Hoofdstuk 6 De Schout van`t ampt Dornspijck

De Schout van`t ampt Dornspijck.

Den volgenden dag tegen het middaguur ankert een vischschuit van Hoophuizen in de nabijheid van de gestrande kaag, met volk en gereedschap om het schip weer vlot te brengen.

In den voornacht is n.l. het weer bedaard en zoodra de dag aanbrak, stapte Claes van boord, met last van den schipper om voor geld en goede woorden een der Hoophuizer visschers(1) aan te nemen naar Harderwijck te zeilen om vandaar een schuitemaker met de noodige gezellen en werktuigen te halen.

Bij het van boord gaan bood de schipper Claes het beloofde drinkgeld, doch deze bedankte er voor. “Je zult buiten dit al genoeg te betalen krijgen”, zei hij. “`t Zou me lelijk staan, als ik in dit geval, nu je er zoo ongelukkig bent afgekomen, geld van je aan te nemen”.

“Bedankt dan voor je hulp en edelmoedigheid! Ik hoop je later nog eens te kunnen bewijzen, dat een Hollander ontvangen diensten niet vergeet”.

Dadelijk na aankomst van de schuit worden toebereidselen gemaakt om het gestrande vaartuig af te brengen. Het zit nu het water weer tot gewoone dagelijksche getijhoogte is gedaald, een vijfentwintig schreden van de waterlijn in het zachtglooiende oeverland. Door de beweging, die het maakte, zoolang de storm aanhield en de golven er tegen liepen, heeft het een heele holte in den zandige bodem uitgeschuurd en daar men er slecht kans toe ziet, het daar uit te krijgen, wordt besloten, bij het achterschip te beginnen, een geul naar het water te maken en dan te beproeven over een bed van planken en met hulp van rollen, het zware gevaarte van zijn plaats te krijgen.

Een paar mannen worden weggestuurd om bij de boeren, die meer landinwaartsch,hier en daar verspreid wonen, enkele schoppen te gaan vragen, daar men anders niet met het graafwerk kan beginnen.

Na verloop van een uur ongeveer komen deze terug, een zestal schoppen meebrengende. Aanstonds gaat men nu met moed aan het werk. Bijflink doorwerken, kunnen zij in een paar uur met de geul wel klaarkomen.

Doch zij hebben buiten den waard gerekend, die, als zij zoowat tot de helft gevorderd zijn, in de gedaante van Barent Trevissen, Schout in`t “Ampt van Dornspijck”, hen lelijk in hun bezigheden komt storen.

Vergezeld van een tiental pootige kerels, die hij hier en daar onderweg aantrof en gelast heeft hem te volgen, komt hij den schipper vrij ruw en barsch aan boord vallen.

“Wie geeft jullui het recht hier in`t oever te graven? Dadelijk ophouden, hoor! En je steekt geen schop meer in den grond, begrepen”.

De schipper, die wel weet, dat verzet in`t geheel niet geraden is en dat”zoete broodjes bakken”het verstandigste is, wat hij kan doen, treedt vooruit en zegt beleefd:”Och, wees een weinig inschikkelijk, mijnheer de Schout. Ik wil graag aan den eigenaar van den grond de schade vergoeden. Maar U ziet wel, dat we niet anders kunnen. Als er geen geul gegraven wordt, krijgen we met geen mogelijkheid het schip uit de diepte”.

“Best zoo! `t moet er ook niet uit. Ik, Schout van Dornspijck, verbied je op poene van geldboete en gevangenneming, verder een hand uit te steken tot het vlotmaken van het schip, vóór en aleer daarvoor een bergloon van zestien gulden aan mij is uitbetaald”.

“Zestien gulden! Maar mijnheer Schout, als ik zooveel moet betalen, ben ik heelemaal ongelukkig. Heb toch een weinig meedelijden, mijnheer de Schout(2)”.

“Medelijden? Dat woord past niet bij deze zaak, schippertje. Aan het recht moet voldaan worden, daar is niets aan te veranderen. In de “Zeerechten” des Scholts-amps staat vermeld”Dat den Scholtus geholden sal sijn die geberghte goeden ( goederen) uit die aangebracht ofte op stranden gevonden, hetsij wat het wese, so verre het berchlick ofte weerdich om te bergen wees, een jaar en dach sal moeten bergen of onderholden, alles voor behoorlick berchloon”.

“Maar, mijnheer de Schout, Mag ik de stoutheid nemen, U op te merken, dat wat U daar aanhaald, betrekking heeft oponbeheerd aangedreven goederen. En toen mijn schip hier op den wal liep, was ik zelf aan boord,zoodat het niet als onbeheerd beschouwd kan worden”.

“Doet er niets toe. Je schip zit op`t strand en ik beschouw het bijgevolg eenvoudig als strandgoed. Met je spitsvondigheden heb ik  niemandal te maken. Ik vraag je nog eens, kot en duidelijk “Ben je bereid de zestien gulden te betalen, ja of neen?”

“Maar beste mijnheer, al zou U mij ook onmiddellijk laten hangen, dan kan ik toch die som niet betalen. Zooveel geld heb ik niet aan boord”.

“Dan is de zaak beslist, het schip komt hier niet vandaan”.

“Och, mijnheer de Schout, heb toch erbarmen! Ik ben een man, die hard moet tobben om een eerlijk stuk brood te verdienen. Was dit ongeluk niet gebeurd, dan was ik morgen naar Holland vertrokken, om weer een vracht voor Harderwijck in te nemen. Als ik niet vaar, staan de verdiensten stil en waarvan moet ik met vrouw en kinderen dan leven?”

“Ja, dat is jouw zaak. En de mijne is, dat ik de verplichtingen die mijn ambt mij heeft opgelegd, nakom”.

Ziende, dat al zijn pogingen om het gemoed van den Schout weeker te stemmen, mislukken, stijgt den schipper tenslotte`t bloed naar`t hoofd en driftig, zonder te denken aan de mogelijke gevolgen, plaatst hij zich vierkant voor den man van`t gezag en hem met fonkelende oogen aanziende, roept hij uit:

“Verplichtingen?- wat verplichtingen?U praat van verplichtingen die er niet zijn. Is`t al niet erg genoeg, dat mijn schip op den wal gezet is en wie weet, welke lekkage het heeft bekoomen? Moet ik nu ook bergloon betalen op de koop toe, voor iets, waarnaar door U mannen, een hand tot berging is uitgestoken?”

Woedend over deze verregaande brutaliteit bulderd de Schout den Hollander teo:

“Kerel, wees voorzichtig! Als ge het waagt, nog eenmaal aldus tegen de vertegenwoordiger van den Landvorst, onzen Hertog, op te treden, zal ik je het voorgoed afleeren”.

“En als U aanhoud, met van mij te eischen, wat U rechtmatig niet toekomt, dan zal ik U verklagen bij onzen Landsheer, den Heer van Egmond. Dan zal deze hoop ik, aan U Landsvorst, zijn broeder, wel eens meededelen, hoe een van dienaren met wet en recht durft omspringen. Dan, mijnheer de Schout, zou`t wel kunnen zijn, dat U van al Uwe verplichtingenontslagen werd”.

“Wat gaat mij jouw Heer van Egmond aan! Of dacht je, dat wij, vrije Gelderschelui, ons de wet zullen laten stellen door een Heer van Egmond? Nog door geen tien, schippertje! Mannen, houd je gereed. Als die kerel nog een keer zoo onbeschaamd durft optreden, dan aangepakt, hoor! We zullen hem dan op een plaatsje brengen, waar hij wel een toontje lager zal leeren zingen”.

De Harderwijckers hebben tot nog toe zwijgend den woordentwist aangehoord. Maar nu treedt den schuitemakersbaas den schipper terzijde en hem met den elleboog aanstootende, zegt hij:

“Maak geen woorden meer vuil, schippertje! Ga je beklag indienen bij onzen Magistraat. Het is haar niet onverschillig, hoe er met vreemde luyden, die met haar burgers handel en koopmanschap drijven, wordt gehandeld”.

“Ga je gang hoor! De Magistraat zal wel wijzer zijn, en zich niet met een andermans zaken te bemoeien. In elk geval geef ik geen verlof tot het afbrengen van1t schip vóór ik zekerheid heb omtrent de geeischte som. En om gewaarborgd te zijn, dat jelui niet bij nacht en ontij de kaag te water brengt om er dan stilletjes tusschenuit te trekken, zal ik er een paar man bij plaatsen om zoowel`s daags als `s nachts wacht te houden”.

“Laten we onze gereedschappen dan maar weer in de schuit brengen en naar huis terugkeeren”, zegt de scheepmaker tegen zijn gezellen. En dadelijk beginnen deze daarmee.

“Mijnheer de Schout”, begint de schipper opnieuw,”U plaatst dus een wacht bij het schip, om ons te beletten, het zonder Uwe toestemming in zee te werken?”

“Ja zeker”.

“Goed, maar dan draagt die wacht, of liever U, ook de verantwoordelijkheid, wanneer bij mijn afwezigheid iets van de inventaris mocht weggekaapt worden. Want U brengt mij in de noodzakelijkheid mijn bodem te verlaten, om elders op de een of andere manier mij de middelen te verschaffen,waardoor ik mij weer in`t bezit van mijn eigendommen kan verzekeren”.

“Ik sta er borg voor, dat er niets zal gestolen of geroofd worden. Zooveel respect hebben onze Dornspijckers wel voor hun Schout, dat zij dat niet zullen ondernemen”.

De schipper vertrok hierop met het werkvolk naar Harderwijck en vervoegde zich den volgende morgen dadelijk ten Raadhuize, waar hij aan Burgermesters en Schepenen de zaak uiteen zette. Deze vonden het niet aangenaam dat een schipper, die geregeld hun Reede bezocht, zulke onheusche behandeling had ondervonden. En al was hun feitelijk daarvan geen verwijt te maken, toch vreesden zij heimelijk, dat deze zaak de handel en de scheepvaart op hun stad geen goed zou doen, dewijl allicht de vreemde schippers en kooplieden min of meer huiverig zouden worden, om zich te begeven naar een plaats, waar zij in geval van een ongeluk, op zoo weinig toeschietelijkheid rekenen konden.

Daarom zeker in de eerste plaats, besloten zij hun best te doen voor den Hollandschen schipper, al willen we graag geloven dat ook medelijden hen tot handelen aanzette.

Een drietal schepenen werden aangewezen, om daags daarna zich naar Schout Trevissen te begeven, teneinde deze te overreden, om den arme schipper zonder betaling van bergloon weer in`t bezit van zijn vaartuig te stellen. Doch hoe zij ook praatten, de Schout bleef bij zijn eisch en zij keerden onverrichtterzake naar Harderwijck terug.

Toen werd besloten, dat de stad zich borg zoude stellen voor de betaling van de zestien gulden. Met deze schikking nam de Schout genoegen en zoo kon een week later de schipper met het noodige werkvolk naar Dornspijck terugkeeren, om zijn scheepje weer zeilwaardig te maken. Maar of hij later uit eigen middelen zijn verplichtingen tegenover den Schout heeft kunnen nakomen, dan wel of de stad dat voor hem heeft gedaan, vermeld de historie niet. `t Doet weinig terzake. Het meegedeelde is voldoende om te begrijpen, dat in dien ouden tijd het levenspad van den gewonen burger zoowel als van de regeeringspersonen met velerlei hindernissen was bezet en dat het hoogst moeielijk, jazelfs vrijwel onmogelijk was, de talrijke voetangels en klemmen, uitgezet door het eigen belang of den naijver van lastige en listige meede dingers, mis te stappen.

XXXXXXXXXX

Verklaring der diverse woorden.

  1. Het gehucht Hoophuizen werd hoofdzakelijk door visserschs bewoond.
  2. Wanneer men in aanmerking neemt, dat b.v. een koe in dien tijd met vijf gulden betaald werd, dan is zestien gulden werkelijk een heele som.
Dit bericht was geplaatst in Claes van Ermel.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *