Hoofdstuk 7 Harderwijckers en Naerders.

 

 

Harderwijckers en Naerders.

 

Weer zijn een paar jaar voorbij gegaan. We schrijven Januari 1442.`t Is mooi winterweer. Gedurende de tweede helft van December en de eerste dagen van het nieuwe jaar is het vorstig geweest. Echter niet zoo, dat de Zuiderzee over het grootste gedeelte van haar oppervlakte met ijs werd bedekt. Alleen langs de kusten strekte zich een streek uit van afwisselende breedte.

Thans, nu het een veertien dagen dooi is gewest, ontmoet men nergens meer ijs. De visscherij en de scheepvaart zijn dan ook alweer eenigen tijd aan de gang.

Vandaag waait er een voor den tijd van`t jaar zoele zuid-westen wind. De lucht is helder en onbewolkt en het winterzonnetje is erg aangenaam na de vele mistige en regenachtige dagen, die vooraf zijn gegaan. Vroolijk schitteren haar stralen in de waterdroppels, opgeworpen door den boeg van een tusschen Enchuisen en Urk laveerend vaartuig.

Opwekkend soms en blij stemmend, dan klagend weer en zuchtend, zingt in het tuig het windelied. Opwekkend ruischt de zang hoog boven`t hoofd van den jonkman aan`t roer, als hij met zijn gedachten verwijlt in de toekomst, waar hem zijn energieke, ondernemende geest heerlijke visioenen voor oogen toovert en hij de feest disch levens, rijk voorzien en wel toebereid, voor zich ziet aangericht.

Klagend en zuchtend een wijle later, klinkt het windgeluid den enzame in`t oor, die, ouderloos op vijf-jarigen leeftijd, werd uitgestotenn uit armelijke, maar toch zoo warme en zonnige ouderwoning, in de wijde menschenwereld, waar liefdelosheid met heur verschillende adem het jonge hartje huiverend deed inkrimpen. Klagend en zuchtend mee het jonge hart van den jongeling, als hij mijmert en droomt en drooment en mijmerend den druk voelt van een vaderhand en kloppen hoort den slag van een warm moederhart.

Klagend en zuchtend vaart door het tuig`t windelied, uitschreiend het wee eener mishandelde kinderziel….

Dan- als een kind, dat midden in zijn schreien om iets vroolijks denkend, het begint uit te gieren van`t lachen, met de tranen nog op de wangen- hoor, daar neuriet de wind een luchtig wijsje. En weg, als bezworen door de roede van een machtige toovenaar, zijn op eenmaal de droevige herinneringen uit den gedachten van den jeugdigen roerganger.`t Verleden zinkt weg en hij ziet een toekomstbeeld vol gratie en schoonheid, hem wenkend en toelachend.

“Wat voorbij is, is voorbij. Waarom het dan telkens nagestaard? Vooruit in`t leven, vooruit! Als ik maar eerst een eigen bodem onder de voeten heb! Dan zal ik varen….varen”.

“Hoe is`t Claes, kan je Harderwijck haast zien?”

“Nog niet, schipper!”antwoord Claes van Ermel.” `t Vordert niet erg, want er loopt een sterke ebbe. Als straks de vloed intreedt zal`t wel beter gaan”.

“Ik denk`t ook. Maar ga nu gauw naar beneden, want anders wordt je pannekoek koud”.

“Alsjeblieft, schipper, Ik zal er wel gauw voor zorgen dat ze niet koud worden. Ik heb geducht trek”.

“Nou, als je ze allemaal opeet,die er zijn, ben je een kerel, hoor. Je kameraad zal wel haast de lading krijgen, hij was al met z’n zesden bezig”.

Onderwijl Claes in het vooronder zich aan de spekpannekoek te goed doet, willen we even vertellen, dat hij na de stranding van het Egmondsche schip bij Dornspyck, nog een jaar lang in dienst bleef bij Wessel Jansz en met dezen verscheidene reizen deed naar Hamburg, Embden en de Oostzee.

Daar hij als tweede knecht bij Wessel geen hoog loon verdiende en begreep, dat hij, wat zijn bevarenheid betrof,heel goed als eerste knecht zou kunnen geplaatst worden, verhuurde hij zich, nu een half jaar geleden, als zoodanig bij Evert van Erck, met wien hij vroeger bij Bartolson had gevaren.

Van Erck, een schipperszoon, had het vorige jaar het schip en de zaken van zijn vader overgenomen, die het zwerven en zwalken moe, zijn laatste levensjaren rustig en stil aan de wal wenschte door te brengen, daar hij genoeg had overgespaard, om er met zijn bejaarde vrouw en een zwakke, ziekelijke dochter van te kunnen leven.

Zoo is Claes dan nu bij van Erck eerste knecht, terwijl de betrekking van tweede dito vervuld wordt door een zestig- jarige man, die vroeger jaren door zijn weinig oppassendheid van het roer tot vóór de mast gescharreld is, m.a.w. van schipper weer knecht is geworden.

Het vaartuig van van Erck is thans met een partij schelvisch van Terschelling of “der Schillinck”op de terugreis naar Harderwijck. De schipper is erg in zijn nopjes, want hij zal de eerste zijn, die dit jaar met schelvisch ter Reede komt. Hij hoopt en vertrouwd daarom,dat hij een flinke prijs voor zijn waar zal maken en een mooie winst naar zich zal toestrijken.

Komt hij vanavond of vannacht op de Reede, dan kan de schelvisch morgenochtend op den afslag gebracht worden en`t lijdt geen twijfel, of er zal als`t ware om gevochten worden. En dan,als weer en wind dienen willen, er maar weer dadelijk op uit om een tweede bezending te halen. Zoo heeft van Erck in zichzelf al zijn berekening gemaakt. Doch…de mensch wikt, God beschikt.

Eenmaal bewesten van Urk zijnde, kunnen zij wat lager houder,zoodat er niet meer gelaveerd behoeft te worden. Daarbij krijgen zij den vloed in lij, zoodat het schip met een klein knikje in den schoot(1) ruim naar Harderwijck toeligt.

“Als het niet gaat stillen, zijn we tegen het vallen van den avond nog op de ree”, zegt van Erck, die te loevert op den achterplecht staande, met vergenoegd gezicht vooruit kijkt, waar heel aan den kim, zijn vaderstad nevelig opblauwt uit de golven.

Zij varen voort, langer dan een uur nog, tot binnen Elburg. Westwaarts van hen komt een klein vaartuig met wijdgevierde schoten, vlak voor den wind snel nader jagen.`t Duurt niet lang of van Erck en zijn knechts kunnen de bemanning op`t dek reeds onderscheiden.

“Nu, daar is veel volk aan boord”, merkt de schipper op.

“Wat voor sinjeur zou dat zijn? Lading is er niet aan boord want de romp ligt boven op`t water”, zegt de oude Arent.

“Kan me weinig schelen”, antwoord van Erck.

“Ik heb er schik van, dat we zoo voort loopen”.

“Kijk,`t is net of ze ons de pas willen afsnijden. Ze loeven wat op, precies of ze vóór ons willen overlopen”, herneemt Arent, nadat hij enkele minuten het vreemde vaartuig aandachtig gevolgd heeft.

“Nu als ze dat willen, laten ze dan hun gang gaan. Hé, daar hijschen ze een vlag….De Leeuw van Holland, met het wapen van Naerden in den bovenhoek”, vult Arent aan.

“Ze willen ons vast aan boord klampen. Als ze maar geen kwaad in hun schild voeren”.

“Ben je dwaas, wat hebben wij met die van Neerden uit te staan”, meent de schipper.

“Nou je weet toch ook wel, dat ze er alles behalve tevreden over zijn, dat onze stad het stapelrecht en den afslag van denvisch aan zich heeft weten te trekken?”

“Zeker, maar daarom behoef je je niet aanstonds benauwd te maken, voor het eerste Neerdensch schip het beste!”

“Bij St. Joris(2) schipper. Ik zeg dat die snuiters het op ons gemunt hebben. Zie, ze houden al meer en meer naar ons toe”.

Van Erck, die zulks evengoed als zijn oude knecht, begint het zaakje nu toch ook wel een beetje verdacht te vinden.

“Als`t mij te doen stond,schipper!”zegt Claes, die tot nog toe zwijgend het roer heeft gehouden,”dan zette ik zooveel zeil bij als`t schip dragen kan. Misschien dat we onze buurman ontzeilen konden”.

“Laat los dan het roer. Ga naar voren en zet het groote jaagzeil op de spriet”.

In een wip is Claes op de voorplecht, waar oude Arent die niet zoo vlug meer te been is, hem spoedig volgt. Weldra is het aangeduide stuk zeil uit het vooronder naar boven gebracht en in een ommezien hijschen de beide knechts het golvend en klapperend omhoog.

De schoot wordt vastgezet, het doek staat bol gespannen door de winddruk en het vaartuig neigt zich naar lij over, zoodat het snel langszijde vlietende water telkens klotsend het gangboord binnenkomt.

Nauwelijks heeft men op het andere schip den toeleg van den Harderwijckers gezien, of aan bak- en stuurboord worden een viertal groote riemen uitgebracht, die door zestien paar armen met kracht bewogen, aan het lichte, ongeladen vaartuig een snelheid geven, grooter dan de kaag van van Erck, ondanks zijn dracht van zeilen, kan bereiken.

De afstand tusschen beide schepen wordt zienderoogen kleiner.

“We moeten het verliezen”,zegt Claes.”Tegen de kracht van zeilen en riemen zijn we niet opgewassen. Doch als de Neerders het alleen op hun zeilen moesten laten aankomen, zouden ze een kwaaie aan ons kaagje hebben”.

“Ja, de schuit zeilt goed. En ze ligt vast ook”, verzekert van Erck met zekere trots.

De mannen van Naarden weeren zich intussen wat ze kunnen. Regelmatig rijzen en dalen de riemen, welke beweging begeleidt wordt door het zingen van een soort strijdlied:

“Van allen plaets op eerden

Gebendijd(3) ons Neerden,

Die stad, ghebout aan Flevo`s meir,

Vermaert alle eeuw, door maght en eer!

Voor ons aeloude Neerden,

Wi wetten onse sweerden!”

 

 

“Voor d`eer der Goysche stede

Wilt trecken mit ons mede!

De naebeur op sijn luymen leit

Ter onser schae en selfs profijt,

Daer hi van ons oud Neerden

Di zeevisch-neringh keerde(n)”.(4)

 

“Hoor die Gooische bekkensnijders(5) eens brullen”, roept van Erck.

“Ja, zoo kunnen ze gerust hun hoogste lied zingen. Tien man tegen één!`k Wou wat geven, als de partijen wat minder gelijk waren!”

Nou, hé Claes? Daar zullen de Yedammers nog wel heugenis van hebben!”

“Ik heb er tenminste verscheidene danig op hun baatje gegeven”.

“Ik ook, dat verzeker ik je. Jammer maar….hè, onze buren wenschen zeker een praatje te houden, wat roepen ze?”

“Ik weet het niet schipper! Heb jij`t soms verstaan Arent?”

“Hoe zou ik? Ik ben immers wat hardhoorend?”

“Wacht, daar beginnen ze weer….”

“Strijken en bijdraaien!”klinkt het thans duidelijk verstaanbaar. Schipper van Erck staat een oogenblik besluitenloos.

“Daar blijft geen keus, schipper!”zegt de oude Arent.

“Strijken we, dan zijn we binnen enkele oogenblikken in hun macht en strijken we niet, dan zal`t misschien nog een kwartier duren, maar stellig ook niet langer. Aan tegenstand bieden behoeven we heelemaal niet te denken. Kijk eens, ze zijn zeker een veertig man sterk”.

“Loop naar voren!”kommandeert van Erck,”ik zal~t schip op den wind laten loopen en dan neer de boel!”

`t Geschiedt en eventjes later schiet de kaper langszij van de kaag. Een paar enterhaken worden uitgeworpen en in een ommezien ligen de beiden schepen boord aan boord.

Aanstonds springen een twintigtal Naardenaars over en een van hen, die blijkbaar wat meer in de melk heeft te brokken dan de anderen, loopt op den ouden Arent toe en zegt spottend:

“Ziezoo, schippertje! Je zet vanavond te Harderwijck geen voet aan wal. Ik neem schip en lading in beslag en je gaat mee naar Neerden”.

“Als je het tegen de schipper hebt, moet je bij mij zijn”, zegt van Erck, terwijl hij zich voor den Naardernaar plaatst.

“Ook al goed”, hernieuwt deze,”dus je hebt gehoord, hoe de zaken er bij staan?”

“Dat heb ik, en tot mijn spijt zal ik er mij in moeten schikken. Tegen overmacht is niets te beginnen. Maar met welk recht durf je zoo te handelen?”

“Met welk recht durft Harderwijck onze stad van een groot deel van haar winst, verkregen door den handel in zeevisch, te berooven?”

“ Met het recht, haar verleend bij handvest van onzen Hertog Arnold, waarbij alle visch, gevangen tusschen Muyden en Campen, te Hardewijck moet worden aangebracht”.

“Alsof de schelvisch, die je aan bord hebt, tusschen die twee plaatsen is gevangen! En buiten dat, wat hebben wij met jullie Hertog Arnold te maken! Wij mannen van Neerden, houden vast aan ons recht, hetwelk wil, dat alle visch, in Holland gevangen, nergens mag landen tusschen Muyden en Campen dan te Neerden, en dat ook van geen andere plaatsen visch mag gehaald worden. Maar jullie, met je Hertog Arnold, wilt alles voor je alleen hebben en je doet net alsof de heele wereld enkel enalleen gemaakt is ten profijt van dat vermaledijde(6) Harderwijck. Je hebt ons met je mooie handvesten al scha genoeg toegebracht.`t Is zaak, dat wij proberen, die weer op jullie te verhalen”.

“En ik zeg, dat je gauwdieven en zeeschuimers bent!`t Is wat moois een weerloos en eerzaam koopman et overmacht op`t lijf te vallen en hem zijn eigendom te ontnemen!”schreeuwt van Erck, door zijn drift alle voorzichtigheid uit het oog verliezende. Zijn opvliegendheid komt hem dan ook duur te staan.

“Grijp hem vast, mannen! Bindt zijn handen en voeten en smijt hem in`t scheepshol!”beveelt de aanvoeder.

Terstonds springen een vijftal pootige gasten op den schuimbekkende schipper toe.

Maar in`t zelfde oogenblik grijpt Claes een stuk hout van`t dek en zich voor den schipper stellende,zwaait hij daarmee woest in`t rond, terwijl hij tusschen de opeen geklemde tanden den vijanden toesist:

“Blijf met je handen van den schipper af!”

“Ha! Kijkt hem eens! Zoo`n melkbaard!”

“Pakt hem aan mannen!”grijnslacht het bendehoofd.

Door dezen spot en hoon tot het uiterste gebracht, stort den jonkman zich met een woeste sprong op zij tegenstanders, die, verbijsterd door dezen onverwachten uitval, opzij vliegen. De knuppelslag mist zijn doelen komt dreunend op het dek terecht.

En onmiddellijk voelt Claes zich in de rug aangegrepen door een zestal handen en in`t volgende oogenblik ligt hij machteloos op het dek te spartelen.

“Gooit hem overboord!”, klinkt weer de stem van den hoofdman. IJlings wordt de ongelukkige jonkman, ondanks zijn heftig tegenstreven, opgenomen en met een vaart jonast men hem pardoes te water.

“Ziezoo, dien hebben we voorgoed zijn grappenmakerij afgeleerd. Bindt nu de twee anderen en bergt ze een poosje op”.

Zonder zich nu verder een oogenblik om hun overboord geworpen slachtoffer te bekommeren, knevelen de ruwe gasten den schipper en de oude Arent en laten hen in het ruim tusschen de vaten en manden met Schelvisch neer. Daar hebben zij de tijd om van de schrik te bekomen of aan hun verkropte woede lucht te geven.

Claes is ondertusschen kort na zijn onderplompen boven water gekomen, dicht bij het achterschip. Het ijskoude bad heeft bedarend en kalmeerend op zijn zenuwen gewerkt zoodat hij weer goed zijn vermogens bij elkaar heeft en de zucht tot zelfbehoud elke aandoening overheerst. Op een paar armlengten afstands bungelt het touw, waarmee de scheepsboot aan`t vaartuig bevestigd is, heen en weder. In een drietal slagen heeft hij dit bereikt en vast gegrepen.

Claes van Ermel 1

Snel tot handelen besloten, tast hij met den vrijen hand naar zijn broekzak, waarin zich`t scherpe mes bevindt. Hij rukt het uit de schede en…rits!- is het tamelijke dikke touw door gesneden. Nu, met den eenen arm zwemmende en met den anderen de boot voortduwende, tracht hij zoo gauw mogelijk buiten het bereik van zijn beulen te koomen. Is hij zoover, dan zal hij zich wel in de sloep weten te werken en dan op Gods genade maar voortgedreven.

Doch hij is nog drie bootslengte weg, of een Naardenaar krijgt hem in`t oog.

“Hei, mannen! Sta bij! Daar gaat de schelm, die wij te water hebben gegooid, er met de boot vandoor!”

Op dit geschreeuw snellen een aantal van zijn medegezellen toe en zien vloekend en krijschend de vluchteling na. Met stokken of haken kunnen zij hem niet meer bereiken.

“Gooit hem dood!”schreeuwt er een.

Daar suizen opeens een aantal projectielen door de lucht, een paar bijlen, blokken hout, een stuk ijzer, enkele werpspezen,- tevergeefs! `t Gelukt hun niet den zwemmer te treffen.

“Laat hem maar schieten! Eer hij den wal te pakken krijgt, is de boot denkelijk wel ondersteboven geworpen of anders zal hij van koude uitputting er wel het hachje bij ingeschoten hebben. We keeren met den buit naar huis terug.

“Alloh!- jij en jij- de aanvoerder wijst een tiental mannen aan,- jullie blijft bij me op de kaag. De anderen gaan op ons schip over. En vlug de zeilen bijgezet, dan zijn we vóór morgenochtend weer te Neerden.

XXXXXXXXX

Verklaring der diverse woorden:

  1. Een knikje in den schoot = de schoot een weinig gevierd.
  2. Sint Joris was de patroon van de schippers en kooplui.
  3. Gebendijd = Gezegend
  4. Keerde = Belemmerde, tegenhield.
  5. Van ouds waren de Gooilanders berucht door vechtpartijen met messen.
  6. Vermaledijde = Verwenschte, vervloekte.
  7. Axt = Strijdbijl.

 

Dit bericht was geplaatst in Claes van Ermel.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *