Hoofdstuk 9 Hoe Claes van Ermel gered was

Hoofdstuk 9

Hoe Claes van Ermel gered was.

 

Alvorens andermaal aan boord te stappen, om getuige te zijn van andere schermutselingen en avonturen, is het wenschelijk, dat we ons eerst een poosje rustig neerzetten om te hooren, hoe Claes van Ermel zijn wedervaren vertelde, nadat hij als een uit de dood verrezende, in levende lijve te Harderwijck aan wal stapte.

Geluisterd dus!

“Toen ik goed en wel buiten het bereik van de Neerders was geraakt, liet ik mij, de handen achter aan de boot geslagen, een eindje stilletjes voor den wind afdrijven. Doch het ijskoude water deed al spoedig mijn leden verstijven, zoodat ik ongerust begon te worden, omdat ik misschien niet in staat zou zijn, mijzelf in de sloep te werken. Maar dit viel gelukkig nog mee. Door mijn handen om beurten te verplaatsen, scharrelde ik van den achterkant der boot langzaam naar voren tot ongeveer het midden. Toen trok ik mij aan de armen zoo hoogmogelijk uit het water. Door de zwaarte van mijn lichaam en druipende kleeren, haalde ik de boot bijna  met het boord te water. Maar toch moest ik aardig spartelen, eer ik er in was.

Op van inspanning, ging ik languit op den bodem liggen. Niet enkel, om op verhaal te komen, maar voornamelijk om mij aan`t oog van de Neerders te onttrekken. Zij mochten`t eens in het hoofd krijgen, de boot weer op te pikken! Als ze mij niet zagen, zouden ze misschien denken, dat ik niet langer bij machte was geweest om mij vast te klemmen en dus was verdronken.

Na een poos keek ik eventjes over het boord en zag tot mijn geruststelling, dat de beide schepen bij den wind opzeilden en dat men dus de boot aan haar lot overliet. Ik klappertande van de kou, dat is te begrijpen. Haastig trok ik mijn bovenkleeren uit en zocht door krachtig wringen daaruit het water zooveel mogelijk te verwijderen.

Daarna schoot ik ze een, twee, drie! Weer aan, want de koude wind blies mij tot op de huid. Ik begreep, dat ik in beweging moest blijven om mij zoodoende eenigsinds te verwarmen. Ik zette de losse buikdelling, die onder in de sloep lag, rechtop tegen de roeidoft(1), zoodat zij dienst deed als een soort zeil. Vervolgens keek ik uit, op welke hoogte ik mij bevond. Als de wind zoo bleef en ik de boot een beetje kon sturen, zou ik te Elburg te land kunnen koomen. Had ik nu maar een riem gehad.

Doch de riemen waren niet in de boot. Mijn oog viel op het hoosvat. Ik nam het en begon daarmee zoo hard ik kon door`t water te roeien.`t Gelukte mij, de boot met kop naar de kust en vóór de wind te brengen.

Door de winddruk tegen de opgezette planken, werd de sloep nu met tamelijk gangetje voortgedreven. Maar ik moest onafgebroken met het hoosvat in de weer zijn. Zoodra ik eventjes ophield, zwaaide het achtereind van de boot voor de wind af en lag ik dwars op de zee te bombammen.

Langer dan een uur werkte ik met alle kracht door. Toen waren mijn armen echter zoo vermoeid, dat ik het onmogelijk langer kon volhouden. Ik liet mij hijgend op het achterbankje neervallen en gaf de boot aan de wind en de zee over. Duidelijk kon ik zien dat ik dichter bij  de kust was gekomen. Doch de afstand was stellig nog wel een paar uuren gaans. En intusschen was de zon ondergegaan. De lange winternacht was ophanden. Als het weer veranderde en de wind begon op te steken, liep ik alle kans, dat de boot zou omslaan. Dan was het met mij gedaan.

Bij`t overdenken hiervan, greep groote angst mij aan. Bevend zonk ik op de knieën onder in de boot en bad God om`t behoud van mijn leven. Veel woorden wist ik niet te gebruiken, maar wat ik zei, kwam uit het diepste van mijn ziel.

Na dat gebed voelde ik mij minder angstig, de hoop kwam weer terug. Ik greep opnieuw het hoosvat en bracht de boot weer in de goede richting. Spoediger echter dan de eerste keer moest ik het opgeven.

Van mijn krachten was in de laatste uuren zooveel gevergd, dat ik weinig meer had bij te zetten. Nog twee, driemaal heb ik nadien keer getobt, zoolang ik kracht in mijn armen had om het hoosvat te bewegen.

`k Herinner mij, dat het op`t laatst leek, alsof er een zwarte doek voor mijn oogen kwam en dat ik erg licht en draaierig in`t hoofd werd.

“Nu is het met je gebeurd, Claes! God wees mijn arme ziel genadig”, dat herinner ik mij nog gezegd te hebben. Verder weet ik niets meer, totdat ik den anderen morgen mijn naam hoorde roepen en de oogen opslaande zag, dat ik bij Gerrit Ribbe in het vooronder lag. Nadat ik door`t gebruik van wat brood en drank een beetje bijgekomen was, hoore ik, dat Ribbe, die zijn netten had uitstaan bij den zomerdijk,tusschen Elburgh en Campen, mij bij`t aanbreken van den dag bewusteloos in de boot had aangetroffen.

En zoo ben ik gelukkig aan de dood ontsnapt. Maar als ik oit die Neerders te spreken krijg, dan zullen ze er heugenis van hebben. Dat beloof ik ze!

Hoe spoedig hij hiertoe gelegenheid kreeg, hebben wij in`t vorige hoofdstuk gezien.

In de volgende weken hebben de Naardenaars nog verscheidene schepen van Harderwijcker schippers weten te bemachtigen.

Ze eischten van de eigenaars groote sommen gelds als losprijs. Gelukkig voor dezen,dat in denzelfden tijd ook de Harderwijckers een paar Naarder schepen in handen kregen, waarvan zij de bemanning in verzekerde bewaring hielden. Na verbazend veel over- en weer geschrijf, niet alleen tusschen de besturen van de hollandsche steden, maar ook tusschen deze en Hertog Phillip van Bourgondië, alsmede de besturen van de Hollandsche steden Amsterdam, Monnickendam, Edam, Hoorn, Enckhuizen en de eilanden Wieringen en Tessel, kwam men eindelijk in Februari 1443 tot een vergelijk, vastgesteld in het volgende handvest:

“Wij Burgermeesteren en Raad der stad van Harderwijck bekennen mit desen brieve, dat wij quyt gescholden hebben ende schelden mede quyt hoer borgen, die de burgeren ende inwoenre der stad Naerden an onsen handen gedaan hebben, vur alssullyck geld alse daer die burgers vur geloofd hebben. Behandelyck dat en yegelijck vur sichselven betaalen sal alsullijck costgeld als hij schuldig is. Ende die burgere van Naerden soelen voirtaan mit ons, ende die onse mit hen, sich mogen behelpen onder malkander, onbelet van eenige saacken die vur desen daghe immer deser saacken willen gescheid zijn.

Oorkonde onse Segels op`t spatium des brief gedruckt, in`t jaar onse Heeren 1443, op S. Bonifaciusdagh.

Zoo wordt dit krakeel beslecht,”geen sints tot achterdeel of verkleiningvan onse stad”, gelijk de Harderwijcksche geschied schrijver`t uitdrukt.

XXXXXXXX

Verklaring der diverse woorden

  1. Roeidoft = Bank waarop de roeier plaats neemt.

 

 

 

Dit bericht was geplaatst in Claes van Ermel.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *