Inleiding en Hoofdstuk 1 Yedammers en Harderwijckers.

 Claes van Ermel cover 

Claes van Ermel

door

A.Rengersen

 Voorwoord

 

Den Heer Rengersen was destijds hoofd der school te Telgt, gemeente Ermelo.

Dit verhaal is als boekwerkje uitgegeven door de firma Weustman en als feulleton verschenen in de Harderwijker courant.

Na ieder hoofdstuk vindt u een verklaring der diverse woorden.

Ik wens u heel veel leesplezier.

Yedammers en Harderwijckers.

Men schrijft anno 1438. De 25ste dag van den Oogstmaand begint zich het verhitte en vuurrode gelaat te verkoelen in de grijsgroene golven, die, voortgestuwd door een lauwen Zuidenwind, zacht ruischend weg rollen in Noordelijke richting. Doch spoedig zien zij zich in haar loo tegengehouden en boos om dien moedwil, berennen zij schuimend de vijandelijke borstwering, de havendammen van de vermaarde en wijdberoemde koopstad Stavoren.

 Ofschoon haar bloei en welvaart afnemende zijn en de Zuiderzee, die haar eenmaal tot glorie en rijkdom bracht, reeds geruimen tijd bezig is haar haven ontoegankelijk te maken, toch wordt Stavoren nog genoemd als de eerste in de rij van Frieslands steden. Toch is haar handel en scheepvaart nog belangrijker en brengen het laden en lossen, het af-en aanvaren van een aantal schepen,dagelijks veel leven en vertier, zoowel langs haar havenkaden als op haar reede.

Zie, het verst uit de wal, vrijwel afgezonderd van de anderen, ligt een vrachtschip, dat blijkbaar een volle lading in heeft. Het is een Harderwijcker kaagschip, rijk geladen met Hamburger bier, meel en wagenschot. (1)

De schipper, Jan Bartolson, op de terugreis van Hamburg naar Harderwijck, heeft wegens tegenwind in den namiddag het anker laten vallen op Stavorens Reede. Hij zelf is met den eersten knecht in de boot naar de wal geroeid, om in de stad een paar kennissen te bezoeken.

De Hanzestad (2) tot wier burgers hij de eer heeft te behooren, staat in drukke handelsbetrekkingen met Stavoren en zoodoende heeft Bartolson al menige reis derwaarts gedaan en is hij er volstrekt geen onbekende.

De tweede knecht met den scheepsjongen Claes van Ermel, een rappe knaap van vijftien jaar, zijn aan boord gebleven om voor de veiligheid van schip en lading zorg te dragen.”Kan wel zijn, dat we wat laat terugkomen”, heeft de schipper gezegd,”als`t wachten jullie begint te vervelen, ga je maar naar kooi. Maar denk er om, de lantaren in de mast te hangen, anders konden we misschien in donker lang zoeken, eer we `t schip vonden”.“We zullen er voor zorgen schipper, groet de vrienden in Stavoren voor ons”.

Onder`t uitspreken van die woorden, werpt de onderknecht het touw, waaraan hij de boot langszijde heeft gehouden, terwijl de schipper en zijn maat er in afklommen los en de sloep verwijdert zich snel in de richting van de haven.

De beide achtergeblevenen houden zich een drietal uuren bezig met verschillende werkzaamheden, want aan boord van een vaartuig valt altijd wat te doen. Hier moet de teerkwast, daar de splisbout, elders de zeilnaald ter hand genomen worden, om`t een en ander te kalifateren.

Zoo gaan de achtermiddaguren ongemerkt voorbij, tot de knecht Evert van Erck geheeten, tegen de jongen zegt;”ziezoo,`t zonnetje gaat ter kooi, nu zullen wij`t er voor  vandaag ook maar bij laten. Ik hoop dat de wind vannacht maar wat inoostelijkt dan lopen we, voor`t dag wordt, mogelijk een mooi eind naar Harderwijck toe. Ik zal blij zijn als de reis er op zit. Vader zegt wel, vreemde oogen maken menschen, maar ik vaar toch liever bij eigen”.

“De schipper is anders geen ongeschikte kerel”, zegt Claes de scheepsjongen.

“Dat wou ik er ook niet mee zeggen, ik bedoelde, dat je bij je vader aan boord wat vrijer bent en af en toe meer kunt mee praten. Maar kom, we zullen een stuk Harlinger brood en een Hamburger bier aanspreken, en dan ga ik op één oor. Als de ouwe terugkomt, zullen we wel wakker worden”.

Het tweetal gaat, na de lantaren in het want te hebben gehesen, in de kajuit, gebruikt het avondeten, en strekt zich vervolgens gekleed en wel op de langs de wanden getimmerde bank uit. En`t duurt maar kort, of hun rustige ademhaling is met het golfgekabbel langs de zijde, het enige geluid, dat wordt gehoord.

Een uur later schrikken beiden plotseling wakker door een geschuifel en gestommel op het dek boven hun hoofden.’De schipper is terug”, zegt de jongen. “Ja,ik hoor`t wel”,is`t antwoord van den knecht, die tegelijkertijd zich opricht en het hoofd uit de opening van het luik wil steken.

Maar op hetzelfde oogenblik “bons”! – daar krijgt hij met een hard voorwerp een slag op zijn hersenpan, dat het hem voor de oogen begint te draaien en hij duizelend van de bank in het achteronder rolt, in zijn val den jongen meeslepend.

“Wat overkomt je”? vraagt deze verschrikt en krabbelt weer overeind.

Maar van Erck geeft geen antwoord. Van het dek echter buldert een zware stem:”Hou je gemak daar beneden en waag het niet je nacht-uilen gezicht te laten zien of bij St.Olaf! Je laatste uur is geslagen”!  Dodelijk ontsteld hoort de knaap de woorden aan en bevend van angst kruipt hij zoo dicht mogelijk in een hoek van de kajuit. “Bom”!- met harde smak wordt het luik dichtgesmeten en in het achteronder is het nu volslagen donker.

Aan het dek hoort hij druk praten en heen en weer open. De roertalies worden losgemaakt, het geklikklak van de pal op het ankerspil, het klapperen en slaan van het zeildoek, het geven van bevelen op halfgedemten toon, dit alles overtuigd hem, dat men bezig is onder zeil  gaan. En deze overtuiging geeft hem meteen zekerheid, dat het schip zich bevind in handen van zeeschuimers.

“Goede hemel! Hoe zal dat aflopen”?

In zijn angst herinnert hij zich, hoe in de laatste tijd verscheidene Harderwijcker schepen zijn buitgemaakt door de kapers van Enckhuisen en Hoorn.

Tot recht begrip van zaken deelen wij even mede, dat er in dezen tijd onlusen bestonden tusschen de Oostersche steden Hamburg,Bremen en Lubeck en de Hollandsche onderzaten van Hertog van Bourgondiё, die in 1428 Gravin Jacoba van Beieren gedwongen had hem de Graafschappen Holland en Zeeland af te staan.

De Harderwijckers, die zich in dezen oorlog onzijdig hielden geraakten daardoor in denzelfden omstandigheden als menschen”die het midden van een huis bewonen, welke van boven met vuilnis en van onderen met damp en rook worden gekweld”, gelijk een schrijver zich hel eigenaardig heeft uitgedrult. Nu eens kregen zij het met de Oosterlingen, dan eens met de Hollanders te kwaad.`t Gevolg was, dat er af en toe zoowel door den eersten als door de laatsten Harderwijcker schepen werden aangehaald en Harderwijcker burgers werden gevangen gehouden.

`t Waren vreemde toestanden in die dagen.

“Hoe zal dat aflopen?”, vraagt Claes zichzelf af. “Zeg Evert! Ze gaan er met het schip en ons vandoor, merk je wel?”. Maar Evert geeft geen antwoord.

Tastende in het duister, krijgt Claes een arm van zijn kameraad te pakken, en schud er eens flink aan en zegt met half ingehouden stem:”Hoor je me niet? Wat mankeert je, Evert?’. Tevergeefs. Evert geeft geen teken van leven. “Hij zal toch niet dood zijn?-O,God! Wat moet ik beginnen!

Angstig rekt hij zich weer in den hoek terug en denkt aan alles en niets, want allerlei gedachten verdringen zich in zijn hoofd, klam van`t benauwde zweet.

`t Schip begint naar stuurboord over te hellen en aan`t geluid van`t langszijde stroomende water bemerkt Claes, dat er gang in komt.”Ze koersen om de west”, denkt hij, als de wind tenminste nog zuidelijk is.`t Zijn vast Hollanders, die ons te pakken hebben.

Nou, de schipper zal ook vreemd staan kijken, als-ie merkt dat zijn schip zoek is. Waren we maar niet gaan slapen!,dan hadden we mogelijk kunnen zorgen, dat de overrompeling niet gelukt was. Hei Evert!-Evert!……

“Flap!”- Het luik wordt opengestooten en`t schijnsel van een lantaren valt in het achteronder,”Hola!”daar beneden, kom jullie eens voor den dag, dat we zien kunnen wat voor vleesch we in de kuip hebben!”

Huiverend bij het hooren van de ruwe stem, dringt Claes zich zoo dicht mogelijk tegen de wand.”Zeg, versta je geen Hollandsch, leelijke Geldersche schaapskoppen? Kom eens voor`t licht,zeggen we, en vlug wat, of we zullen je om haring sturen”.(3)

Schoorvoetend geeft Claes gevolg aan`t zeer malsch bevel, stapt over het schijnbaar levenlooze lichaam van Evert en plaatst zich onder de opening van het luik, zoo dat het schijnsel van de lantaren hem bij`t omhoog kijken vlak in`t gezicht valt en hij er in`t eerste oogenblik door verblind wordt.

“Kom, doe je kijkgaten eens open en vertel eens, wie zich daar beneden nog meer verstopt hebben”, vermaant degene die de lantaren houdt en naast het luik gehurkt zit. “Mijn maat ligt daar dood in den bak (4) en meer volk is er niet”,zegt Claes.

“Dus je was maar met tweeёn aan boord? `k geloof, dat je ons wat staat voor te liegen, kleine rakker!”

“`t Is zooals ik zeg, een leugenaar ben ik niet”, antwoord Claes, die op dit ogenblik zijn vrees doet wijken, doordat hij zich geraakt voelt, nu er aan de waarheid van zijn woorden wordt  getwijfeld.

“Wat verbeelden zich die gauwdieven wel”, denkt hij.

“Nu, maak je maar niet boos kereltje.`t Is je geraden zoete broodjes te bakken, anders kan`t wel eens verkeerd voor je afloopen. Je was dus maar met je beiden?”  “Ja”.    “Opzij dan!`k wil weten of je de waarheid spreekt”.

“Wat is hem overkomen?”

“Dat weet jelui misschien beter dan ik”, zegt Claes. En dadelijk laat hij erop volgen:”Toen wij wakker werden sprong mijn maat overeind, om te zien wie er aan dek waren, maar in`t zelfde oogenblik rolde hij van de bank en nu ligt hij nog net als hij neergevallen is.

“Ga naar boven en haal wat water. En vlug, hoor!”  Claes doet wat hem gezegd wordt. Terwijl hij bezig is net uit het op`t achterdek staande vat`n kan met water te vullen, hoort hij van beneden roepen:

“Sijmen, zeg dat iemand hier even heen komt om me te helpen!’waarop de roerganger tot een zestal personen, die op het voorschip bezig zijn, roept: “Hola,mannen! Laat een van jullie dadelijk naar achteren komen”. “Laat je zakken. Beneden is een karweitje voor je, Sybrandt!”

Claes heeft intussen zijn kan gevuld en keert in de kajuit terug. “Hier is water”, zegt hij. “Mooi zo! We zullen proberen of we onze maat hier wakker kunnen krijgen. Ga jij maar zoolang naar boven knaap. Als we je nodig hebben,  zullen we je wel roepen”.

Zonder hierop iets te zeggen, verlaat Claes het achteronder inwendig blij, dat zijn tegenwoordigheid beneden niet geёischt wordt. Zwijgend zet hij zich te loevert tegen het boord neer. De kaag heeft alle zeilen bijstaan en loopt met een tamelijke vlugge koelte vrij goed  voort.

`t Is een heldere sterrenlucht. Achteruit zijn de lichten van de schepen voor Stavoren nog duidelijk te zien en daaruit leidt Claes onmiddelijk af, dat het schip om de zuid koerst.De wind zal dus ten naasten bij zuidoost zijn, want de zeilen scherp bij den wind. Op kleine afstand vooruit, onderscheidt hij duidelijk den donkeren omtrek van een ander vaartuig dat onder denzelfden boeg ligt.

“Zeker het kaperschip”, denkt Claes,”waarvan een deel der bemanning op het onze is overgegaan.`t Zal me benieuwen, waar ze ons heenbrengen. Maar ik wou om een lief ding, dat ik goed en wel te Harderwijck stond. Jongen, jongen! Wat een slag voor den schipper! Want hij zal lang moeten fluiten, eer hij zijn boeltje terug heeft.Toch is hij misschien nog minder ongelukkig er af gekomen dan Evert.`k Geloof zeker, dat die er`t hachje bij in geschoten heeft”.

Zo zit de jongen een heele poos in gedachten en merkt hij niet, dat men in het achteronder reeds een paar maal om hem geroepen heeft. “Au! Wat is dat?” Verschrikt springt Claes overeind en grijpt met een pijnlijk gezicht naar zijn linkerbeen, waartegen een of ander hard voorwerp met kracht aangekomen is.

“Ha! Ben je eindelijk wakker, Geldersche slaapkop? Ik was netvan plan`t je nog beter te laten voelen. Hoor je niet,dat ze je beneden nodig hebben? Alloh, maak dat je wegkomt”.

Het is de roerganger, die tot nu toe zwijgend aan de stuurpen heeft gestaan, maar thans onze vriend allesbehalve zoetsappig in zijn overpijnzingen stoort. Deze wacht een tweede aanmaning niet af, maar laat zich ijlings door het luik zakken. “Onzer sinjeur is weer uit zijn appelflauwte wakker geworden, maat! Nu moet jij hem verdere van de nacht maar gezelschap houden, want voor ziekenoppasser ben ik niet in de wieg gelegd”. Onder het uitspreken van deze woorden wijst degene die het eerst zich in de kajuit heeft begeven, op Evert, die met een doek om het hoofd, zwijgend en met trek van moedeloosheid op`t gezicht, in half liggende houding tegen de bank leunt.”Vermaak mekaar daar maar een beetje. Morgenochtend zullen we wel verder praten. Tot zoolang gegroet hoor”.

“Vooruit, Tjerk! We willen kijken hoe ze`t daarboven maken”. Het luik wordt dichtgesmeten en Evert en Claes zitten als gevangenen in de kleine, donkere ruimte.

“Hoe gelukkig, dat je nog in leven bent. Ik dacht vast, dat het met je afgeloopen was”, zegt Claes zacht. “Hoe is`t er nu mee, Evert?”

“`t Gaat nogal, maar de wond aan`t voorhoofd doet me lelijk pijn en ook mijn rechter scheenbeen. Daarmee ben ik in mijn val op de kant van den bank terecht gekomen. Die gauwdieven! Als ik ze in mijn macht had, gingen ze allen kopjen onder. Hoeveel zijn er wel te naasten bij?”

“Voor zoover ik zien kan, een stuk of acht”, Antwoord Claes.”Ja, daar is niks tegen te doen. We moesten maar stilletjes afwachten, hoe`t verder zal gaan. Doch ik hoop, dat we`t den schelmen later nog eens betaald zullen kunnen zetten. “Ik mag`t lijen”, zegt Claes uit de grond van zijn hart. Een poos later hoorden ze het volk aan dek praten en roepen en bemerkten ze aan`t slaan van de zeilen, dat het vaartuig overstag gaat.(5)  Kort daarop wordt het luik geopend, lantarenlicht valt in de kajuit en iemand met een zware stem zegt:”hei, knaap! Reik eens vlug een paar bierpotten. We hebben trek in een frisschen dronk”.

Claes ziet Evert aan met een blik, waarop te lezen staat: “zal ik, of zal ik niet”. “Gauw maar”,zegt Evert, want hij begrijpt heel goed, dat gehoorzamen de boodschap is.

Nadat het verlangde aangereikt is, wordt het luik weer dicht gemaakt en blijft het een geruimen tijd vrij rustig aan dek, doch van lieverlede komt er meer leven. Luide uitroepen, worden telkens door het tweetal in de kajuit vernomen.

“Ze beginnen tamelijk jolig te worden daarboven! Ze doen zich zeker danig te goed aan`t Hamburger bier. Hoor, daar gaan ze warempel op hun zing”, zegt Evert en er klinkt ergernis en wrevel in zijn stem. Een koor van mannenstemmen heft aan en krachtig en forsch klinkt het door den helderen zomernacht en wijd rolt het geluid over de donkere wateren:

“Wie wil hooren een nieu liet?

“En dat sal ick U Singhen,

“Hoe Gheraert van Velsen Graef Floris verriet,

“`t Sijn wonderlike dinghen

Dit “Nieu”lied, waarin de moord op Hollands meest geliefden Graaf “der keerlen God”bezongen wordt, was destijds nu juist niet meer zoo heel nieuw, het was zeker meerdan honderd jaar vroeger gedicht. Doch de herinnering aan den edelen Vorst was bij het volk van Holland nog zeer levendig en de liederen, aan hem gewijd, bleef eeuwenlang,   op aller lippen.

Er gaat nu een heel tijdje mee heen, eer de zangers genadert zijn tot het tijdstip, waarop van Velsen gevangen werd.

“Een Corte Wijl was daer niet lanc.

“Gheraert van Velsen wiert ghevanghen.

“Hi docht so dicwils bi siner eer,

“Rijc God, nu sal ic moeten hanghen”.

 

“Hanghen en was hem nog niet goed genoech,

“Hi moest noch sevenmael meer liden.

“Si deden een vat vol spikers slaen,

“Daer moest hi selve in gliden”.

 

“Si rolden hem drie daghen lanc,

“Drie daghen voor den noene:( 6 )

“Gheraert van Velsen,wel lieve man,

“En hoe is U nu te moede”.

 

“Hoe mi nu te moed is?

“Dat sal ic U wel segghen:

“Ic ben nog al deselve man,

“Die Graaf Floris sijn joncleven nam”.

 

 Afgezongen zijn hiermee in`t eind de dertig coupletten en de zangers moeten vast hun droog geworden kelen met een paar hartige teugen bier bevochtigen, want gedurende enkele minuten blijft het stil. Daarna hoor, een ander lied:

“Het daghet in het Oosten,

“Het lichtet overal:

“Hoe luttel weet mijn liefken,

“Och! Waer ie henen sal”.

 

 In veertien coupletten wordt hier bezongen, hoe een edele maagd het lijk van haren verloofde, dien zij verslagen vond bij de “Linden groene”, zelf ter Grave draagt. Als dit geschied is, zegt ze:

“Nu wil ic mi begheven,

“In een clein Cloosterkijn.

“Ende draghen swarte wilen, (7)

“Ende worden een nonnekijn”.

 

“Met hare claerder stemme,

“Die misse dat si sanc,

“Met haar sneeuwwitten handen,

“Dat belleken dat si clanc”.

 Het diepe gevoel, dat uit dit oude lied spreekt, mist niet zijn uitwerking op het gemoed van de beide toehoorders in de kajuit. Met van zachte aandoening hijgende borst luisteren zij en luisteren-vergetende voor het oogenblik geheel hun treurigen toestand, vergetende ook dat zij, door wier toedoen zulk een weke stemming bij hen gewekt wordt,hun vijanden zijn. Machtig toch, de invloed van muziek en zang. Begrijpelijk, dat in de fabelleer der oude volken, de wilde dieren betooverd raken, door de zoete tonen van de menschelijke stem of van het muziekinstrument.

`t Wordt meer stil aan dek. `t Schijnt dat de zachte bekooring die van`t lied uitgaat,zich ook laat gelden bij de ruwe klanten, ofschoon zij zich anders door geen zoete wiegeliedje in slaap laten sussen. De meesten hunner houden dan ook meer van wapengekletter, van golfgebruis en windgebulder, dan van`t zachte ruischen der tonen, aan dichterharp ontlokt.

`t Blijft stil aan dek, een lange poos.

Evert en Claes, moe van de ongewone aandoeningen en gewaarwordingen van de laatsten uuren, strekken zich, zoo gemakkelijk als gaan wil op de vloer van den kajuit uit en liggen spoedig in een rustige slaap.

Als`t vogeltje, dat bij`t vallen van den avond zich op een boomtak neerzet, het kopje onder de vleugels steekt en insluimert, zonder vrees voor de mogelijke gevaren, die de nacht kan brengen, zijn ze ingedommeld, zonder zich langer het hoofd te breken met allerlei vragen, waarop nog geen antwoord is.

Einde Hoofdstuk 1

Verklaring der diverse woorden hoofdstuk 1

 

  1. Wagenschot  =  Eikenhout
  2. De Hanze was een verbond van koopmanschap tusschen eenige Nederlandsche en Duitsche handelsteden.
  3. Overboord gooien, om haring te halen.
  4. Vloer van de kajuit
  5. Overstag gaan = van koers veranderen, zoodat de wind van den anderen kant inkomt.
  6. Noene of noen  =  is middag
  7. Swarte willen  =  Het zwarte nonnenkleed

 XXXXXXX

 

 

 

Dit bericht was geplaatst in Claes van Ermel.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *