

“Hoe is de wal daar?”

“Bij Hoophuizen en nog een eind verder naar Elburg toe, heb een laag, schuin oploopend strand, uit zeezand bestaande. Op de hoogte, waarop we nu zijn, is het strand laag en vlak. Daar loopt het grasland tot aan de zee”.

“We zullen zien, dat het niet meer gaat, stuur ik recht voor de wind en laat het schip op het weiland loopen. Msschien brengen we het er dan nog zonder groote averij af”.

Om niet dadelijk de wal in te loopen, moeten ze nu bij den wind houden, wat met den blooten fok moeielijk gaat. Gedurig zwaait de kaag met den kop van den zee en zoo naderen zij langzaam maar zeker, al meer en meer het strand. Na verloop van een kwartier zegt de schipper dan ook: We moeten het opgeven. We verliezen van minuut tot minuut. Te loever het roer!

Het schip zwaait snel over en gaat nu recht op den kust aan, die niet meer dan een kwartier afstands verwijdert is.

De golven, als dol van plezier, nu zij den kamp gewonnen hebben, rollen als razenden het vaartuig achterna, halen het in en springen schuimend en brullend bij den achtersteven op, storten zich over het boord en zetten de mannen bij`t roer telkens tot de knieën in`t water.

“Ga jij even naar voren, Claes en laat de fok wat zakken. We zullen toch genoeg gang hebben, als we tegen de grond loopen”.

Claes laat het roer los en zich vastgrijpende, nu aan het boord, dan aan het touwwerk, bereikt hij den mast,gooit het fokkeval los en laat de fok niet verder dan een mastlengte bij staan.

“Zet zoo maar vast”, roept de schipper,”en kom dan weer hier, want het begint mooi op te droogen(8). Ik kan`t schip haast niet langer regeeren”.

Nog een paar minuten en de kaag schuurt over het grasland, de vaart vermindert en dan ineens-“bom!” Met een schok ligt het schip stil. Het zit zoo vast als een muur.

“We zijn er”,zegt de schipper.”Wie zou dat een uur of drie geleden gedacht hebben!”

XXXXXXXX

Verklaring der diverse woorden.

  1. Reeds in 1316 verleende Erick,Koning van Denemarken, aan de Harderwijckers vele vrijheden.
  2. Langs een groot deel der Veluwsche kust ligt een strook harde zandgrond,hier breed, daar smal.
  3. De golfslag, de deining
  4. Touw, waarmee het fokkezeil opgeheschen wordt.
  5. Van het westen naar`t noorden loopen.
  6. Minder onstuimig.
  7. Water dat over de boeg vliegt.
  8. De diepte van het water neemt snel af.
Dit bericht was geplaatst in Claes van Ermel.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *