Hoofdstuk 8 De herwonnen buit

 

 

 

Hoofdstuk 8

De herwonnen buit.

Aan den avond van den volgenden dag vertoont hetzelfde Naarderschip,dat de kaag van van Erck had opgebracht, zich op de Harderwijcker reede

Met de meeste brutaliteit maken de kapers zich meester van twee schepen, die zoopas met goeden vangst uit zee zijn teruggekeerd.

Het varensvolk aan de bruggen en op de Reede, dat in de verte deze roof aanziet, loopt te hoop op den Broeren vóór het Raadhuis waar Burgermeesters en Schepenen op het vernemen der ongeluksmare dadelijk de klok laat luiden om de burgers op de been te roepen.

Nog geen half uur is er verloopen, of een gewapende menigte van wel honderd man stormt de Bruggestraat door naar de zeekant. Daar liggen aan de brug al een tiental vischschuiten klaar om dadelijk in zee te steken.

In het westen, een eind buiten de Reede, zeilen die van Naarden met de beide prijsverklaarde vaartuigen weg.

“Als we hen maar inhalen vóór het donker wordt! Anders verliezen we hen uit het gezicht en dan is de kans verkeken”, zegt  een Harderwijcker visscher, terwijl hij zijn touwen losgooit.

“Daar is geen kwaad bij,als`t maar zoo stil blijft als nu Dan kunnen wij met riemen, boomen en haken de zeilen te hulp komen en hebben we de schelmen gauw te pakken. Dat zul je zien”, zegt een ander met overtuiging.

“Alloh ,mannen! Niet gepraat, maar gehandeld! Vooruit en gelukkige terugkomst!”roept de oudste der Burgermeesteren, die zich met het volk naar de Brug hebben begeven om getuige te zijn van de afvaart.

Op de verschillende booten en schuiten worden in allerijl de zeilen gehesen en een aantal krachtige armen hanteeren haak en boom, zoodat de vaartuigen zich met sneheid verwijderen.

Een troepje jongens, die op het einde der Brug de wegvarende schuiten naoogen, heffen aan

“Tsa Harderwijck!

“Aan helden rijck,

“Verdedigt gi Uw reghten.

“Vindt vast den doodt,

“Waer Uwe dapp~ren kneghten

“Di sege gaen beveghten”.

Bij den tweeden regel begint heel de volksmenigte mee in te stemmen. Eerst nog half ingehouden, maar weldra uit volle borst gezongen, zwellen de toonen aan tot een macht van geluid, dat rondcirkelt in steeds breeder golvingen en voortruischt, het kalme zeevlak langs, de vertrekkende dapperen achterna.`t Geluk is ditmaal de Harderwijckers gunstig. Het zwakke zuidenwindje gaat met het vallen van den avond meer en meer liggen. De zee wordt effen vlak. De zeilen doen weinig of geen dienst meer, maar des te ijveriger weren de mannen zich aan de riemen, en met boom en haak.

Het blijkt al spoedig, dat de naardenaars het in snelheid tegen hen moeten afleggen. Ongetwijfeld hebben zij over minder volk en minder riemen, boomen en haken te beschikken. Na verloop van een goed uur, met het intreden van de eerte schemering, zijn de Harderwijckers dicht achter hen in hun kielwater.

“Houdt je braaf, mannen! Roeit op! Zet voort! Zoo meteen klampen we de gauwdieven aan boord!”

Met deze en soortgelijke uitroepen trachten de Harderwijckers elkaar aan te vuren en tot het inspannen van de uiterste krachten op te wekken.

`t Blijkt thans, dat het kaperschip de twee andere op sleeptouw heeft genomen, omdat het met behulp van zijn vier paar riemen veel meer vaart kan krijgen dan de gewonen visscherschuiten, die slechts een paar haken aan boord hebben.

“Houd je klaar, jongens! Ik zal ze aan bakboord voorbij sturen. En zoo gauw als we dicht genoeg er bij zijn, springen een stuk of acht van jullie over!”beveelt de schipper van de voorste schuit aan zijn volk.

Terwijl de schipper met vaste hand vlak boven het achterste vaartuig langs houdt, plaatsen een achttal kloeke jonge kerels zich aan stuurboord, gereed om de sprong te doen. Een paar van hen zijn met strijdbijlen, de anderen met ijzeren bouten en knuppels gewapend.Zoodra zij het oogenblik gekomen achten,”huup”daar springen zij als één man over met opgeheven bijlen, staven en knuppels, vliegen zij op het zestal Naardenaars in, die zich aan boord bevinden.

Ze verdedigen zich met heldenmoed en weten, met bijlen en messen gewapend, zich de aanvallers een tijdlang van het lijf te houden. Deze tegenstand doet echter de woede der Harderwijckers gaandeweg toenemen. Al dichter en dichter dringen zij op hun vijanden in en dezen wijken voetje voor voetje achteruit. Daar krijgt een van hen met een koevoet een slag op zijn rechterarm, dat hem de bijl uit de hand wordt geslingerd. Een tweede slag treft zijn schedel, hij verliest het bewustzijn, wankelt achterover en tuimelt hals over kop in zee. Zijn neven man wordt door een goedgemikte bijlslag onschadelijk gemaakt en rolt vreeselijk gewond tegen het dek. De vier overblijvenden, ziende, dat hun weldra een zelfden lot zal treffen, laten de wapens zakken en geven zich op genade en ongenade over. Spoedig liggen zij, met de handen op den rug gebonden, beneden in`t ruim. De Harderwijckers hebben hun schip weer heroverd. En zoodra ze hiervan zekerheid hebben, richten hun blikken zich naar de andere schepen.

Daar is de strijdt nog in vollen gang.

Dadelijk, bij den aanval van het achterste schip, hebben de Naardenaars op het voorste vaartuig den sleeptros los gegooid,om vrij in hun bewegingen te zijn en als`t noodig mocht worden, schielijk te kunnen vluchten.

En nu begon ook daar een heet gevecht. Van alle zijden door de woedende Harderwijckers omringt en besprongen, wordt aan weerskanten met de meeste verbittering gevochten.

Van beide partijen krijgen verscheidenen zulke houwen en slagen, dat ze hun leven lang het gebruik van een of meer ledematen zullen moeten missen. Een drietal Naardenaars schieten er zelfs leven bij in.

Tenslotte ook hier de Harderwijckers, die trouwens in de meerderheid zijn, de overhand. Met bebloede koppen vluchten de Naardenaars in hun schip weg. Vier van hun mannen, die op het Harderwijcker schip zijn overgebleven, zien zich spoedig overweldigd.

Daar dringt een jonkman, blootshoofd, met verwarde haren, gescheurde en gehaavende kleeren en met een breede zwart gekleurde bloedstreep, die terzijde van`t voorhoofd langs de linkerwang afloopt, zich woest door den kring van strijdmakkers, die zich rondom de vier Naarders gevormd heeft. Wild springt hij op een hunner toe en hem met linkervuist in de borst grijpende, heft hij met den rechterarm zijn strijdbijl op naar`t hoofd van den overwonnen vijand.

“Ha! Nu heb ik je in mijn macht, gewetenlooze schavuit! Jongens dit is de kerel, die mij eergisteren overboord heeft laten gooien! Je hebt het zeker niet gedacht, dat ik zoo spoedig weer levend voor je zou staan?”

“Splijt hem de kop, Claes!”roept een stem.

“Laten we hem aan handen en voeten binden en dan overboord smijten!”schreeuwen de anderen. En ze strekken reeds grijpend de armen naar de van schrik verbleekten Naardenaar uit.

“Neen, dat niet!”, roept Claes van Ermel.

“Niet met je allen een weerlooze aanpakken! Ik heb op het oogenblik afrekening met hem te houden. En ik wil dat alleen doen. Kerel, waar is je wapen? Verdedig je. Ik wil in een eerlijke strijd met je kampen!”.

Maar de man,die eergisteren zooveel praats had en zonder mededogen den knecht, die zoo trouw voor zijn schipper op kwam, had willen laten verdrinken, staat nu te sidderen van vrees en durft de uitdaging niet aannemen.

“Toe dan, kerel! Hier heb je mijn axt!(7) Onze maat behandeld je beter, dan je verdiend hebt”, voegt een der Harderwijckers de Naarder toe.

Doch inplaats van het hem toegestoken wapen aan te vatten, vouwt hij opeens de handen smeekend samen en bevend roept hij uit:”Heb meelij, met mijn vier moederlooze kinderen! Als ik in het tweegevecht kom te vallen, blijven zij, zonder middelen, onverzorgd achter!”

Bij het hooren van deze woorden ziet Claes in een oogenblik de jaren zijner ouderlooze kindsheid voor zijn geestesoog, in één oogenblik tijds voelt hij weer de schrijnende pijn, door de liefdeloosheid van vreemden toegebracht aan het jonge hart, een siddering schokt hem door de ziel, de gespierde vingers omklemmen niet meer de strijdbijl en met een doffen klank valt het wapen op`t dek.

Maar onmiddellijk zich herstellende, zegt hij met vastenstem,”als de zaken zoo staan, wil ik niet met je kampen. Doch ik zou zeggen, dat het zoo goed van je gehandeld zou zijn, als je in`t vervolg maar stilletjes bij je kindertjes thuis bleef, inplaats van op rooverij uit te gaan. Dan loop je in elk geval minder kans om in de perikel te geraken. En ook mag je, als het weer eens voorkomt, wel een beetje meegevoel toonen voor een overwonnene. Want al heeft iemand geen moederlooze kinderen, die hem slecht kunnen missen, toch kan hij erg tegen den dood op zien. Ik mag lijen, dat je dit zult voelen”.

Schaamrood slaat de Naarder zijn oogen neer, zonder hierop iets te antwoorden. Maar wie zal zeggen, wat op dit oogenblik in zijn binnenste omgaat?

Er wordt nu besloten om de overwonnenen eenvoudig in het vooronder op te sluiten, om ze dan straks als gevangenen aan de stedelijke overheid uit te leveren.

Daartoe wordt het lage deurtje, dat toegang geeft tot dit verblijf geopend. De persoon, die dat doet- een grappenmaker- buigt zich vervolgens heel onderdanig voor de vier delinquenten en zegt met gemaakte deftigheid:”Willen mijn genadigde heeren nu maar de goedheid hebben ons te bewijzen van in ons nederige appartement binnen te treden? De verlichting is er wel niet heel schitterend, heeren, maar dat is niet onze schuld. Als de heeren maar een beetje voorzichtig willen zijn bij`t binnengaan, anders zouden zij mogelijk met hun hoogverheven bovendeelen in onzachte aanraking met de plechtbalken kunnen koomen. Treedt dus binnen, heeren!”

“Zeg, Sweer Tengnagel! Zou je ons er eerst niet even willen uithelpen?”vraagt onverwacht een bekende stem.

“Groote hemel, ben jij dat, Hessel Alberts? Kom eruit man! Bij mijn ziel, wij hebben temidden van al`t rumoer en getier heelemaal niet aan je gedacht”.

“Kom ons dan maar vlug even helpen. De schavuiten hebben ons alle vijf aan elkaar gebonden”.

Sweer Tengnagel, door een paar anderen gevolgd, kruipt het vrij donkere vooronder binnen en vindt daar, behalve Hessel Alberts, den schipper van den schuit, diens knecht en de bemanning van den andere schuit, allen stevig vast gebonden.

“Wacht!”zegt Sweer, “dat zaakje zullen we wel gauw klaren”. En zijn mes trekkende, snijdt hij, hoofdzakelijk op den tast,”rits,rits,rits”de touwen door.

“Dat is dus alweer zoon`n aardigheidje van jullie! Hier, jongens! Pak aan. Dan zullen wij de heeren op denzelfde manier logies verstrekken. Ze verdienen niet anders”.

Op deze woorden van Claes worden terstond de gevangen Naarders met een paar stevige einden touw aan mekaar gesjord. De deur van`t vooronder wordt dichtgetrokken en`t viertal mag zich daar in`t donker op de een of andere manier vermaken. Hoe, dat laten de Harderwijckers graag aan hen over.

Het is inmiddels tamelijk donker geworden, hoewel de lucht onbewolkt is en de sterren zich in het vlakke watervlak weerspiegelen.

Zoo zachtjes aan komen de booten en schuiten, die de Naarders een eind achterna gezeten hebben, weer opzetten en wordt de terugtocht ondernomen. Vooruit in`t oosten, wijst het licht der lantarens in de masten op de Reede, benevens het vuur, dat op de Bruggepoort wordt brandende gehouden, de richting aan, die zij nemen moeten.

Begrijpelijk, dat er grote blijdschap heerscht aan boord. Lustig, onder vroolijk gezang, worden de riemen uitgeslagen en dansend menigmaal onder`t loopen op den boom, duwen de uitgelaten jongkerels, van geen vermoeidheid, de vaartuigen stadswaarts.

XXXXXX

 

 

Dit bericht was geplaatst in Claes van Ermel.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *