Huisvredebreuk

Huisvredebreuk

 

 ’t Was in den zomer van’ t jaar 1875.

    Op een woensdagmiddag waren werklieden bezig, het kerkgebouw de Hervormde Gemeente schoon te maken. Mannen zaten in den bak, om’ t hoge gewelf te witten, anderen werklieden schrobden en veegden, terwijl enige vrouwen met zeep en boender de banken een goede beurt gaven.

    De deuren van’ t kerkgebouw stonden open. Wij kwamen om drie uur uit de catechisatie en gluurden nieuwsgierig rond, wat er wel in de kerk te doen was.

    Juist kwam er een troepje Duitsers,aspiranten voor den kolonialen dienst, de kerk binen. De mensen waren uiterst kalm naar het scheen, doch wanneer men ze van nabij beschouwde, kon men wel merken, dat ze zich aan den biertafel niet onbetuigd hadden gelaten. Ze schreden door den ruimen ommegang langzaam voort, kwamen bij het koor, begaven zich toen tussen de banken door naar voren, maar keerden, toen ze daar niets bijzonders vonden, weer terug. Blijkbaar hadden ze’ t gemunt op het orgel. Dat wilden ze bezien. Ongevraagd vervolgden ze hun onderzoekingstocht en kwamen langs de kerkeraadskamer bij de deur, die toegang verleend tot de ruimte achter de preekstoel.

    Daar stond echter een werkman, die hen trachtte duidelijk te maken, dat het orgel niet te bezichtigen was, althans, dat hij, nog een der andere werklui, gerechtigd was, daartoe verlof te verlenen. Maar hoe de werkman ook pleitte en door gebaren zijn bedoeling aanschouwelijk wilde maken, de Duitsers schenen hem niet te begrijpen en drongen aan op vrijen doorgang. Eerst toen de werkman zijn bezem slagboomsgewijze voor de deuropening plaatste,begrepen de vreemdelingen zijn bedoeling en keerden ogenschijnlijk gedwee terug.

    Maar inplaats van het kerkgebouw te verlaten, gingen ze weer het koor op, liepen tussen de banken door en ontzagen zich niet, met ongeveegde voeten over de geboende vloer te lopen. Daardoor kregen zij den werkvrouwen aan de hals, die luide riepen, dat ze zich moesten verwijderen. De heren waren echter Oost-Indisch doof. Doch nu was de maat vol. Een paar werklieden, wat kort van stof, beduidden den indringers nogmaals, dat het toch niet aanging, den schonen vloer zo moedwillig te verontreinigen, waarop een der Duitsers zijn hand ophief, om die simpele arbeiders mores te leren.

    Maar dat was olie op het vuur. Weldra vielen er klappen en op het koor kwam het tot een formeel gevecht. Daar lieten de Hollanders zich niet op den kop zitten, maar grepen met vaste knuisten om zich heen. Hoewel enkele werklui zich aan den strijd onttrokken en een tweetal het tegen de Duitsers moesten uithouden, kregen de laatsten meer klappen dan ze hadden verwacht. Eén werkman verachtte elk ander wapen dan zijn handen. Daardoor kwam hij gedurig onder te liggen, terwijl zijn tegenstanders hem trachtten te slaan en schoppen.

    Maar de ander, ziende,dat zijn makker danig zou worden toegetakeld, nam als wapen een stevigen bezemstok met een ring er om en deed die zo gevoelig op de ledematen der Duitsers neerkomen, dat dezen verwoed op hun belager aanvielen en hem gelijken munt trachtten te betalen. Maar dan schoot den eerste werkman weer toen greep zijn vijanden van achteren beet, daarin trouw geholpen door zijn hondje Filax die het op hun kuiten voorzien had.

    Menig Duitser leed aan bloedverlies en zeker zou het gevecht een nog ernstiger verloop hebben gehad, als een der werkvrouwen niet naar het politiebureau was gegaan en daar hulp had verzocht.

    De politie verscheen spoedig en toen was de rust weer gekeerd. De Duitsers ontruimden het kerkgebouw en hebben er zeker spijt van gehad, dat ze door hun brooddronkenheid in ongelegenheid waren gekomen.

XXXXXXX

Dit bericht was geplaatst in Verhalen bundel.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *